Leesfragment: De zee, een spiegel

29 juni 2017 , door Joseph Conrad
| |

Op 3 juli verschijnt De zee, een spiegel van Joseph Conrad (vertaald door Lisette Graswinckel). Wij publiceren voor!

Joseph Conrads leven laat zich grofweg in drie episodes duiden: zijn jeugd in Polen, zijn ouderdom in Engeland en daartussenin zijn jaren op zee. Jaren waar hij als kind al naar verlangde: hij liep op zestienjarige leeftijd van huis weg om scheep te gaan. Zijn Engelse jaren vulde hij vervolgens met schrijven over de zee.

De zee, een spiegel is een weerslag van de immense passie van de grote schrijver Conrad; de zee was eerst zijn droom, toen zijn leven en vervolgens zijn herinnering. Dit boek houdt het midden tussen een praktische gids, een herinneringskunstwerk en een levenshandleiding. De zee en alles wat ermee te maken heeft mag zich in Conrads grote liefde en precieze aandacht verheugen. De havens, het lossen, de winden, de kapiteins, het eerste commando, het vermist raken van schepen, de lading, het vertrek, windstiltes - in De zee, een spiegel zijn ze zonder veel moeite te duiden als begrippen die de nautische context overstijgen.

Conrads zee is zowel vriend als vijand, zowel betoverend en onweerstaanbaar als onpeilbaar wreed, het toneel van zowel grote avonturen als de eeuwige strijd tussen mens en natuur.

 

Over tijd en vermist

 

