Leesfragment: Dingen die we verloren in het vuur

14 februari 2017 , door Mariana Enriquez
|

Het is de Week van het Korte Verhaal! Ook nieuw deze week is Mariana Enriquez' bundel Dingen die we verloren in het vuur (Las cosas que perdimos en el fuego, vertaald door Peter Valkenet). Wij brengen een fragment uit 'Spinnenweb'.

Stel je een eenentwintigste-eeuwse remix voor van dirty realism, Edgar Allan Poe, Julio Cortázar en Shirley Jackson. Mariana Enriquez durft álles, haar werk is tegelijkertijd klassiek en volstrekt modern, heftig origineel, feministisch, anti-feministisch, politiek, apathisch, afstotend, verslavend, duister, komisch. Enriquez weigert bovendien van haar personages slachtoffers te maken en daarom zijn ze zo geloofwaardig. Hoeveel vrouwen er ook worden misbruikt, de meeste zijn bepaald geen toonbeeld van deugdzaamheid. Ze vechten, zijn jaloers, of soms gewoon gemeen op een terloopse manier. En ze moraliseert evenmin, ze geeft je niet eens altijd een exact idee van wat er aan de hand is, maar haar personages blijven nog lang en levendig in je geheugen hangen. Het vaak horrorachtige, onderhuids dreigende in haar verhalen contrasteert ze met een subtiele, gortdroge humor.

 

Spinnenweb

Het is moeilijker ademhalen in het vochtige noorden, daar dicht bij de grens met Brazilië en Paraguay, waar de woeste rivier wordt bewaakt door muggen en de lucht zich in een paar seconden kan transformeren van zuiver azuur tot onweersachtig zwart. Meteen zodra je er bent aangekomen begin je te ervaren hoe moeizaam het gaat, dat ademhalen, alsof je ribben door een ruwe omhelzing in een korset worden geperst. En alles gaat langzamer; heel af en toe rijdt er een fiets door de straat, die leeg is tijdens de siësta, de ijssalons lijken verlaten door hun eigenaars, ondanks de ventilatoren aan het plafond, die voor niemand draaien, de krekels tjirpen hysterisch in hun schuilplaatsen. Ik heb nog nooit een krekel gezien. Mijn tante zegt dat het afschuwelijke beesten zijn, spectaculair grote vliegen met groene vleugels, die trillen en je met hun egaal zwarte ogen aankijken. Ik houd niet van de naam krekel; noemde iedereen ze maar cicaden, en niet alleen tijdens het nimfstadium. Als ze altijd cicaden zouden worden genoemd, zou hun zomerse geluid me doen denken aan de violette bloemen van de jacarandabomen langs de oevers van de Paraná, of aan de villa’s van witte steen met hun brede buitentrappen en hun rijen wilgen. Maar de naam krekel doet me denken aan hitte, aan rottend vlees, aan het uitvallen van de stroom, aan dronken mannen die je met bloeddoorlopen ogen aankijken vanaf de bankjes op het plein.
Die februari ging ik mijn oom en tante opzoeken in Corrientes, omdat ik moe was van de verwijten: je bent getrouwd en we kennen je man niet, hoe kan dat, je houdt hem voor ons verborgen. Nee hoor, lachte ik door de telefoon, waarom zou ik hem voor jullie verbergen, ik wil heel graag dat jullie hem leren kennen, we komen snel langs.
Maar ze hadden gelijk: ik hield hem voor hen verborgen.
Mijn oom en tante waren de enigen die de herinnering aan mijn moeder – de lievelingszus van mijn tante, die na een stom ongeval was overleden toen ik zeventien was – levend hielden. In de eerste maanden van de rouw hadden ze me aangeboden om bij hen te komen wonen in het noorden; ik had daar beleefd voor bedankt. Meteen kwamen ze me opzoeken. Ze gaven me geld, ze belden me elke dag. In de weekenden hielden mijn nichten me gezelschap. Maar toch voelde ik me alleen, en door de eenzaamheid werd ik veel te snel verliefd, ik trouwde uit wanhoop en nu leefde ik met Juan Martín, aan wie ik me ergerde en die me verveelde.
Ik besloot hem mee te nemen naar mijn oom en tante om te zien of andere ogen een ander mens van hem konden maken. Een maaltijd op de ruime patio van het grote huis was genoeg voor de deceptie: Juan Martín slaakte een gil toen een spin zijn been beroerde (‘Als ze geen gekleurd kruis op hun rug hebben, hoef je je geen zorgen te maken,’ zei mijn oom Carlos met een sigaret tussen zijn lippen, ‘dat zijn de enige die giftig zijn’), dronk te veel bier, sprak zonder enige terughoudendheid over zijn zakelijke successen en merkte een paar keer op dat hij de indruk had dat de provincie ‘nogal achterliep’.
Na het eten nam hij een glas whisky met mijn oom Carlos en hielp ik mijn tante in de keuken.
‘Ach meisje, het had erger gekund,’ zei ze toen ik in huilen uitbarstte. ‘Hij had ook als Walter kunnen zijn, die me sloeg.’
Ja, knikte ik. Juan Martín was niet gewelddadig, hij was niet eens jaloers. Maar ik voelde weerzin tegen hem. Hoeveel jaar zou ik dat nog moeten verdragen, de afkeer als ik hem hoorde praten, de pijn als we seks hadden, mijn zwijgen als hij uitweidde over zijn plannen om een kind te krijgen en het huis te verbouwen? Met mijn handen onder het afwasmiddel veegde ik mijn tranen weg, mijn ogen begonnen te branden en ik begon nog harder te snikken. Mijn tante duwde mijn hoofd onder de kraan en liet het water tien minuten lang over mijn ogen stromen. Zo trof Natalia – haar oudste dochter, mijn favoriete nicht – ons aan, de altijd zongebruinde Natalia met haar lange, donkere, ongekamde haar in een wit, loshangend jurkje. Door de mist van mijn geïrriteerde ogen, die maar bleven knipperen, zag ik haar onscherp; ze had een bloempot in haar handen en rookte. In Corrientes rookte iedereen. Als iemand voorzichtig opmerkte dat roken niet gezond was, staarden ze de bezwaarmaker bedremmeld aan en lachten ze een beetje.
Natalia zette de bloempot op de keukentafel, zei tegen mijn tante – haar moeder – dat ze de azalea had geplant en begroette me met een kus op mijn hoofd. Mijn echtgenoot was niet dol op Natalia. Hij vond haar fysiek niet aantrekkelijk, wat bij hem bijna op een verstandsverbijstering duidde: nooit had ik een mooiere vrouw gezien dan zij. Maar bovendien had hij een lage dunk van haar, omdat Natalia kaarten las, huismiddeltjes tegen ziekten kende en, dat vooral, met geesten communiceerde. Bij die nicht van je zitten wel een paar steekjes los, zei Juan Martín, en ik haatte hem om die opmerking, ik overwoog Natalia te bellen voor het recept van een van haar toverdrankjes, of een vergif. Maar ik liet het voorbijgaan, zoals ik elk kleinigheidje voorbij liet gaan terwijl in mijn maag een witte steen groeide die weinig ruimte overliet voor lucht, of voor voedsel.

 

© Mariana Enriquez, 2016
© 2017 Nederlandse vertaling Peter Valkenet

MINDBOOKSATH : athenaeum