Leesfragment: Geschiedenis van geweld

02 juli 2017 , door Édouard Louis
|

Op 6 juli verschijnt Geschiedenis van geweld, de nieuwe roman van Édouard Louis, in de vertaling van Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre. Wij publiceren voor!

‘Ik ontmoette Reda tijdens kerstavond 2012, en ik nam hem mee naar huis, rond vier uur in de ochtend. Hij vertelde mij over zijn jeugd en over de reis van zijn vader van Algerije naar Frankrijk. Hij vertelde over het geweld dat een immigrant meemaakt, over ontheemd zijn, over racisme, en over wanhoop. Ik bracht de nacht door met Reda, en hij vertelde over zichzelf terwijl hij naast mij lag in mijn bed in mijn kleine appartement. Rond zes uur ’s ochtends pakte hij een pistool en zei dat hij mij ging vermoorden. De volgende dag belandde ik in een wereld van juridische en medische procedures.’

Geschiedenis van geweld is een nietsontziende roman over de nacht waarin Édouard Louis op gruwelijke wijze werd aangevallen. Dit boek vertelt het verhaal van die nacht en probeert de oorzaken en consequenties van het fenomeen geweld te doorgronden.

 

1

Dus een paar uur na hetgeen op de kopie van de aanklacht die ik in vieren gevouwen in een la bewaar poging tot doodslag wordt genoemd, vertrok ik van huis en liep de trap af.
Ik stak in de regen de straat over om mijn lakens op negentig graden te gaan wassen in de wasserette beneden, op minder dan vijftig meter van mijn huisdeur, mijn rug gebogen onder een al te onhandige, te zware tas met wasgoed en mijn benen zakken door onder het gewicht ervan.
Het was nog niet helemaal licht. De straat was leeg. Ik was alleen en ik liep, mijn voeten gleden weg, ik hoefde maar een paar stappen te doen en toch telde ik ze, want ik had haast: nog maar vijftig stappen, hup, nog maar twintig stappen en je bent er. Ik ging sneller lopen. Uitkijkend naar de toekomst waarin deze scène op de een of andere manier zou worden teruggekoppeld naar, toegewezen aan, herleid tot het verleden, dacht ik ook: over een week zul je zeggen: Zozo, alweer een week geleden dat het is gebeurd, en over een jaar zul je zeggen: Alweer een jaar geleden dat het is gebeurd. De ijskoude regen, geen slagregen maar uiterst fijne, piepkleine, vervelende druppeltjes, drong in het materiaal van mijn schoenen, het water verspreidde zich door de zolen en de stof van mijn sokken. Ik had het koud – en ik dacht: hij zou terug kunnen komen, hij zal terugkomen, nu ben ik veroordeeld tot zwerven, hij heeft je veroordeeld tot zwerven. In de wasserij zag ik de kleine, gedrongen beheerder van de zaak. Zijn borst stak boven rijen machines uit. Hij vroeg of het goed met me was en ik antwoordde, zo grimmig als ik kon: Nee. Ik wachtte op zijn reactie. Ik wilde dat hij reageerde. Hij deed geen moeite er meer van te weten te komen, hij haalde zijn schouders op, hij keek om, hij ging zijn smalle kantoortje binnen, dat verborgen lag achter de droogautomaten, en ik verfoeide de man omdat hij me geen vragen stelde.
Met de schone lakens liep ik terug naar huis. Op de trap zweette ik. Ik maakte het bed weer op, het leek nog steeds doortrokken van Reda’s geur, dus ik stak kaarsen aan, brandde wierook; dat was niet genoeg; ik nam luchtverfrissers, deodorant, allerhande eaux de toilette die ik voor mijn laatste verjaardag had gekregen, allerhande eaux de cologne, en besprenkelde daarmee de lakens, ik waste de slopen met zeep, hoewel ik ze net had gewassen, het weefsel spuwde het zeepwater uit in de vorm van kleine trosjes van samenklittende belletjes. Ik sopte de houten stoelen, haalde een natte spons over de boeken die hij in zijn handen had gehad, wreef de deurknoppen met antiseptische doekjes,veegde zorgvuldig, een voor een, de houten lamellen van de zonneblinden schoon, verplaatste en verwisselde de stapels boeken die op de vloer stonden en liet de metalen ombouw van mijn bed glanzen, vernevelde op het gladde, witte oppervlak van de koelkast een product met een citroengeur; het lukte me niet te stoppen, ik werd gedreven door een soort energie die dicht bij waanzin lag. Ik dacht: beter gek dan dood. Ik schrobde de douche, die hij had gebruikt, goot een paar liter bleekwater in het toilet en in de wastafel (op zijn minst ruim twee liter, dat wil zeggen één volle fl es van anderhalve liter en een nog halfvolle), schrobde dwaas genoeg de hele badkamer, ging zelfs zo ver de spiegel schoon te maken waarin hij zich die avond had bekeken, of liever bewonderd, gooide de kleren weg die hij had aangeraakt, ze wassen zou niet genoeg zijn geweest;ik weet niet waarom dat wel genoeg was voor de lakens en niet voor de kleren. Op handen en voeten boende ik de vloer, ik brandde mijn vingers aan het dampende water, de dweil schuurde dunne, rechthoekige strookjes van mijn zacht geworden huid. De stukjes huid krulden op. Ik stopte even, haalde diep adem, ik snoof zelfs als een beest, ik was een beest geworden, op zoek naar die geur die ondanks mijn inspanningen nooit leek te verdwijnen, zijn geur wilde niet weggaan en daar leidde ik uit af dat die geur aan mij hing en niet aan de lakens of de meubels. Het probleem kwam uit mij. Ik stapte de douche in, ik waste me, toen een tweede keer, toen een derde keer, en zo verder. Ik gebruikte zeep, shampoo, conditioner op mijn lichaam om het zo veel mogelijk geur te geven, het was alsof zijn geur bij me was ingevreten, in mij, tussen het vlees en de opperhuid, ik krabde mijn lichaam overal, duwde hard met mijn nagels, hardnekkig, om de binnenste huidlagen te bereiken, daar de geur weg te krijgen, ik vloekte, godverkut, maar de geur bleef hangen, maakte me steeds misselijker, duizeliger. Ik concludeerde: hij zit ín de neus, die geur. Je ruikt de binnenkant van je neus. De geur zit vast aan mijn slijmvliezen. Ik liep de badkamer uit, kwam terug en goot een fysiologische zoutoplossing in mijn neus; ik blies de lucht door mijn neus naar buiten, zoals bij snuiten, nou ja, dat effect wilde ik teweegbrengen, dat het vocht overal mijn slijmvliezen bereikte; het hielp niets; ik zette de ramen open en ging naar buiten om Henri op te zoeken, de enige vriend die op die ochtend van 25 december om een uur of negen wakker was.
Mijn zus beschrijft de scène voor haar echtgenoot. Verborgen achter een deur luister ik toe. Ik hoor haar stem, die ik zelfs na jaren afwezigheid herken, haar stem, waar altijd een mengsel van woede, wrok en ironie in doorklinkt, berusting ook.