16

Regelmatig wend ik me met weemoedige gretigheid tot de kolommen in het nieuwsblad onder de noemer ‘Scheepsberichten’. Daar tref ik de namen van schepen die ik heb gekend. Elk jaar verdwijnen enkele van die namen, de namen van oude vrienden. ‘Tempi passati!’
De onderdelen van dit type nieuws staan er keurig met bondige subkopjes onder elkaar en variëren slechts zelden in volgorde. Bovenaan staat ‘Scheepstijdingen’, meldingen van schepen die op zee zijn gesignaleerd, met naam, haven, vertrokken uit, bestemd naar, zoveel dagen onderweg, veelal besluitend met de woorden ‘Alles in orde.’ Dan komt ‘Wrakken en ongevallen’, een tamelijk lange opsomming van berichten, behalve bij een periode van mooi en helder weer, dat schepen van over de hele wereld gunstig gezind is.
Op sommige dagen verschijnt er het kopje ‘Over tijd’, een omineus voorteken van verlies en rouw waarvan de uitkomst nog ongewis is. Zelfs aan de samenstelling van de letters die deze woorden vormen kleeft voor de zeeman iets onheilspellends. Hun betekenis is glashelder en ze slaan zelden loos alarm.
Slechts enige dagen later – zo ontstellend weinig dagen voor degenen die tegen beter weten in hoop bleven koesteren – of drie weken, of wie weet een maand, zullen de namen van schepen met het stempel ‘Over tijd’ opnieuw in de rubriek ‘Scheepsberichten’ verschijnen, echter vergezeld met de definitieve melding ‘Vermist’.
‘Het schip, of de bark of de brik Zus-en-zo, vertrokken uit deze haven, met die en die lading, met als bestemming deze haven, vertrokken op die en die datum, waarna sinds het laatste contact op die en die dag niets meer van haar is vernomen, is vandaag als vermist opgegeven.’ In deze vorm en in deze strikt formele bewoordingen is de begrafenisrede gegoten ter ere van schepen die zich – wellicht afgemat door een lange strijd, of in een onbewaakt ogenblik dat de wakkerste onder ons kan overkomen – door een plotse uitval van de vijand hebben laten verrassen.
Wie zal het zeggen? Misschien had de bemanning die ze vervoerde te veel van haar gevraagd en de bestendige trouw te zwaar op de proef gesteld die in de assemblage van ijzeren ribben en platen, hout, staal, doek en kabels die samen een schip vormen gesmeed en gehamerd lijkt; een complete creatie die met een karakter, een persoonlijkheid, met talenten en tekortkomingen is begiftigd door mannen wier handen haar het water op stuurden, en waarmee andere mannen een intiemere band zullen aangaan dan die tussen mannen onderling, en die zij zullen liefhebben met een liefde die haast even groot is als die van een man voor een vrouw, en vaak evenzeer ziende blind voor haar tekortkomingen.
Er zijn schepen met een slechte naam, maar ik moet het eerste schip nog tegenkomen waarvan de bemanning van dienst haar niet vurig tegen alle kritiek verdedigde. Ik kan me een schip heugen met de reputatie dat ze elke reis een matroos het leven kostte. Dit was geen laster, maar ik weet nog goed dat de bemanning van dat schip, ergens lang geleden, eind jaren zeventig, zelfs enigszins trots was op haar beruchte reputatie, alsof het een door en door verdorven stelletje desperado’s was, dat er eer in stelde met een gruwelijk monster te worden geassocieerd. Wij, bemanningsleden van andere vaartuigen die verspreid over de Circular Quay van Sydney voor anker lagen, bezagen haar hoofdschuddend en waren ons terdege bewust van het smetteloze blazoen van ons eigen dierbare schip.
Ik zal haar naam niet noemen. Ze is nu ‘vermist’, na een omnieuze hoewel vanuit het perspectief van haar rederij nuttige carrière die zich over vele jaren en, niet te vergeten, over alle oceanen van onze planeet uitstrekte. Nadat ze elke reis een mensenleven had geëist, en wellicht nog misantropischer was geworden door de gebreken die een schip op leeftijd plagen, had ze zich voorgenomen de voltallige bemanning een kopje kleiner te maken alvorens het toneel van haar roemruchte daden te verlaten. Het was een passend slotakkoord voor een nuttig en misdadig leven, deze laatste uitbarsting van kwaadaardige hartstocht, op soevereine wijze bevredigd tijdens een stormachtige nacht en luid toegejuicht door de wind en de golven, zo stel ik me voor.
Hoe is ze te werk gegaan? In het woord ‘vermist’ resoneert een akelige twijfel en speculatie. Was ze spoedig met bemanning en al ten onder gegaan of had ze tot het einde toe weerstand geboden, had ze zich door de zee laten verpulveren, haar stuiken laten losslaan, haar spant laten kraken, haar ruim met zout water laten verzwaren, en had ze, masteloos, onbestuurbaar, hevig rollend, van sloepen ontdaan en met leeggespoelde dekken, het uiterste van haar bemanning gevergd die onafgebroken aan de pompen stonden, voordat ze samen met hen als een baksteen naar de bodem zonk?
Maar een dergelijk geval is vermoedelijk zeldzaam. Er moet toch altijd wel een of ander vlot te fabriceren zijn, en al zou het vlot niemand kunnen redden, dan zou het blijven drijven en opgepikt worden en ons misschien een aanwijzing verschaffen over deze in het niets verdwenen naam. Dat schip zou dan strikt genomen niet vermist zijn. Ze zou ‘met man en muis zijn vergaan’, met als subtiel verschil dat haar lot in het laatste geval iets minder akelig en duister is.

 

