Leesfragment: De pelikaan

12 november 2017 , door Martin Michael Driessen
|

Binnenkort verschijnt De pelikaan, de nieuwe roman van Martin Michael Driessen. Lees bij ons vast een fragment!

Andrej is postbode in een slaperig stadje aan de Adriatische kust in communistisch Joegoslavië. Josip is verantwoordelijk voor de kabeltrein naar het heldenmonument boven op de heuvel. Hij is ongelukkig getrouwd en houdt er een minnares op na. Amateurfotograaf Andrej weet beelden van een amoureuze ontmoeting vast te leggen en begint Josip ermee te chanteren. Kort hierna ontdekt Josip dat postbode Andrej brieven open stoomt en geld steelt. Om aan de verwachtingen van zijn onbekende chanteur te voldoen begint hij op zijn beurt Andrej te chanteren. Intussen kabbelt de blauwe zee rustig door. 

Met een gedegen blik op beider geestesgesteldheid en met empathie zet Martin Michael Driessen zijn hoofdpersonen vast in een parabel van wederzijdse gebondenheid. Deze roman toont tegen een achtergrond van kapitalistisch hoogstandjes als gokken en knevelarij in laat-communistische Joegoslavië Driessens ongeëvenaarde vermogen alledaags leven te verheffen tot opwindende literatuur.

N.B. Lees ook een fragment uit Martin Michael Driessens vorige, met de ECI Literatuurprijs bekroonde, boek Rivieren.

 

Deel 1

De kleine stad aan de Adriatische kust had ooit deel uitgemaakt van het Ottomaanse en toen van het Habsburgse rijk en behoorde nu tot Joegoslavië. Er was nooit veel veranderd en als de postbode Andrej zijn ronde honderd jaar eerder had gemaakt zou het door vrijwel dezelfde stad zijn geweest als nu. Vervallen huizen waren vervangen door eendere, in dezelfde bouwstijl; alleen hoger op de grijze hellingen lagen nieuwbouwwijken met betonnen flats, die echter buiten zijn revier vielen want Andrej bezorgde de post in het oude gedeelte van de stad, de wirwar van stegen en gangetjes boven de havenboulevard die, stedenbouwkundig gezien, hoogstens interessant was vanwege het na de oorlog aangelegde Plein van het Volk en de voormalige aartshertogelijke residentie.
De boulevard werd door een lange rij palmen opgesierd die ooit ter ere van een bezoek van Tito waren geplant. Het parkeerverbod was bij ontstentenis van veel toerisme eigenlijk geheel overbodig, en werd dan ook sinds jaar en dag genegeerd.
De vissershaven was pittoresk, de blauwe kustlijn ten noorden en ten zuiden van de baai eveneens; er was een kabelspoorweg, en het stadje kon op een klokkenmuseum zonder weerga bogen. Ondanks deze bijzondere kwaliteiten was het een muurbloempje van de Europese geschiedenis. Hier gebeurde niets, het stadje had de ene generatie na de andere voortgebracht en begraven, zonder dat één van zijn kinderen naam had gemaakt in de wereld.
Misschien waren juist de ogenschijnlijke attracties hem fataal geworden: fraai, maar te klein en ook weer niet mooi genoeg om met steden als Zadar en Dubrovnik te concurreren.
Al honderd jaar in reisgidsen aangeprezen, werd het stadje nooit echt populair. En het had nog steeds geen industrie, nauwelijks handel, en de kuststrook was agrarisch gezien vrijwel onbeduidend.
Andrej speelde in zijn jonge jaren in het eerste voetbalelftal, eerst als spits en later als keeper.
Afgezien van het klokkenmuseum waren het vooral de pelikanen die het stadje allure gaven. Het waren roze pelikanen, die elk jaar terugkeerden en bezit namen van de boulevard; onwaarschijnlijke creaturen, haast messiaans in hun verschijning, die zich een paar maanden lieten voederen eer ze naar Afrika terugkeerden.
De huizen hadden allemaal hoge plafonds en ramen met luiken ervoor, van zwaar hout, met kleine spleten tussen de lamellen, die alleen in de koele avond. en ochtenduren met haken tot een kier werden geopend. Alle trappenhuizen waren als met opzet smal en bedompt; het ging er niet om ergens heen te gaan of ergens vandaan te komen; men bleef bij voorkeur waar men was. Het elektriciteitsnet was voorwereldlijk. Het bestond uit een bedrading die noch afdoende geisoleerd, noch planmatig aangelegd was, en dateerde van zo lang geleden dat de bewoners van het stadje het als een soort atavistisch wortelwerk beschouwden, dat ze liever ongemoeid lieten. Dat gold ook voor waterleiding en riolering.
Het stadje had voorts nog een hondenrenbaan, die ten oosten van de zoutbekkens op een stoffig veldje lag en niet makkelijk bereikbaar was.
De kabelspoorweg was in 1892 aangelegd door dezelfde ingenieur die de beroemde Nerobahn in Wiesbaden had gebouwd: een technisch wonder, dat de driehonderd meter hoogteverschil tussen het dalstation en de orthodoxe kerk op de heuveltop zonder motoraandrijving overwon, dankzij het gepatenteerde principe van waterballast in de dalende wagon, die door het toegevoegde gewicht een tweede wagon naar boven trok. Het reservoir werd op peil gehouden met water uit het stuwmeer hogerop in het gebergte, zodat de baan vrijwel zonder kosten opereerde. Het probleem van de voormalig volkseigen attractie was dat bijna niemand er gebruik van maakte. De enige die dagelijks het socialistische heldenmonument bezocht dat nu de plaats van de in de oorlog verwoeste basilica innam was Josip Tudjman, de machinist en conducteur van de kabelspoorbaan, die er zijn lunchpauze doorbracht.
Normaal gesproken bediende hij de baan alleen, wat betekende dat hij vanuit het dalstation het steile pad op moest om de boven geparkeerde wagon met waterballast te vullen en daarna weer af te dalen om het loket te bemannen. De oorspronkelijke dienstvoorschriften vereisten dat beide wagons te allen tijde een machinist aan boord moesten hebben, maar tegenwoordig mocht de wagon die geen passagiers vervoerde onbemand blijven.
Josip woonde op een steenworp afstand van het dalstation en zou dus evengoed tussen de middag naar huis kunnen gaan, maar hij was ongelukkig getrouwd en gaf er de voorkeur aan het loket voor een uur op slot te doen en zichzelf in een van de mahoniehouten wagons naar boven te transporteren om dat uur alleen door te brengen.
In feite was hij zelf een van de meer dan levensgrote vaderlandse helden die in bronzen bevlieging met vooruitgestoken bajonetten de sokkel af leken te stormen waarop hij zijn broodtrommeltje uitpakte; want hij was een veteraan, gedecoreerd met de Orde van het Volksleger, en dat was ook de reden dat hij dit baantje had gekregen.
Als hij boven op de grijze heuvel zat, zijn salami kauwend en uitkijkend over de rimpelloze zee en de stad aan zijn voeten en het lijnrechte dubbele spoor van zijn kabeltrein, ging er niets in hem om. Dit was Josips favoriete gemoedstoestand want als er wel iets in hem omging, waren het zorgen; om zijn kind, om wat de vrouw die het gebaard had hem nog meer zou kunnen aandoen. Zolang er niets gebeurde, gebeurde er tenminste niets slechts. Hij zette zijn pet af en leunde tegen de bronzen laars van een held.
Om precies twee uur vulde hij het reservoir van de wachtende wagon, zette de baan in beweging en daalde af om het loket weer te bemannen. Soms daalde hij te voet de helling af, om zich een hernieuwde klim te besparen. Hij had ook een licentie om staatsloten te verkopen, en voor de kiosk stond een draadijzeren molentje met tijdschriften, die weinig opbrachten maar hem ook niets kostten. De enige die iets anders afnam dan de plaatselijke krant was de postbode Andrej; die kocht niet alleen elke week een lot maar wilde alles waar een kleurenfoto opstond, liefst van prinses Diana.

Andrej was erg groot, wat hem nochtans als keeper niet veel voordeel had verschaft omdat hij onhandig en in wezen niet sportief was. Hijzelf had zijn meer dan gemiddelde lengte altijd als iets bijzonders beschouwd, tot hem duidelijk werd dat die net als zijn zeer grote neus en zijn enorme schoenmaat eerder belachelijk werd gevonden. Dat had hij de mensheid nooit vergeven.
Hij had elke dag een uur of vijf nodig om te post te sorteren en rond te brengen; dat laatste deed hij bij voorkeur midden op de dag en niet in de koelte van de ochtend. In de middag namelijk sliep bijna iedereen achter gesloten luiken en had hij het rijk voor zich alleen, op een paar katten na. Hij had een fiets met een hoog frame, een dubbele stang, een krat voor pakketjes boven het voorwiel, en twee gevulkaniseerde tassen aan weerszijden van de achtervork. Andrej zag zich als de man die het stadje met de buitenwereld verbond, hoewel er niet veel postverkeer was. Hij duwde zijn zware fiets met de meestal bijna lege tassen door de steilste stegen, droeg hem waar nodig traptreden op, en reed aan het eind van zijn ronde via de geasfalteerde Nikole Zrinskog weer omlaag naar de haven, waar hij woonde. Dan pas nam hij zijn zwarte pet af en ketende de fiets, die eigendom van de posterijen was, aan de tralies voor het raam van zijn souterrainwoning.
Hij was al vroeg in zijn carrière begonnen post te openen. Hij stelde zich graag voor dat maarschalk Tito hem onderscheiden zou hebben omdat hij waakzaam was geweest en een kapitalistisch complot had verijdeld. Hij stoomde de enveloppen open in zijn keukentje en gomde ze, na de inhoud bestudeerd te hebben op het formica tafelblad, weer zorgvuldig dicht. Al had hij nooit iets van enige betekenis ontdekt, toch schonk het vakkundig verrichten van deze bezigheden hem veel voldoening. Maar Tito was allang dood, net als Gracia van Monaco, en sindsdien was de wereld niet meer dezelfde.

 

© Copyright 2017 Martin Michael Driessen

MINDBOOKSATH : athenaeum