Vier dagen geleden ben ik bij haar aangekomen. Ik had heel naïef gedacht dat een verblijf op het platteland de enige manier was om te bekomen van mijn vermoeiende, deprimerende manier van leven, maar amper had ik een voet in dat huis gezet, de reistas op de matras geworpen, amper het slaapkamerraam opengedaan, dat uitziet op de bosjes en de fabriek van het dorp opzij, of ik realiseerde me dat ik een fout had gemaakt en dat ik nog zwaarmoediger en geplaagd door verveling weer thuis zou komen.
Ik heb haar al twee jaar niet opgezocht. Als ze me mijn afwezigheid verwijt mompel ik een holle frase als ‘Ik moet mijn eigen leven leiden’, en ik probeer er genoeg overtuigingskracht in te leggen om mijn schuldgevoel op haar over te dragen.
Maar ik weet niet wat ik hier doe. De laatste keer was ik in dezelfde auto gestapt als deze week, die auto die me ziek maakt omdat hij naar verschaalde rook ruikt, en toen ik door het raampje dezelfde maïs- en koolzaadvelden zag langstrekken, dezelfde vlakten met stinkende suikerbieten, de rijen bakstenen huizen, de walgelijke affi ches van het Front National, de kleine, sombere kerken, de buiten dienst gestelde tankstations, de verroeste, wankele supermarkten, midden tussen de weilanden neergeplant, dat deprimerende landschap van Noord-Frankrijk, werd ik misselijk. Ik besefte dat ik me eenzaam zou gaan voelen. Bij mijn vertrek destijds had ik tegen mezelf gezegd dat ik een hekel aan het platteland had en er nooit meer terug zou komen. En dit jaar kom ik terug. En dan nog iets. Het is niet alleen omdat jullie vijf minuten na je aankomst onvermijdelijk ruzie maken dat je niet meer komt, dacht ik toen ik aankwam, toen ik bij haar in de auto zat, toen ik zong om niet te hoeven praten, niet alleen omdat alles in haar omgangsvormen, haar gewoonten, alles in haar manieren van denken je hindert en irriteert. Het is ook dat het je niet meer lukt haar op te zoeken sinds je begrijpt hoe makkelijk en onaangedaan je haar verwaarloost, en het gemene is dat je vaak hoopt dat ze je zal helpen om afstand te nemen. Nu weet ze het. Ze weet hoe koel je kunt zijn en je schaamt je. Hoewel er geen reden is om je te schamen, je hebt recht op afstand, maar je schaamt je. Je weet dat je door haar te bezoeken jezelf dwingt de confrontatie aan te gaan met je wreedaardigeheid, met wat je uit schaamte je wreedaardigeheid noemt. Je weet dat je door bij Clara te zijn geconfronteerd wordt met aspecten van jezelf die je niet wilt zien en dat je haar dat kwalijk neemt. Onwillekeurig neem je haar dat kwalijk.
Sinds het laatste bezoek heb ik haar alleen maar een paar sms’jes gestuurd en wat formele ansichtkaarten, die lukraak waren gekozen, vanuit een vaag gevoel van familiale verplichtingen, die ze met magneetjes aan de koelkast heeft bevestigd en die ik telkens snel had volgekrabbeld op een bankje in een park of op een hoek van een cafétafel: ‘Kussen uit Barcelona, Tot binnenkort, Édouard’ of ‘Romeinse gedachten, schitterend weer’, misschien in feite minder om een band tussen haar en mij te onderhouden, zoals ik mezelf die voorspiegel, dan om haar te herinneren aan de afstand die ons scheidt en haar te laten weten dat ik tegenwoordig ver van haar verwijderd ben.

 

[...]

 

 

Copyright © 2016 Éditions du Seuil
Copyright Nederlandse vertaling © 2017 Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre

MINDBOOKSATH : athenaeum