Leesfragment: De waren

02 februari 2017 , door Daniël Rovers
| |

7 februari verschijnt Daniël Rovers' roman De waren. Lees bij ons vast de eerste twee hoofdstukken!

Achttien jaar oud zijn ze, als de levens van Ricky, Ade en Bob elkaar kruisen in Nijmegen. Ze worden vrienden, maar op de landkaart van de liefde zoeken ze hun eigen weg. Ze verlangen naar de eerste keer, overwinnen hun verlegenheid, worden afgewezen, zweren trouw en gaan schoorvoetend vreemd. De verhoudingen die ze beleven vormen een verhaal op zich. De spelregels moeten ze onderweg leren kennen, of het nu aan de Costa Brava is, of op Vossenveld, of in Amsterdam-Oost.

Twintig jaar na het begin van hun vriendschap komen de drie weer samen in de stad waar het begon. Ze vieren een lustrum en tasten af wat hen nog bindt. Er is een herinnering aan een nachtelijke zwempartij in een baai aan de Waal, waar ze voor even verlost raakten van hun eenzaamheid. Maar het is zo lang geleden dat het wel een droom lijkt – een droom waaraan ieder zijn eigen betekenis geeft. Wat is er over van het verleden? Wat betekenen ze nog voor elkaar? En hoeveel prinsen rijden er eigenlijk op een wit paard? 

 

Waar jij je bevindt

De nachtelijke woekeringen die zich vertakken in je hoofd en bloeien in je verbeelding en op de maat van je ademhaling uitgroeien tot een uitgestrekt woud waarin je, zonder dat je ooit moe wordt van de stappen die je zet, ronddwaalt van zonsopgang tot zonsondergang, dagen, weken, maanden aan één stuk, tot takken armen worden en bladeren gezichten en je mensen ziet die je al jaren niet meer hebt gezien en die je waarschuwen voor wat dreigt te gebeuren en gebaren dat je snel mee moet komen, wandelend, rennend, sprintend, in de verte hoor je een geluid dat steeds harder klinkt, een zwerm bijen met je hoofd er middenin, een helikopter die zal landen op de plek waar jij je bevindt, een suizend brommend zoemen dat aanhoudt en je naar de uiterste rand dwingt, je moet wat willen nu, een plan bedenken, actie ondernemen, terwijl een druppel speeksel uit je mondhoek in het katoen van de kussensloop dringt en je hand opzij beweegt, eerst zoekend, dan slaand, net zolang tot dat monster, dat ding, die kubus van een witte wekkerradio stilvalt in de werkelijkheid.

De droom

In een donkerblauwe tent op een camping in het door elzenhagen omzoomde zuidoosten van Engeland, liggend in een slaapzak met een vanillevlagele voering op een oprolbaar eiermatras, had ik ooit een droom die me altijd is bijgebleven.
Was het wel een droom? Op het moment dat ik mijn ogen opende en naar het wit van de binnentent keek, kon ik niet eens met zekerheid zeggen of ik het me die nacht allemaal alleen maar had verbeeld. Ik lag op mijn rug, richtte mijn ogen op de tentstok en hoorde mijn broer zo zwaar ademen dat het leek alsof hij één grote luchtpijp geworden was. Ik was tien jaar oud. Aan de andere kant van het doek floot een vogel onvermoeibaar steeds opnieuw dezelfde wijs.
Wat ik had meegemaakt was zo overweldigend echt dat ik ervan overtuigd was dat het waar moest zijn of in ieder geval binnen niet al te lange tijd waar zou worden. Iets of iemand had een gat in mijn bestaan geslagen en door de opening kreeg ik toegang tot een ruimte waarvan ik het bestaan niet eens had vermoed, een wereld die altijd al verborgen had gelegen onder de huid die de mijne werd genoemd. Opeens was alles anders geworden, ikzelf het meest.
Niet dat er, zoals dat in de boeken heet, in mijn slaap aan een verkeerd gelegen been een vrouw of een man was ontstaan, ik had een ander, minder tastbaar soort volwassenheid ervaren. Ik had geen avonturen beleefd of horrorscenario’s doorstaan, was niet van grote hoogte naar beneden geduwd en had me niet uit alle macht wakker hoeven te denken voordat ik te pletter stortte op de grond, wat me in nachtmerries nooit op tijd lukte, zodat ik altijd weer stierf en daarna kon vaststellen dat ik het had overleefd, eerder bedroefd vanwege het eenzame einde dan gelukkig met de onverwacht goede afloop.

