Leesfragment: De laatste deur

14 maart 2017 , door Jeroen Brouwers
| | |

Op 15 maart verschijnt De laatste deur van Jeroen Brouwers. Lees bij ons alvast een fragment!

Liefde-literatuur-dood is de thematische drie-eenheid binnen het oeuvre van Jeroen Brouwers. Zijn fascinatie voor zelfmoord dateert van het begin van de jaren zeventig, toen een vriendin zich het leven had benomen. Brouwers’ wens om het zelfmoordraadsel te begrijpen resulteerde in het inmiddels legendarische boek De laatste deur.

Dit is de ingrijpend herziene en zeer uitgebreide editie van het dertig jaar geleden verschenen werk, dat handelt over de zelfverkozen dood van Nederlandstalige schrijvers. Vanuit gevoelens van mededogen, begrip en solidariteit met hen die in het verleden en de meer recente tijd de hand aan zichzelf sloegen (van wie hij er enkelen van zeer nabij heeft gekend), poogt Brouwers aan de hand van hun literaire werk een mogelijke verklaring te vinden voor hun ultieme daad. Brouwers karakteriseert op integere en invoelende wijze uiteenlopende figuren als François Haverschmidt (Piet Paaltjens), Menno ter Braak, Halbo Kool, Jan Emmens, Jan Arends, Dirk de Witte, Jan Emiel Daele, Jotie T’Hooft en tal van anderen. Deze nieuwe editie bevat ook levensgeschiedenissen van overledenen in de laatste jaren: Adriaan Venema, Anil Ramdas, Nanne Tepper, Joost Zwagerman en Wim Brands.

Aan De laatste deur is een supplement toegevoegd (De zwarte zonDe versierde dood en verspreide opstellen) met essays over buitenlandse schrijvers en onderwerpen als zelfmoordverenigingen en –sekten, en geruchten en verzinsels over zelfmoord. Een aantal van deze opstellen is niet eerder in boekvorm verschenen.

N.B. Wij publiceerden eerder voor uit Bittere Bloemen.

 

Joost Zwagerman (1963-2015)

‘Het verlangen om er niet te zijn’

1 Zijn leven verliep bepaald niet in het gebied van de stilte, al verlangde hij tegen het einde ervan meer en meer om daarin te verdwijnen.
‘Het verlangen om er niet te zijn’ is een zinsnede uit mijn roman Het verzonkene (1979), die als titel terechtkwam op een bundel opstellen (1981) over het oeuvre van Willem Brakman en sedertdien gevleugeld is gebleven. In zijn essayboek De stilte van het licht (2015) zette Joost Zwagerman haar boven een beschouwing over ‘verdwijning in Nederlandse romans’. Daarin bracht hij onder meer enige romans van mij te pas, maar niet die waaraan de titel van zijn betoog is ontleend. Wat ik jammer vind: – veel van mijn oeuvre staat in het teken van verdwijning en het verlangen ernaar, – als terugkerend thema nadrukkelijk aanwezig in Het verzonkene, om van De laatste deur nog niet te spreken.
Laatstgenoemd boek, waar meerdere keren naar wordt verwezen in Zwagermans werk, kwam uitgebreid ter sprake toen hij mij kwam interviewen voor een eigen boek dat hij voorbereidde terwijl hij al met zijn eigen verdwijning in de stilte bezig bleek te zijn. Het moest gaan over het verdriet, de woede en andere emoties der nabestaanden van iemand die was overgegaan tot zelfmoord. Wat een onzalig onderwerp. Hij had het over ‘mede-slachtoffers’ van een zelfmoordenaar, in mijn geval het meisje aan wie De laatste deur is opgedragen en aan de schrijvers-vrienden-zelfmoorde-naars die in mijn leven zijn geweest en in De laatste deur worden geportretteerd.
Ik zei hem dat ik mezelf geen mede-slachtoffer voel en dat ook niet ben. Mijn ontzetting bij de zelfmoord van een dierbare geldt niet mijzelf, maar de zelfmoordenaar: mijn emotie bestaat uit deernis, tegelijkertijd laat ik waar mogelijk alle begrip voor zijn daad tot me toe en heb ik er geen oordeel over. Het was zijn leven en als zodanig zijn privébezit, waarover hij, net als iedereen, het recht heeft zelfstandig te beschikken. Het ‘slachtoffer’, als je hem zo wil noemen, is de zelfmoordenaar, niet ik, niet jij, die er niet bij betrokken was. Het wijst op arrogantie te oordelen, zeker in negatieve zin, over zijn besluit en in plaats van te spreken over ‘medeslachtofferschap’ is een woord als zelfcompassie geschikter: de achterblijver verzinkt in eigen verdriet en gemoedsverwarringen en waant zich ‘mede-slachtoffer’ bij het idee dat hij bij zelfmoord, anders dan bij een gewoon sterfgeval, medeverantwoordelijk zou zijn en dat de zelfmoordenaar hem belast met schuldgevoelens die hij niet hoeft te hebben en met vragen die nu eenmaal onbeantwoordbaar zijn. De zelfmoordenaar, zei ik Joost, moet aan oneindig meer gemoedskwellingen onderhevig zijn geweest dan enige nabestaande.
Maar zijn boek zou daar nu juist over gáán, antwoordde hij: over hoe de achterblijver omgaat met de zelfmoord van een gezins- of familielid, of van een beminde of bewonderde naaste. Wat de achterblijver bij dergelijke zelfmoord aan moet met het imbroglio van gedachten en emoties, onder meer de gedachte dat hij door de zelfmoordenaar in de steek is gelaten en alsof diens nabije omgeving hem totaal onverschillig was geworden.
Niet ‘alsof’, zei ik, maar ‘omdat’. De zelfmoordenaar denkt uitsluitend aan zijn einde en maakt rigoureus tabula rasa met alles wat hem daarvan afhoudt. Hij wil niet meer leven en kapt alle kabels door die hem nog aan zijn leven binden. Van vrouw, eventuele buitenvrouw, kinderen, vrienden heeft hij zich onthecht bij het enige en laatste wat hij nog van plan is en ten uitvoer brengt.
Dus laat hij onverschillig maar alles en iedereen in de steek, concludeerde Joost verontwaardigd.
Doet niet iedereen dat die sterft? Dit sprak ik niet uit. Onverschilligheid is inherent aan dood. Dit hield ik ook maar voor me. Het is zijdelings te vergelijken, zei ik, met een man of vrouw die vaste relatie, huwelijk, kinderen, huishouden in de steek laat met maar één gedachte: hij/zij wil om welke reden dan ook van alles àf, rücksichtslos en wel onmiddellijk.
