Leesfragment: De wereld waar ik buiten sta. Oorlogsdagboek 1942–1945

29 april 2017 , door Hanny Michaelis
| | |

Op 1 mei verschijnt De wereld waar ik buiten sta, het tweede deel van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis (bezorgd door Nop Maas). Lees bij ons alvast een fragment.

In de nalatenschap van de dichteres Hanny Michaelis werd een groot aantal schriften aangetroffen waarin ze, onder meer tijdens de bezetting, een dagboek had bijgehouden. Het verslag van haar tijd op het Vossius-gymnasium in Amsterdam verscheen onder de titel Lenteloos voorjaar. In het tweede deel van haar oorlogsdagboek, De wereld waar ik buiten sta, verdiept het drama zich.

Michaelis werkt vanaf januari 1942 als dienstmeisje bij het gezin van de schrijfster Jeanne van Chaik-Willing. Ze ontmoet er beroemde schrijvers en kunstenaars, maar het werk en haar status zitten haar dwars. Er ontstaat een romance tussen haar en Nico Donkersloot, de twintig jaar oudere dichter en hoogleraar, waaraan een eind komt als hij wordt opgepakt en zij even later moet onderduiken.

Vanaf augustus van datzelfde jaar zit Michaelis, onder een valse naam en steeds in de ondergeschikte positie van dienstmeisje, ondergedoken bij verschillende orthodox-protestantse gezinnen: een cultuurshock van jewelste. In 1943 worden haar ouders gedeporteerd. Over hun lot blijft ze jarenlang in het ongewisse, hoewel ze het ergste vreest. Zij ziet haar jonge jaren voorbijgaan in angst, ongerustheid en emotionele stilstand. Haar belangrijkste troost vindt ze in het schrijven; in de gedichten die ze maakt, maar vooral in haar dagboek, dat haar enige serieuze gesprekspartner is.

N.B. Lees ook onze voorpublicatie uit het eerste deel van Michaelis' Oorlogsdagboeken.

 

Donderdag 1 januari ’42
± half 12 ’s avonds
Ik zit in bed te schrijven. De koffers staan al gepakt en wel, ik heb alles zelf gedaan, een heerlijk zelfstandig gevoel. Mijn kamer ziet er nu helemaal ontredderd uit, de boekenplank eraf en alle boeken weg. Zoëven teder afscheid genomen van pappie en mammie, de laatste nacht hier, het was werkelijk roerend.
In weerwil van de wanorde om me heen, van de weemoedige toespelingen van pappie en mammie en het besef, dat alles bittere ernst is, constateer ik een totale afwezigheid van sentimentele, melancholieke afscheidsgevoelens. Zelfs het feit, dat ik vanavond voor het laatst in mijn eigen bed, in mijn eigen kamertje lig, vervult me niet met de sombere gedachten, die ik heb gevreesd voor de laatste avond. Het afscheidswee schijnt een week geleden veel heviger te zijn geweest dan de laatste paar dagen.
De dag was vandaag erg druk, ik heb de hele middag koortsachtig mijn goed zitten verstellen en ’s avonds gepakt. Loe was er ook nog even, opschepperig en gemoedelijk als gewoonlijk. Vanavond, midden in ons spelen van Beethovens 5° symfonie, kwamen juffrouw Neef en To Broekema nog even goedendag zeggen. Het was erg gezellig, beter dan zo’n laatste avond met je drieën in eenzaamheid te zitten, zo spaarden we weemoedig te worden. Later speelden we de symfonie op hun verzoek uit, ik heb me hees geteld, het was razend vlug en voor van blad nogal lastig, maar het ging nogal behoorlijk.
Gisteravond heb ik woord gehouden: klokslag 1 uur (we vierden het weer Engelse tijd), toen we aanklonken, dacht ik aan Vestdijk. Het kostte me helemaal geen moeite, het ging bijna vanzelf. Ik werd heel even melancholiek in het besef, dat hij mij natuurlijk allang vergeten was, en zag hem aldoor voor me met een vrouw die hij kuste. Maar ik slaagde erin, die belachelijke ideeën kwijt te raken of er in elk geval geen last van te hebben. Hij moest het eens weten!
Maar om tien over half 2 (dus eigenlijk de Hollandse jaarwisseling) moest ik plotseling aan Marsman denken en een vlaag van wanhoop verbijten.
Overigens barstte er op dat moment een gejoel los, dat de muren trilden. We dachten eerst, dat het ergens in een huis was, tot ik op het idee kwam op de waranda te gaan kijken. Daar bleek de hele buurt (behalve de n.s.b.-ers natuurlijk) op de waranda’s verzameld, al jubelend en schreeuwend. Van verschillende kanten werd gezongen: ‘Lang zal Holland leven!’, het werd gewoon een demonstratie. In het licht van de volle maan waren huizen en mensen duidelijk zichtbaar, wat alles een nóg vrolijker karakter gaf. Het duurde zeker wel 5 minuten voor alles weer stil werd en de mensen naar binnen gingen. Het maakte me helemaal blij en feestelijk, er zat zoiets zekers, iets gegrond optimistisch in.