Middagen en avonden lang had ik met een jongen en een meisje gesproken die ik daarvoor nooit had gezien. We luisterden naar elkaars verhalen, lachten om de grappen, voerden ernstige gesprekken – en juist dat was het vreemde eraan. Een dag eerder had ik niet geweten hoe je dat zou moeten doen, een gesprek voeren, ik moet het in één nacht tijd hebben geleerd.
We kwamen bij elkaar in een grote, diepe achtertuin met aan de uiterste rand, daar waar het bos begon, een rij hoge dennenbomen. We zaten rond een vuurtje van gesprokkelde takken en keken naar de vlammen en het smeulende hout. Ouders, broers en zussen – ze kwamen niet kijken, ze lieten ons met rust.
Op een avond vertelde de jongen dat hij ging verhuizen naar een stad in het westen, heel ver weg. Hij zei het rustig, alsof de verhuizing even vanzelfsprekend was als de volgorde van het alfabet.
De volgende ochtend zat hij op de achterbank van een met dozen volgeladen stationwagen. Op de zitting naast de chauffeur hield een vrouw een kamerplant in haar hand. De zon ging onder en heel langzaam reed de auto weg terwijl ik samen met het meisje de jongen uitzwaaide. Zijn kruin was nog net zichtbaar boven een stapel kleren op de hoedenplank. We rekten onze armen uit, gingen op onze tenen staan, wilden hem zo lang mogelijk kunnen zien.
Vlak voordat de auto uit het zicht verdween, op het einde van de straat, zo’n straat in een Amerikaanse buitenwijk waar de brandweerwagens in één keer moeten kunnen draaien, stak er een hand uit de geopende zijruit. De auto reed de hoek om en wij bleven in het donker staan. Ik sloeg mijn arm om haar schouder en zij keek me aan en toen ik terugkeek, schudde ze haar hoofd zo heftig van links naar rechts dat haar haren opzij sloegen en mijn wangen en voorhoofd raakten.

De twee vrienden uit mijn droom kon ik heel precies omschrijven toen ik wakker werd. De kleur van hun ogen, de manier waarop ze spraken, hoe ze in kleermakerszit zaten, of ze schoenen droegen en of dat sportschoenen waren met gekleurde veters erin. Maar omdat niemand er die ochtend naar vroeg en ik geen dagboek of schrift had waarin ik opschreef wat ik had meegemaakt, vervaagden hun omtrekken zodra ik besloot op te staan.
Ik lag op mijn rug op de slaapzak, het eiermatras, het tentzeil, het platgedrukte gras en de campinggrond. De aarde is rond, maar daar merk je weinig van. Met een lange zucht maakten de longen van mijn broer zich leeg en zogen zich daarna weer vol. Een mug negeerde de zwaartekracht op het doek van de binnentent. Ergens in mijn binnenste, in mijn romp, zo tussen mijn middel en borstkas, voelde ik een leegte alsof daar die nacht een orgaan was weggehaald. Ik miste een meisje en een jongen die voorlopig alleen in mijn hoofd hadden geleefd.
Ik was veranderd, dat stond vast. Niet langer durfde ik ervan uit te gaan dat mijn vader en moeder me straks zouden herkennen als ik na het tandenpoetsen met een handdoek over mijn schouders geslagen over het geasfalteerde campingpaadje terug naar onze staanplaats wandelde. Zouden ze iets aan me merken wanneer ik aan de klaptafel in de voortent ging zitten en op een van de vier rode polyester borden een boterham met pindakaas smeerde? Zouden ze zien wat ik had meegemaakt en zeggen: ‘Gaat het goed? Voel je je wel lekker? Je ziet er een beetje koortsig uit.’
Paste ik nog in mijn oude kleren? Was mijn gezicht het gezicht dat ik gisteren voor het laatst in de spiegel zag? Ik legde mijn handen op mijn hals en liet ze over mijn kin en wangen gaan, ik voelde aan mijn neus, mijn lippen en oren en volgde met een wijsvinger de ronding van mijn voorhoofd, ervan overtuigd elk moment op een afwijking te stuiten en over schubben of een harde, pantserachtige huid te strijken.
Mijn linker scheenbeen jeukte een beetje. Heel langzaam ritste ik de slaapzak open, draaide me om en trok mijn pyjamabroek uit en trainingsbroek aan. Ik opende de binnentent en de buitentent, pakte mijn sportschoenen en zette ze op het vochtige gras neer. Ik stapte in de rechter- en daarna in de linkerschoen, ze zaten wat krap, maar pasten net.
Het licht kwam van opzij, niet van boven. Op het tentdoek lag een brailleschrift van dauwdruppels en de bomen leken groter dan ze gisteren waren geweest. Stil zijn, de vouwwagen voorbijlopen en over het campingpad verder gaan, langs de caravans met hun grote vliegenogen van donkerbruin plastic, de toilettas onder mijn arm geklemd.
Het meisje en de jongen konden elk moment verschijnen, ze zouden voor het receptiegebouw op me wachten, naast de vuilniscontainers staan of op de stenen tafeltennistafel zitten, ieder aan een kant van het metalen net. Ze zouden uit de washokken komen stappen met natte haren, ze namen iedere vroege ochtend een douche, dan was het water warm en de vloer gedweild.
De tegels in de washokken waren nat van de laatste schoonmaakronde gisteravond laat. Ik kneep de tandpasta uit de tube Elmex, boog me over de wasbak en ging met de borstel over mijn voortanden en kiezen, net zolang tot het schuim mijn mond vulde en ik spugen en spoelen mocht.