Zwaag kwam te spreken over zijn vader. Die had enige jaren tevoren, in 1998, een zelfmoordpoging gedaan door slaapmiddelen te nemen en die weg te spoelen met bleekwater. Nu was het 2004, Joost zat er nog steeds over in, de gebeurtenis had een barst in zijn bestaan geslagen. Op het nippertje weerhouden en op intensive care weer bij kennis gebracht, was het eerste wat zijn vader had gezegd: Dit was niet de bedoeling. Joost dacht dat de man van toen tegen de zeventig zijn zelfmoordonderneming betreurde, maar pa had het integendeel over het feit dat hij nog steeds in leven was, dàt was niet de bedoeling.
Wat was zijn motief?
Zijn vader had geen brief met uitleg of verklaring achtergelaten, dus we zouden het nooit hebben geweten, zei Joost, maar ook zonder brief waren er motivaties te over die hij niemand hoefde uit te leggen. Hij was zijn baan in het onderwijs kwijtgeraakt en was afgedankt in de VUT. Het huwelijk van mijn ouders liep na zowat veertig jaar op de klippen. Mijn vader verhuisde naar iets oncomfortabels waar van alles moest worden vertimmerd en versleuteld waar hij zelf niet toe in staat was en de middelen niet voor had. Zijn leven was failliet, hij kwam het niet te boven en raakte stuurloos zonder zijn kompas van zekerheden. Mijn moeder, die toevallig langskwam, vond hem en zo werd hij van de afgrond weggetrokken, wat niet de bedoeling was. Een opgewekte, levensgretige, enthousiaste man, net als ik, zo besloot Zwaag het relaas over Zwaag senior.
Net als ik. Ik hoor het hem nog monter zeggen.
Wat zijn de voortekenen, die altijd pas achteraf kunnen worden geduid?
Er bleven in het hoofd van Joost twee dingen knarsen. Dat ‘mede-slachtofferschap’, dat hoofdzakelijk bestond uit zijn verontwaardiging over het feit dat zijn vader hem ten slotte te onbelangrijk had gevonden om nog rekening mee te houden. En de opeens in hem opgestane angst dat zelfmoord genetisch bepaald en overdraagbaar zou zijn, zodat de mogelijkheid zou bestaan dat hij er ook door was aangeraakt, en zijn kinderen en kleinkinderen.
Dit laatste dacht ik te kunnen relativeren. Zelfmoord als genetische component is even zeldzaam als bijvoorbeeld een of ander kunstzinnig talent dat van generatie op generatie wordt doorgegeven, al komt het voor. In bepaalde familiegeslachten rijgt zelfmoord zich aan zelfmoord zoals in andere generaties een artistieke vaardigheid. Het geslacht Mann kan hier in dubbele zin tot voorbeeld dienen: de Nobelprijslaureaat Thomas Mann had zonen die zowel schreven als door zelfmoord het leven lieten. Er waren ook ooms en tantes Mann die hetzelfde einde verkozen. Hijzelf had bij tijden de neiging tot zelfmoord, maar bleef overeind tot de dood vanzelf kwam. Drie broers van de filosoof Ludwig Wittgenstein begingen zelfmoord, voor zichzelf heeft hij er soms aan gedacht. Ettelijke familieleden van de in Auschwitz vermoorde schilderes Charlotte Salomon, onder wie haar moeder, besloten tot zelfmoord. Wie het bewezen acht dat dat andere Holocaustslachtoffer, Primo Levi, door zelfmoord is gestorven, kan wijzen op diens grootvader Michele Levi, die zich in 1888 van tweehoog uit het venster van zijn woning in Turijn naar beneden had geworpen. In de familie Hemingway ging zelfmoord vier generaties over van vader op kinderen. En David Vann zei in een interview dat in zijn familie vijf zelfmoordenaars waren, een van hen was zijn vader. Waar tegenover staat dat Johann Sebastian Bach aan het hoofd stond van een geslacht van tal van componisten die zijn naam droegen, wat als verschijnsel even uitzonderlijk is als een geslacht van zelfmoordenaars.
Zelfmoord als zodanig is al een uitzondering, al zijn er duizenden uitzonderingen. Zelfmoord in genetische context is nog vele malen uitzonderlijker, zo uitzonderlijk dat ik Joost er gemakkelijk een lijstje van kon geven, waarin hij alleen de Hemingways kende, even alleruitzonderlijkst als blikseminslagen in je achtertuin. En, zei ik Joost, je vader hééft ten slotte toch geen zelfmoord begaan. Heeft na zijn ziekenhuisopname toch niet opnieuw tot zelfmoord besloten, ervoor zorgend dat het niet weer zou mislukken of worden verhinderd? Waar maak je je zorgen over?
Wat zijn de tekens, de voortekens, de vooruitwijzingen, de signalen?
Ik wist niet dat hij toen al psychiaters bezocht, deze onheilbezweerders, deze onheilbevestigers, deze kletsmeiers.

[...]

MINDBOOKSATH : athenaeum