Vrijdag 2 januari ’42
± half 11
Ik lig in bed, en hoewel ik omval van moeheid, wil ik toch de eerste indruk niet laten verloren gaan.
Wat het werk zelf betreft: het viel tegen, ik was doodmoe, en ik had nog maar de helft van het normale werk gedaan, terwijl Sand met verschillende dingen meehelpt. De mensen zijn erg aardig, vooral mijnheer en met Sand kan ik al erg goed opschieten. Ze heeft me geholpen bij het uitpakken en na het eten op mijn kamer zitten kletsen, terwijl ik een beetje orde schiep. Het blijkt, dat Thijs háár ook zwaar vereert, meer dan mij naar haar verhalen te oordelen en ik geloof niet, dat ze liegt. Het kan me natuurlijk niets schelen, integendeel, maar waarom blijft hij dan bij mij niet weg? Ze schijnt überhaupt erg veel vrienden te hebben, ze heeft het tenminste bijna nergens anders over. Ze is wel aardig, maar ik ga toch niet vertrouwelijk met haar worden, voorlopig tenminste. Ze heeft mijn boekenvoorraad doorgesnuffeld en ontdekte bij die gelegenheid de handtekening van Vestdijk; natuurlijk moest ik uitleg geven en ineens kwam ik mezelf ontzettend onnozel voor, hoewel ze zichtbaar geïmponeerd was. Aan het feit, dat ik 2 boeken van Binnendijk had gekregen, ‘zó maar’, knoopte ze de opmerking vast, dat ik zeker een ‘speciaal vriendinnetje’ van hem was – ze moest eens weten! We hebben erg gezellig gepraat, voornamelijk was zij aan het woord. Ze is geweldig levendig en druk, en beschouwt me al zo’n beetje als haar vriendin. Het was een vermakelijke situatie, dat terwijl zij op de divan zat te kletsen ik onderdehand mijn dagboeken inruimde (in een prachtig bureautje, dat afgesloten kan worden), en met name de ‘Brieven aan Martien’ periode deed me gniffelen.
Overigens vertelde mevrouw v.S. me van haar maandelijkse litteraire avonden; ik viste voorzichtig naar de gasten en viel steil achterover van de klinkende namen, die ik bij Sand later bevestigd hoorde: o.a. A. Roland Holst, Engelman, Nijhoff, Bloem, Donkersloot, Van Duinkerken, de schilder Willink, Vasalis, Emmy van Lokhorst (!) – maar geen Vestdijk, die ze zelfs niet schijnen te kennen. Het was anders een prachtgelegenheid geweest om hem hier te ontmoeten! Ik verheug me nu al dol op de laatste vrijdag in januari, dan komen ze weer.
Ik heb hier Ali Ero al ontmoet, ze is de officieuze verloofde van Jaap en knapper dan ooit, met prachtig blond haar, een fijnbesneden, klein gezicht met een fantastisch zuiver profiel, mooie lichtblauwe ogen, een recht neusje en een kleine, ideaal gevormde mond; nog daarbij een slank figuur en je hebt het meisje, dat ik benijd om haar uiterlijke voordelen.
Heimwee had ik eigenlijk alleen in de keuken, toen ik met Sand omwaste en ze binnen de twee Arabesken van Debussy op de plaat draaiden. Ik verlangde plotseling zo naar de piano en eigenlijk naar alles wat ik thuis had achtergelaten. Heel even stond ik op het punt te gaan huilen, maar ik hield me krampachtig in, en met succes. Tot overmaat van ramp had Sand het er nog net over, dat ze het zo leuk vonden, dat ik nog niet had gehuild, wat ze wél verwacht schenen te hebben. Ik probeerde te lachen en beweerde met klem, dat ik er helemaal niet aan dacht en zeker niet waar anderen bij waren, terwijl ik vocht met mijn tranen.
Maar nu is het alweer beter, al heb ik af en toe vlagen van huilneiging te verdringen. Niet het idee, dat ik eenzaam hier ben (want ik vóel me niet zo eenzaam) maakt me melancholiek, maar het idee, dat pappie en mammie nu alleen thuis zitten en aan me denken. Ik heb zo’n medelijden met ze, ze zullen me zeker missen. En ik hen ook, ik doe het nú al. En de piano...
Ik heb ook alsmaar wroeging, omdat ik me verbeeld in de haast en de opwinding van het ogenblik niet teder genoeg afscheid te hebben genomen en ook aan de telefoon niet hartelijk genoeg te zijn geweest omdat ik me onvrij voelde in het besef dat de hele familie v.S. me kon horen.
Mijn kamertje is al vrij behoorlijk in orde, alleen de boekenplank nog en de schilderijtjes ophangen. Tegenover me hangt mijn eigen vertrouwde klokje, dat me tot tranens toe aan thuis herinnert, en om strijd concurreert met de harde, venijnige wekker naast me. Ik ben doodop, ik ga slapen. Ik voel, dat ik zal huilen als het licht uit is. En toch voel ik me niet eens zo ongelukkig.

 

© Copyright 2017 W.J. Van Oorschot
© Copyright Bezorging en annotaties 2017 Nop Maas en Uitgeverij Van Oorschot

MINDBOOKSATH : athenaeum