17

De gedachte aan de laatste momenten van een schip dat als ‘vermist’ in de kolommen van de Shipping Gazette staat vermeld is doordesemd van de ongezonde fascinatie van het gruwelijke. Van het schip komt nooit meer iets boven water, geen traliewerk, geen reddingsboei, geen stuk sloep of gemerkte roeispaan, geen enkele aanwijzing over de datum en plaats van haar plotse einde. De Shipping Gazette noemt haar zelfs niet ‘met man en muis vergaan’. Ze blijft simpelweg ‘vermist’. Het mysterie van haar raadselachtige verdwijning is onbevattelijk groot, hetgeen je verbeelding aangaande het lot van een vakbroeder, een mededienaar en medeliefhebber van schepen, op hol doet slaan.
Niettemin vangen we soms een glimp op van een mogelijke slotscène uit het leven van een schip en haar bemanning, die een drama gelijkt in haar gevecht tegen een grote macht die het op haar gemunt heeft, even vormeloos, ongrijpbaar, ordeloos en raadselachtig als het lot zelf.
Het was op een grijze namiddag tijdens een luwte in een driedaagse storm die de Zuidelijke Oceaan ons schip zwaar had doen teisteren, met aan de hemel wolkenflarden die door de snijdend koude zuidwesterstorm schenen uitgeslepen.
Ons vaartuig, een door Clyde gebouwde bark van duizend ton, rolde zo zwaar dat we in het want averij hadden opgelopen. Wat de schade ook was, het was ernstig genoeg me ertoe te bewegen samen met enkele matrozen en de scheepstimmerman in de mast te klimmen om erop toe te zien dat de tijdelijke herstelwerkzaamheden naar behoren werden uitgevoerd.
Soms moesten we alles uit handen laten vallen en ons aan de zwaaiende masten vastklampen tijdens een vreselijk heftige schommeling die ons de schrik om het hart deed slaan. Slingerend alsof ze zou kapseizen liep de bark met natte dekken en zwiepende tuigage ongeveer tien knopen. We waren ver naar het zuiden afgedreven, veel verder die kant op dan we hadden willen gaan. Maar terwijl we daar tussen de borgen van de fokkenra zaten, pas halverwege ons karwei, werd plots mijn schouder dermate ferm door de krachtige klauw van de timmerman vastgegrepen dat me zowaar een kreet van pijn en schrik ontsnapte. Met zijn ogen zeer dichtbij de mijne riep hij: ‘Kijk, stuur! Kijk! Wat is dat?’, met zijn andere hand vooruit wijzend.
Eerst zag ik niets. De zee was een barre woestenij van zwarte en witte toppen. Maar toen, half verscholen door woest schuimende rollers, ontwaarde ik iets enorms dat half onderwater lag en rees en daalde, iets zo weids als een eruptie van schuim, maar blauwiger en meer solide.
Het was een stuk van een ijsschol dat tot een scherf was gesmolten maar nog steeds groot genoeg was om een schip tot zinken te brengen, en dat lager dreef dan een vlot, recht voor ons uit, alsof het ons daar tussen de golven als een sluipmoordenaar lag op te wachten. Er was geen tijd meer om naar het dek af te dalen. Van daarboven schreeuwde ik de longen uit mijn lijf. Ze hoorden me op het achterdek, en we wisten de verzonken ijsschots te omzeilen die helemaal vanaf de zuidelijke ijskap hiernaartoe was gedreven voor een moordaanslag op onze argeloze levens. Eén uur later, en het schip was reddeloos verloren geweest, want in de schemering had geen mens dat bleke stuk ijs nog tussen de schuimkoppen kunnen ontwaren.
En toen mijn kapitein en ik bij het hakkebord stonden te turen naar de schots, die zich helemaal niet ver van onze achterzijde bevond maar waarvan de omtrekken toch reeds nauwelijks te onderscheiden waren, zei hij op peinzende toon: ‘Dat was op ’t nippertje. Zonder die slinger aan het roer hadden we er weer een “vermist” schip bij gehad.’
Niemand van de bemanning van een ‘vermist’ schip kan ooit navertellen hoe akelig het vaartuig aan zijn einde kwam en hoe onverwacht en hevig de doodsangsten waren die haar bemanning op het laatst heeft uitgestaan. Niemand kan vertellen met welke gedachten, met welke wroeging en met welke woorden op hun lippen zij stierven. Maar er schuilt een zekere troost in het plotse heengaan van deze brave borsten, weg van het drama van strijd, spanning en vreselijk tumult, van de weidse, woelige toorn van het oppervlak naar de vredige rust van de diepste diepten, die sinds mensenheugenis in een zorgeloze slaap zijn gedompeld.

 

[...]

 

© Copyright 2017 vertaling: Lisette Graswinckel en uitgeverij Van Oorschot, amsterdam

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum