Leesfragment: De waan van Cotard

09 september 2017 , door David Nolens
|

David Nolens' De waan van Cotard staat op de longlist voor de ECI Literatuurprijs 2017. Wij brengen een fragment.

Een foto op internet plaatsen kan verstrekkende gevolgen hebben. Jean wordt terug gekatapulteerd naar zijn vijftiende levensjaar, toen hij tijdens het examen wiskunde de school verliet. Hij keerde niet meer terug, ook niet naar zijn ouderlijk huis. Eenmaal volwassen belandt hij in een diepe psychose. Onder de oppervlakte gaat hij op wandel in zijn jeugd, die hem duidelijk parten speelt. In een obsederende stijl onderzoekt David Nolens wat er gebeurt als we het gevoel hebben niet meer van onszelf te zijn, als ‘hij’ en ‘ik’ inwisselbaar worden. Nolens voert bijzondere personages op – een nacht-wachter, een dakloze transgender en een waanbeeld van een meisje – en zet hen in hun zoektocht naar een geborgen leven tegenover elkaar. 
In deze subtiele maar ook groteske roman worden schijn en werkelijkheid danig door elkaar gehusseld. De waan van Cotard is een ijzersterke psychologische studie die wordt voortgestuwd door Nolens’ uitgekiende verhaal- en vertelstructuur.

 

0

De nacht nadat Anna de foto ‘Jean en de appel’ online plaatste, droomt ze voor het eerst van haar ongeboren kind. Als ze tegen haar gewoonte in op haar buik gaat liggen, begint haar baarmoeder ritmisch samen te trekken, waarop de rijpe Graafse follikel barst en een eicel vrijkomt, die zich naar de eileider toe werkt, waar ze gedurende ongeveer tweeënzeventig uren zal blijven. In die enkele minuten van haar ovulatie droomt ze over een kind als een levende dode, dat haar niettemin benadert en aanspreekt. Hoewel ze eruitziet alsof ze is gemaquilleerd voor een horrorfilm van derde categorie, klinkt haar stem als die van het zoetsappigste meisje, dat herhaaldelijk het oerwoord ‘mama’ uitspreekt, in Anna’s droom duidelijk geconnoteerd aan het woord voor borst (‘mamma’), niet het minst omdat de droomster zich ziet uitgebeeld met een cupmaat buiten proportie. Het meisje, weet Anna, heet Apple, niet toevallig vanuit de associatie met de foto die Anna eerder die dag van Jean en de vallende appel maakte. Dat het ‘apple’ en niet ‘appel’ is (we horen dat ook in de uitspraak), hangt dan weer samen met de laptop, de telefoon en de muziekdrager die Anna als vurige fan van het genoemde merk in haar bezit heeft. Apple vertelt dat ze het moeilijk heeft met papa, die zich steeds meer naar haar toe beweegt. Hij is te veel met zijn sterfelijkheid bezig. Daarom vraagt Apple aan mama of ze niet eens met papa zou kunnen praten, maar ook: het zal nog een tijdje duren voor het gebeuren zich ten volle manifesteert. Ze vertelt dit terwijl ze haar rotte tanden laat zien (en dat voor een meisje van misschien zes jaar oud), terwijl speeksel uit haar mondhoeken druipt en haar huid afschilfert. Het is een droom en voor Anna, die erg gevoelig is, een nachtmerrie, omdat ze Apple tot in haar pulserende baarmoeder voelt sterven.
Die ochtend verzwijgt Anna haar droom en zit ze terneergeslagen aan het ontbijt, overweldigd door een fikse opstoot van melancholie, dat is: haar specifieke vorm van zwaarmoedigheid, waarbij ze in een steeds donkerder wordende grot afdaalt. Jean, anders zo oplettend, merkt het niet op. Die nacht was ook hij afgedaald langs de levensdraad die zijn jaren verbond.
In mijn werkkamer had ik een lievelingsroman uit mijn jeugd voor het eerst in meer dan twintig jaar uit de boekenkast geplukt en hem doorgebladerd. Ik las over de vijfjarige jongen die weldra zou sterven en zag Micky meteen weer voor me, als het nieuwsgierige knaapje dat door zijn moeder werd verwaarloosd en door zijn vader werd aanbeden. Ik wilde het boek herlezen en vond tussen pagina zes en zeven een klasfoto van toen ik vijftien was en bekeek de gezichten een voor een. Ongeveer de helft van mijn klasgenoten wist ik nog bij naam te noemen. Toen ik mezelf vond, schrok ik van de onschuld die reeds verduisterde rond de diepe kassen van mijn ogen.
Dat jaar was mijn laatste jaar aan het college geweest. De foto was gemaakt voor mijn vertrek, dus ik kon alleen maar raden hoe de donkerte en de magerzucht mijn gezicht weldra verder zouden tekenen, na mijn exodus net voor de kerstvakantie. Want zo voelde het toen, alsof ik helemaal op mezelf een volk was dat migreerde. Om uiteindelijk gewoon bij mijn achttiende jaar in dezelfde stad, waar ik altijd al woonde, uit te komen. Maar dan wel zodanig veranderd dat ik zowel winst als verlies had geboekt. Winst ten opzichte van het maatschappelijke leven en verlies ten opzichte van de rijkdom die mijn persoonlijkheid had kunnen zijn.
Soms is bewustwording een kwestie van minuten. Sommigen beleven in alle stilte hun eigenste persoonlijke aardbeving waarna alles anders is. Zo ook verging het Jean, die op zijn vijftiende opnieuw maar nu oud werd geboren. Nu ik er op mijn zevenendertigste aan terugdenk, er alles welbeschouwd nu voor het eerst en echt aan terugdenk, zie ik helder hoe het verleden tussen toen en vandaag ligt opgestapeld, hoe het zich heeft vermeerderd tot het middernachtelijke uur waarop mijn herinnering een aanvang neemt, niet veel anders dan de beginscène van een film.