De twee weken tijdens de zomervakantie in Engeland konden ze elke dag uit het niets verschijnen. Op de uitgestrekte parkeerplaats bij Stonehenge, in de kleine supermarkt van een camping aan de rand van de oceaan, op het winderige Isle of Wight, waar mijn broer en ik in de oude haven gepaneerde vis en slappe friet aten, in Londen op Trafalgar Square, bij de bronzen leeuw aan de voet van de pilaar van Nelson – steeds weer dacht ik ze te zien. Ze moesten wel bestaan, ze betekenden te veel om niet waar te zijn geweest.
Op het binnenterrein van de Tower, onder de statige esdoorns waar zes raven het voortbestaan van de monarchie moeten garanderen, daar gebeurde het uiteindelijk, daar zag ik ze staan. Hij droeg een geel T-shirt van Magic Johnson, zij hield een groot fototoestel in haar hand. Ze gaf hem een duwtje tegen zijn bovenarm en hij duwde terug. Ze maakten deel uit van een gezin, het waren broer en zus, dat zag ik zelfs op dertig meter afstand.
Ik hoefde maar één woord te zeggen en ze zouden me herkennen, waarna alles voorgoed anders zou zijn. Ik zou weglopen bij mijn ouders en we zouden verdergaan waar we waren gebleven, we zouden praten met elkaar, en dan zou ik moeten vertellen wat ik had gedacht op de avond dat hij wegging en we met ons tweeën achterbleven op de brede straat. Ik zou zeggen dat ik verdriet had gevoeld, natuurlijk, ik had niet gedaan alsof, maar er was ook een ander gevoel geweest, minstens even sterk, dat ik die avond voor mezelf gehouden had. Toen we de auto uitzwaaiden, had ik niet alleen verdriet gevoeld om de jongen die verdween, maar ik was tegelijkertijd ontzettend gelukkig geweest, omdat ik het meisje voortaan met niemand meer hoefde te delen, ze zou alleen voor mij bestaan.

Bij mijn ouders thuis staat in het onderste schap van hun wankele boekenkast een groen fotoalbum met ringband waarop, in grote, kleurige blokletters, geknipt uit tijdschriften en vakantiefolders, het woord ‘Engeland’ te lezen valt, gevolgd door het jaartal 1985, er door mijn moeder met groene viltstift in haar netste handschrift onder geschreven.
Het was het jaar dat Enver Hoxha in Tirana overleed, Margaret Thatcher beweerde dat er helemaal niet zoiets als een gemeenschap bestond en Lionel Ritchie in zestien landen een nummer-één- hit behaalde met ‘Say You, Say Me’.
Op de foto van die middag zit een jongen met omhoogstekende schouderbladen gehurkt voor een gazon dat met gegolfd staaldraad is afgezet. Achter hem rust een grote raaf op een gietijzeren bord met daarop in gepenseelde letters het verzoek het gras niet te betreden. Hij draagt een korte broek met het dennenappellogo van Adidas, een lichtblauw T-shirt en sportschoenen van het merk Quick. Zijn rechteroog is half gesloten en de zon schijnt op zijn gezicht. Geconcentreerd kijkt hij de lens in, vandaag wil hij goed in beeld worden gebracht.

 

© 2017 Daniël Rovers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum