Leesfragment: De laatste hand

28 maart 2017 , door Wieslaw Mysliwski
|

Wieslaw Mysliwski's De laatste hand (Ostatnie rozdanie, uit het Pools vertaald door Karol Lesman) staat op de longlist voor de Europese Literatuurprijs. Lees nu een fragment.

Een man van middelbare leeftijd, een geboren pokerspeler, probeert zijn leven te bevatten aan de hand van zijn uit elkaar vallende, door een elastiek bijeengehouden adresboek vol visitekaartjes. Meanderend tussen heden en verleden, tussen dromen, herinneringen en observaties denkt hij ook terug aan enkele korte verhoudingen, maar vooral aan die ene grote emotionele ervaring, zijn liefde voor Maria. Zij is de enige die níét in zijn adresboek staat, ‘haar adres kende ik vanbuiten’. Hij heeft al haar brieven nog, maar waarom laat hij ze, inclusief haar laatste, onbeantwoord?

N.B. Lees ook Karol Lesmans 'Brief over Wieslaw Mysliwski'. 

 

Eerste hoofdstuk

Natuurlijk ben ik begonnen bij de letter A. Abramowicz Jan, Arasiewicz Kazimierz, Adamowska Inez, Angerman Dariusz, Ambroziak Jacek, Anuszkiewicz Klemens, Ajducki Miroslaw, Arska Paulina, Apelblum Dawid en nog enkelen, nog een paar en misschien nog wel meer. Ja, die ken ik, die heb ik gekend. Met sommigen onderhoud ik of onderhield ik levendige contacten, met anderen sporadische, slechts bij toeval, een paar leven niet meer. Maar ik weet wie ze zijn, wie ze waren, waarmee ze zich bezighouden, bezighielden, welke functies ze hebben, hadden, of wie al met pensioen zijn, Arska Paulina was zelfs voor korte tijd mijn minnares. Ze is bij me weggegaan en heeft nooit meer iets van zich laten horen, maar ik herinner me haar nog goed, haar gezicht, haar haren, haar ogen, haar lichaam. Van sommigen op wie ik mijn blik richt zeggen de voornamen, achternamen, adressen me echter niets. Ambrozewski Tadeusz zegt me niets, Acher Waclaw zegt me ook niets, Adach Boguslaw evenmin, Arendt Janina, bij haar begint me iets te dagen, misschien kom ik er nog op.
Soms, als die letter A me begint te vermoeien, ga ik naar de volgende, in de hoop dat die me gemakkelijker af zal gaan, hoewel ik al meer dan eens, bij herhaalde pogingen, ook alle daaropvolgende heb doorgenomen. Waarna ik, inmiddels door ook die volgende teleurgesteld, weer helemaal terugga naar het begin. Hieruit kan worden afgeleid dat ik me aan een alfabetische volgorde zou moeten houden, met andere woorden aan een vastgestelde opeenvolging van letters, want misschien is dat wel de enige orde die in staat is mij naar het doel te leiden dat ik voor ogen heb. Zo’n tweede rangorde is een opeenvolging van getallen: een, twee, drie, vier enzovoort. Ik vraag me zelfs af of dit niet de enige ordeningen zijn waarop we nog kunnen vertrouwen. Vooral als men wenst te geloven in de oorzakelijke rol van het toeval. En dat wens ik. Daarop baseer ik overigens ook mijn overtuiging ten aanzien van het welslagen van mijn plan. Want zeg nu zelf, hoe verbazingwekkend is het: twintig en nog wat letters, in andere alfabetten wat meer of minder, dat doet er uiteindelijk niet toe, en daarmee heb je de hele wereld, zoals die was, zoals die is, zoals die zal zijn.
Ook gloort achter elke ondernomen poging de hoop dat als ik me eenmaal een weg weet te banen door die eerste letter, ik ook een manier zal vinden voor de volgende en minder door twijfel zal worden bezocht over wie ik zal laten staan en wie ik zal schrappen. Deze hoop wordt me zelfs niet ontnomen door het feit dat alleen al de letter A me zou moeten doen inzien dat een alfabetische orde arbitrair is, de opeenvolging van letters toevallig, dat niets de ene met de andere verbindt, zodat je ze willekeurig kunt omzetten, zonder dat er iets wezenlijks verandert. Ik zou zo met de laatste of met een uit het midden of meer aan het begin of aan het einde kunnen beginnen, en sommige zelfs gewoon negeren, want wie weet zijn er sowieso wel te veel van die letters voor één enkel leven. Precies. Alleen, hoe anders orde te scheppen in mijn herinnering, die ik gelet op de aard ervan immers niet kan vertrouwen. Alleen iemand met een sterk ontwikkeld gevoel van eigenliefde zou zijn leven aan zijn herinnering kunnen toevertrouwen. En ik heb niets anders om het mee te sturen dan dit adresboek.
Weliswaar heb ik altijd nog de brieven van Maria, het zijn er door de jaren heen inmiddels heel wat, maar of die voldoende zijn om dat leven van mij te bevatten? Het is niet uitgesloten als je ervan uitgaat dat alleen dát betekenis heeft wat het belangrijkste is. Alleen, past enig leven wel in wat het belangrijkste is? Bovendien geloof ik niet dat op het leven een hiërarchie van belangrijkst, belangrijk, minder belangrijk of volkomen onbelangrijk van toepassing is. Dat is alsof je een hiërarchie van menselijke gebreken wilt opstellen. Ik heb ooit eens zo’n soort gesprek in de trein opgevangen: ‘Wat zou u liever willen: niet kunnen zien of niet kunnen praten.’ Wreed en onzinnig. Maar in de trein hoor je de meest onzinnige gesprekken. Vooral als de reis maar duurt en duurt, en duren doet hij altijd.
Het leven bevatten. Opnieuw bekruipt me twijfel of dit sowieso mogelijk is, of deze verzameling van toevalligheden waarbinnen maar weinig met elkaar verband heeft, zoals al die voornamen, achternamen, adressen, telefoonnummers in mijn adresboek, geneigd is zich aan onze wil over te geven. Desondanks doe ik een poging, aangezien ik van één ding zeker ben, namelijk dat leven alleen te weinig is. Want leven en weten dat je leeft is niet hetzelfde. Ik durf er niet voor in te staan dat ook dat adresboek van mij geloofwaardig is. Maar daarin staat bijna alles wat ik over mijn leven te weten zou kunnen komen. Althans dat denk ik.
Ik moet toegeven dat mij een heel wat bescheidener plan voor ogen stond toen ik besloot er orde in aan te brengen. Helaas, zo gaat het vaak met plannen, dat ze ons boven het hoofd groeien, dat ze onze verwachtingen overstijgen en niet zelden afwijken van de hun aangegeven richting. Wat is dat nu helemaal, zo’n adresboek, zal iemand vragen. Gewoon. Zo een met voornamen, achternamen, adressen, telefoonnummers of zonder telefoonnummers. Iedereen heeft wel zo’n adresboek, of heeft er ooit een gehad. Als hij er geen heeft gehad, dan mag hij dat als een geluk beschouwen, want hij zal ook zo’n kwelling niet hoeven ondergaan. Dat van mij is bovendien een bijzonder geval. Tot barstens toe uitpuilend en in verband daarmee met een elastiek omgord, omdat het wel meer dan eens uit elkaar is gevallen. En ook nog eens gevuld met visitekaartjes, zodat je hem stevig vast moet houden als je het elastiek eraf haalt. Wat altijd gepaard gaat met de onzekerheid of het niet opnieuw uit elkaar zal vallen. Het zou een stuk dunner zijn geweest als al die visitekaartjes er niet in hadden gezeten, uiteindelijk had ik ze gemakkelijk kunnen wegdoen, aangezien ik elk sowieso onder de betreffende letter bijschreef. Helaas kan ik de gedachte niet ontwennen dat ze misschien nog eens van pas kunnen komen, vandaar dat ik ze in het adresboek laat zitten. Ik weet niet waar die gewenning vandaan komt, want over het algemeen kan ik alleen met de grootste moeite aan iets wennen, waaronder aan mijzelf.
Ik zeg het, uiteraard ietwat overdreven, maar dit adresboek ontdoen van het elastiek heeft veel weg van het onschadelijk maken van een mijn. Het vereist behoedzaamheid en tevens een manier die maakt dat hij niet in mijn handen ontploft en tot over het bureau en op de vloer uiteenspat, want ook dat is gebeurd. Ik heb weleens een deken op de grond uitgespreid en dat elastiek daarop liggend verwijderd, op die manier met mijn lichaam een eventuele explosie voorkomend. In verband hiermee schiet me een zekere gebeurtenis uit de oorlog te binnen, waarover ik ooit iemand heb horen vertellen. Soldaten rennen over een landweg als plotseling degene die vooroploopt een onder aarde bedolven mijn voor zich ziet liggen. Hij laat zich erbovenop vallen en wordt aan flarden gereten, zo de hem achteropkomende soldaten het leven reddend. Ik moest om mezelf lachen, want ik kon me de oorlog nauwelijks herinneren. Een oud paard, dat ben je, en ik lachte zoals ik waarschijnlijk alleen in mijn kindertijd heb gelachen.
Het wilde ook weleens spontaan uiteenspatten, want ook het sterkste elastiek verliest op den duur zijn soepelheid, het wordt sponzig, tot er een moment komt waarop het de druk niet meer aankan, wie weet komt het ook wel van al die genoteerde voornamen, achternamen, adressen, telefoonnummers, en niet alleen van de blaadjes zelf, de visitekaartjes, en dat terwijl ik er allang niemand meer in opschreef, aangezien er nergens meer, onder geen enkele letter, ook maar een millimeter ruimte over is. Toch moet ik er zo nu en dan in kijken en zo eenvoudig is dat niet, want elke keer word ik door angst bevangen dat het opnieuw uit elkaar zal vallen.
Des te lastiger daar ik steeds als ik op zoek ben naar een naam, een adres, een telefoonnummer, ik vaak alle namen, adressen, telefoonnummers van begin tot einde langsga, plus alle visitekaartjes, omdat ik als het uiteenvalt nooit het geduld heb ze allemaal weer netjes op alfabet terug te stoppen. Vandaar dat heel wat briefjes, visitekaartjes niet op hun plaats zitten. En dan heb ik waarschijnlijk nog niet eens het belangrijkste genoemd, namelijk dat ik uit plaatsgebrek onder deze of gene bij de betreffende naam passende letter, die onder een andere letter heb bijgeschreven, waar nog wel plaats was.
Ik kan er niets aan doen dat er geen evenwicht bestaat tussen de letters waarmee de namen beginnen. Soms vroeg ik me wel af waar bijvoorbeeld het overwicht van de letter K boven de letter E vandaan kwam? Of wat maakte de letter M beter dan de letter O? Zou er in die eerste letters van onze achternamen al een zekere voorspelling schuilgaan? Alleen waarvan? Precies, waarvan? Want niet namen sturen ons leven. Hoewel iemand dat best zou kunnen denken, ik sluit niets uit. Iemand zou me zelfs kunnen uitlachen, omdat ik blijkbaar die verongelijkte letters te hulp wilde schieten, aangezien ik zo met ze te doen had. Zolang het echter nog mogelijk was probeerde ik trouw te blijven aan een alfabetische volgorde, waarbij ik soms met geweld iemands voornaam, achternaam, adres, telefoonnummer boven, onder, tussen of in de kantlijn met kleine lettertjes perste, om geen enkele letter te onthouden wat hem toekwam. Vandaar dat ik nu vaak een vergrootglas nodig heb om ze te kunnen lezen.
Ik had dus al veel eerder dit adresboek op orde moeten brengen. Ik weet het.

[...]

 

Copyright © 2013 Wieslaw Mysliwski Copyright vertaling © 2016 Karol Lesman / Em. Querido’s Uitgeverij bv, Spui 10, 1012 wz Amsterdam.

MINDBOOKSATH : athenaeum