Het openingsshot van mijn geboortefilm is de refter van het college waar ik schoolliep; ik nam er met meer dan driehonderd mensen deel aan het examen wiskunde.
In de refter waar driehonderd leerlingen en een twintigtal surveillerende leerkrachten in stilte een voormiddag doorbrachten, was alles aanwezig. Zeker vanuit het perspectief van de vijftienjarige Jean was heel de samenleving vertegenwoordigd, van de gezichten van de aanwezigen vielen zoveel werelden af te lezen. De collegerefter had de allure van een gewijde ruimte. Zoals ik het me herinner, bevond ik me in een tempel, hol en koud, hoewel het zomer was. Het was die sfeer die op me neerdaalde toen ik op mijn kladblad een reeks logaritmen probeerde op te lossen. Verder dan de eerste vraag kwam ik nooit. Er zette zich iets in beweging. Ik deed iets waardoor ik voor het eerst in mijn leven naast mezelf kwam te staan. Of misschien had ik dat in mijn kinderjaren ook al beleefd, maar er toen geen aandacht aan besteed, het niet doorvoeld en er geen beschouwing aan gewijd.
Op die leeftijd was ik mollig, misschien wel dik, en dat was letterlijk en figuurlijk een zwaarte die ik moest dragen. Ik had een heel zware tred. Men hoorde hem van ver aankomen, bonk, bonk, en hij hoorde zichzelf, de aanwezigheid van zichzelf, dat ongemakkelijke gevoel van menig puber die zichzelf leert kennen als finaal geworpen en denkt: dus met dit heb ik het te doen en het is sterfelijk. Misschien denkt hij ook: en er is een verantwoordelijkheid aan verbonden, want ik heb te denken en keuzes te maken; er is als zelfdenkende instantie geen vrijblijvendheid mogelijk; willekeur is per definitie onmogelijk als het denken wordt gestuurd vanuit een eigennaam; het moet worden gestuurd, want anders is er geen sprake van denken; en ik heb taal verworven; ik moet vanuit ergens de woorden en de zinnen afwikkelen in een richting die als wenselijk wordt beschouwd en die wenselijkheid moet ik ook zelf weer bepalen met behulp van diezelfde taal, nee, niet met behulp van, maar als enige grond en tevens verlies van wat of wie ik ben. En al dit was te veel voor de puber om te bevatten en dat is op mijn zevenendertigste niet veel anders, met dit verschil dat de gevangene van de taal zich met de jaren verzoent met zijn grond en verlies.
Toen in de refter werd het me te veel, daar te zitten, plots als mens, rondkijkend, me niet langer concentrerend op het examenblad dat voor me lag, maar me nu verdubbeld te weten, beseffende dat het bij die driehonderd anderen ook zo gesteld was, dat ook zij daar met hun hoofd zaten – het hoofd dat tevens moest nadenken over het eigen hoofd.
En wat een ellendige omgeving was het college, met zijn vooroorlogse stenen vloeren, die naar boenwas roken. Bovenal de tempel, de tempel drukte op me en gaf me iets als pleinvrees, maar daarna was het toch vooral de benauwdheid van tussen de mensen te zitten; voor, achter, links en rechts van me zaten de mensen, weliswaar maar mensen van tussen de veertien en de achttien jaar, maar niettemin mensen, die ik nu in hun volle gewicht zag. Vandaag kan ik me makkelijk in de rol van de psycholoog, de socioloog of de antropoloog verplaatsen, zonder dat ik over hun expertise beschik, maar toch, ik kan toeschouwen zonder me gehinderd te weten door de werkelijke draagwijdte van het bestaan, het bestaan van een ander, maar toen was ik misschien meer vloeibaar, onvaster, en bracht de aanwezigheid van een ander me aan het wankelen, werd de stoel waarop ik zat een hellend vlak, was er de voorbode van iets.
Hij bouwde zich toen in de refter op tot angst en die angst verdween wellicht nooit, hoewel Jean hem de laatste jaren veel beter controleert, hem uitbant als het moet, hem verdraagt als het niet anders kan. Daarenboven biedt de hedendaagse samenleving tal van mogelijkheden om de angst te bezweren, denk maar aan de deugddoende ontspanning van hoge kwaliteit die dagelijks wordt georganiseerd in allerhande media of denk aan de psychofarmaca.
Op zijn vijftiende voelde hij zich heel erg levend. Toch werd hij door sommigen als dood gepercipieerd. Nu begrijp ik dat, maar toen hoegenaamd niet, dat medeleerlingen me zeiden: ‘Jij bent dood, jij bent heel erg dood; de dood is van je gezicht af te lezen.’ Ik had wat men zou kunnen noemen een bevroren gezicht, daar viel inderdaad niets van af te lezen en als niets gelijkstaat aan de dood, dan leek ik wel dood. Ik was verstard, toonde geen vreugde of verdriet, wel soms plots opkomende en hevige woede, maar meestal leek ik van steen, terwijl hij bruiste van leven, wat een leven, wat een emoties, wat een groeifasen en wat een omwentelingen van de geest. Maar ik toonde er niets van. Want ik werd, zoals vandaag nog altijd, verlamd door de vraag: wie zou het interesseren? Waarop hij meteen antwoordde: niemand. Terwijl ik wel, nu, op mijn vijftiende in de refter, een plots verpletterende interesse opvatte voor de andere mensen in de ruimte, de tempel, in die heel verdrietige architectuur van het college.

[...]

 

Copyright © 2016 David Nolens

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum