Leesfragment: Een beknopte geschiedenis van Nederland

01 februari 2017 , door James Kennedy
|

Deze week verscheen James Kennedy's Een beknopte geschiedenis van Nederland (vertaling Simone Kennedy-Doornbos, A Concise History of the Netherlands verschijnt in juni). Wij brengen een uitgebreid fragment uit zijn hoofdstuk 'Vooruitgang en crisis, 1870-1949'.

Wereldwijd geloven veel mensen dat Nederland een uniek land is. Dat heeft te maken met de onttrekking van veel land aan de zee, maar ook met de Nederlandse handelsgeest, de markante culturele erfenis, de religieuze diversiteit en een eeuwenoude traditie van tolerantie. Sinds de negentiende eeuw zien de Nederlanders ook zelf hun land als moreel voorbeeld, een land waarvan de morele superioriteit in buitenlands en binnenlands beleid een inspiratie kan zijn voor anderen. In recente jaren maakt het positieve zelfbeeld over Nederland plaats voor negatieve percepties, nu het land zich volgens velen in een identiteitscrisis bevindt.

James Kennedy, zoon van een Amerikaanse vader en een Nederlandse moeder en zijn leven lang al geïnteresseerd en gespecialiseerd in de Nederlandse geschiedenis, is de perfecte auteur voor deze Beknopte geschiedenis van Nederland, van het vroegste begin tot nu. Hij beschrijft niet alleen de historische gebeurtenissen, maar plaatst deze ook in internationaal perspectief en vergelijkt ze met ontwikkelingen in andere Europese landen.

James Kennedy (Orange City, Iowa, 1963) is Dean van University College Utrecht en columnist van dagblad Trouw. Hij publiceerde eerder onder andere Nieuw Babylon in aanbouw, Een weloverwogen dood en Bezielende verbanden.

 

6
Vooruitgang en crisis, 1870-1949

Nederlanders waren weer volledig geïntegreerd in de wereldeconomie en konden profiteren van de effecten van de Industriële Revolutie. De bloeiende cultuursector gaf sommigen de indruk dat er een tweede Gouden Eeuw was aangebroken. Maar de expansie van deze jaren resulteerde zowel in koloniale oorlogen als in toenemende ideologische spanningen in eigen land. De Nederlanders konden in de Eerste Wereldoorlog met enige moeite neutraal blijven en wisten tot de Tweede Wereldoorlog een parlementair systeem overeind te houden dat revolutie en dictatorschap op afstand hield. Maar de grote depressie van de jaren dertig, de bezetting door nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog en de traumatische dekolonisatie van de jaren veertig deden de twijfel toenemen of Nederland zich nog bevond op de weg naar vooruitgang.

De horizon breidt zich uit, 1870-1914

Nederlands imperialisme

Van ongeveer 1870 tot 1914 werd Nederland meegenomen op een nieuwe globaliseringsgolf. De krachten die deze golf voortstuwden – vrije handel, ongekende technologische vooruitgang en economische productiviteit, opkomst van internationale netwerken en toenemende assertiviteit van grote wereldmachten – beïnvloedden ook Nederland. En nergens werd dit zichtbaarder dan in de relatie met Nederlands-Indië.
De intensivering van deze relatie begon in 1870 toen de eerste Nederlandse stoomboot door het Suezkanaal voer, dat een jaar eerder was geopend. Nederlandse schippers waren – net als hun Europese collega’s – beducht voor de gevolgen van deze nieuwe waterweg; ze vreesden dat de tolbetalingen de prijzen van hun goederen zouden opdrijven. Maar al snel voerden Nederlandse scheepvaartmaatschappijen reguliere transporten uit via het Suezkanaal en vervoerden ze post, passagiers en goederen. Binnen een jaar kwamen honderden Nederlandse schepen door het kanaal, waardoor hun reistijd naar Indië werd bekort van enkele maanden naar slechts enkele weken. De nieuwe route gaf een impuls aan de verouderde Nederlandse scheepvaartindustrie, die nu snelle en moderne schepen bouwde om het vaderland te verbinden met de koloniën. Maar het kanaal zou er ook voor zorgen dat Nederlanders beter handel konden drijven, zich vaker in Nederlands-Indië vestigden en ook meer oorlogen voerden dan ooit tevoren.
Historici beschouwen de periode rond 1870 als de start van het neo-imperialisme, waarin Europese machten grote delen van de wereld koloniseerden en onder hun bestuur brachten. In Nederland kwam dit vooral tot uiting in onderhandelingen over de Goudkust en Sumatra. Elmina op de Goudkust kende als centrum van de slavenhandel al sinds 1637 Nederlandse overheersing. Sinds de afschaffing van de slavernij was deze enige Nederlandse kolonie in West-Afrika een economische last geworden. Nadat het Suezkanaal de reis langs Afrika overbodig had gemaakt was de Nederlandse overheid bereid om de Goudkust over te dragen aan de Britten, maar ze wilde de overdracht verbinden aan twee andere kwesties. Door de afschaffing van de slavernij in Suriname zochten Nederlanders nieuwe arbeidskrachten voor het werk op de plantages. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog werden 34.000 Hindoestaanse werknemers via contractarbeid uit Brits-India aangetrokken die in deze behoefte voorzagen. Later werden zij aangevuld met ongeveer evenveel Javanen. Daarnaast wenste Nederland meer invloed op Sumatra, een Indonesisch eiland gesitueerd in het grensgebied tussen Britse en Nederlandse koloniën in Azië. Na harde onderhandelingen bleek de Britse overheid bereid om Nederland de vrije hand te gunnen, zelfs in Atjeh op Noord-Sumatra, hoewel de sultan van Atjeh internationaal werd erkend als soeverein vorst. In 1871 werden deze drie kwesties – de overdracht van de Goudkust, de contractarbeid en de Nederlandse koloniale invloed op Sumatra – door de twee Europese machten afgehandeld.
Achteraf gezien bleken deze verdragen de start van een enorme uitbreiding van de Nederlandse koloniale macht op de Indonesische archipel. Er waren allerlei redenen waarom Nederlanders Sumatra wilden beheersen en hun controle vergroten. Hun economische belangen in Nederlands-Indië werden bedreigd door een onafhankelijk Atjeh en door piraten langs de nieuwe vaarroutes richting het Suezkanaal. Bovendien wilden ze in navolging van andere koloniale mogendheden bij het verdelen van land hun eigen gebieden claimen om niet buiten de boot te vallen. Daarnaast hoopten ze te profiteren van de handel in peper, tabak en rubber. Bovendien was er olie ontdekt in dat gebied.
De uitoefening van het Nederlandse gezag over Atjeh bleek echter moeilijk te realiseren. In 1873 begon de eerste Atjeh-oorlog, waarbij Nederlanders zich lieten bijstaan door Afrikaanse troepen uit de Goudkust. Het leidde tot een bij vlagen bloedig conflict dat uiteindelijk een generatie lang zou duren. Waarschijnlijk verloren ongeveer 100.000 inwoners van Atjeh het leven in hun strijd tegen de koloniale regering en ook duizenden Nederlanders stierven tijdens deze oorlog, meestal aan tropische ziekten. Er werd in Nederland veel kritiek geuit op dit koloniale beleid en de zichtbare excessen als de massamoord in 1904, waarbij 1150 vrouwen en kinderen door Nederlandse troepen in Kuta Reh en omliggende dorpen werden doodgeschoten. Dit leidde tot geschokte en verbijsterde reacties in het parlement. Maar uiteindelijk stond de Nederlandse bevolking – net als andere Europese volkeren – achter het koloniale beleid van hun eigen overheid en accepteerde dat oorlogen een uitvloeisel waren van dit beleid.
Atjeh was niet de enige Nederlandse verovering in die periode. Nadat bijna honderd Nederlandse soldaten in 1894 op Lombok waren vermoord tijdens een verrassingsaanval, besloot de regering alle buitengebieden van de archipel onder haar gezag te brengen. Een gebied dat veertig keer groter was dan Nederland en zich uitstrekte van Atjeh in het westen tot Nieuw-Guinea in het oosten werd onder Nederlandse heerschappij gebracht. Ook in het Caribisch gebied waren Nederlanders bereid geweld te gebruiken om hun zin door te drukken. In 1908 maakte de Nederlandse marine middels kanonneerbootdiplomatie een regimeverandering mogelijk in Venezuela, nadat de president anti-Nederlandse handelsmaatregelen had afgekondigd.

Koloniaalgezag
Uitbreiding van het Nederlands koloniaal gezag in de Indonesische archipel.

Naarmate de koloniale regering zich uitbreidde en haar greep op het gebied verstevigde, trokken steeds meer Nederlanders naar de Indische kolonie. In 1900 woonden er bijna 100.000 Nederlanders (waarvan ongeveer 40 procent vrouw) en dat aantal zou sterk toenemen in de jaren twintig en dertig. Maar de migratiestroom zou nooit heel groot worden; waarschijnlijk besloot niet meer dan 1,5 procent van de bevolking die in de negentiende eeuw in Nederland was geboren om naar Nederlands-Indië te verhuizen. Maar nieuwe kansen dienden zich aan voor migranten: christelijke missie en zending en het koloniale bestuur breidden zich sterk uit. En door de vrije handel en de markten in Nederlands-Indië bloeiden het bedrijfsleven en de handel. Veel bedrijven bleken zeer succesvol te zijn in de internationale economie. Ook de wortels van de Nederlandse tak van het oliebedrijf Shell lagen in Nederlands-Indië. Hoewel er niet langer een cultuurstelsel was dat enorme winsten genereerde voor de Nederlandse staatskas, bleef de economie van Nederlands-Indië een belangrijke bron van de Nederlandse welvaart.
Nederlands-Indië was ook een belangrijke bron van informatie voor Nederlandse wetenschappers, juristen en linguïsten; het Koloniaal Instituut (nu het Tropeninstituut) werd opgericht in 1910 om onderzoek te doen naar Indonesië en kennis te vergaren die bruikbaar kon zijn voor het Nederlandse bestuur. Dit was ook het streven van wetenschapper en topambtenaar Christiaan Snouck Hurgronje, die zich had gespecialiseerd in de islam en de Nederlandse overheid adviseerde over regelgeving. De jurist Cornelis van Vollenhoven specialiseerde zich in pre-islamitische adat-wetten en hun toepassingen in Nederlands-Indië. Maar de belangstelling reikte veel verder dan alleen academische kwesties. Het grote Nederlandse publiek was zeer geïnteresseerd in Indonesië; ongeveer anderhalf miljoen mensen bezochten de Wereldtentoonstelling die in 1883 in Amsterdam werd gehouden onder de titel Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling. De literatuur, kunst en cultuur werden allemaal sterk beïnvloed door de Nederlandse ervaringen in de Indische kolonie.

Economische modernisatie

Maar ook buiten Nederlands-Indië bloeide de economie op. De decennia voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog waren jaren van hoogconjunctuur, waarin de Nederlandse economie meer verweven raakte met de regionale en globale economie. De rol van de scheepvaartindustrie werd steeds groter naarmate de wereldhandel groeide en nieuwe waterwegen werden geopend. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw werden het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg gegraven. Zij verbonden respectievelijk Amsterdam en Rotterdam beter met de Noordzee. De haven van Rotterdam nam in betekenis toe en raakte nauw verweven met het snel industrialiserende Ruhrgebied in Duitsland. Duitse technologische kennis en grote industrieën als Siemens stimuleerden de modernisering van de Nederlandse economie. Holland had altijd een dominante rol gespeeld in de Nederlandse economie, maar ook elders in het land namen vitale economische centra sterk in omvang toe, zoals de textielindustrie in Twente en Noord-Brabant en later ook de mijnindustrie in Zuid-Limburg. De gloeilampenfabriek van de familie Philips, in 1892 opgericht in Eindhoven, werd eerst in Europa marktleider en vervolgens ook in de wereld. Nederland industrialiseerde later dan Engeland, België en Duitsland en richtte zich minder op de zware industrie dan op de lichte en de verwerkende industrie. De belangrijkste bedrijfstakken – van textiel tot voedsel – waren sterk gericht op de export. Net als in de zeventiende eeuw zouden de nijverheid en de export de Nederlandse economie weer een impuls geven.
De relatief moderne en efficiënte landbouwsector profiteerde ook van de expansie van de wereldeconomie en bleef concurrerend, waardoor de noodzaak tot industrialisatie minder was. Wel leden de boeren in de jaren tachtig van de negentiende eeuw onder de inzakking van de Europese landbouwprijzen door goedkope import van Amerikaanse en Russische producten. Maar ze kwamen goed door deze depressie heen dankzij een aantal factoren: hun producten waren van hogere kwaliteit dan voorheen, ze werkten met georganiseerde boerencoöperaties en kredietbanken boden hun financiële zekerheid. Toch besloten steeds meer Nederlanders vanaf de jaren zestig te verhuizen van het platteland naar de stad, aangetrokken door het werk in de nijverheid en industrie. In 1880 woonde 40 procent van de Nederlandse bevolking in steden, een halve eeuw later was dat 65 procent. De bevolking van Amsterdam zou in een halve eeuw meer dan verdubbelen, van 240.000 in 1860 tot 510.000 in 1910. Rotterdam groeide nog onstuimiger, van bijna 120.000 inwoners in 1869 tot meer dan 460.000 in 1913.
De Nederlandse bevolking bleef snel groeien, vooral in vergelijking met omringende landen. Er waren minder inwoners die emigreerden, er werden meer kinderen geboren en de levensverwachting nam sterk toe. Door de landbouwcrisis van de jaren tachtig vertrokken tijdelijk veel boerenfamilies; in de loop van de negentiende eeuw emigreerden 140.000 Nederlanders naar de Verenigde Staten, maar vanuit Duitsland vertrokken in diezelfde tijd vijf miljoen inwoners naar Amerika, verhoudingsgewijs veel meer. De positieve economische vooruitzichten en het hechte sociale netwerk voorkwamen een massale uitstroom.
Tegelijkertijd was het hoge geboortecijfer opvallend. Na 1880 begon het geboortecijfer in Noord- en West-Europa te dalen, ook in Nederland, en het zou geleidelijk blijven dalen tot de ‘babyboom’ van na de Tweede Wereldoorlog. De toenemende levensverwachting door verbeterde hygiëne en publieke gezondheidsmaatregelen zorgde voor bevolkingsgroei, vooral door daling van de zuigelingensterfte. De levensverwachting nam toe van 39 jaar in 1870 tot 56 jaar in 1910, waardoor de bevolking in Nederland toenam van 4,5 miljoen in 1889 tot 9,6 miljoen in 1930. De Nieuw-Malthusiaanse Bond, opgericht in 1881, maakte zich zorgen over deze bevolkingstoename en bevorderde geboortebeperking.
De Nederlandse economie was sterk genoeg om deze groei te ondersteunen en ervan te profiteren. Het echte inkomen per hoofd van de bevolking rees 40 procent tussen 1870 en 1914. Het bruto binnenlands product (bbp) en de arbeidsproductiviteit naderden aan het begin van de twintigste eeuw die van Groot-Brittannië en waren vergelijkbaar met die van Duitsland. Na een lange periode waarin de internationale concurrentiepositie verslechterde, wonnen Nederlanders in deze periode steeds meer marktaandeel.

De schoolstrijd

Het mocht in economisch opzicht goed gaan met Nederland, maar in de samenleving en de politiek konden de spanningen hoog oplopen. Snelle economische en sociale veranderingen intensiveerden het debat over twee kwesties: wie mocht invloed uitoefenen over scholen en andere maatschappelijke instellingen, en in hoeverre mocht de overheid zich mengen in sociale en economische zaken? Burgers konden zich steeds beter politiek organiseren om hun eisen kracht bij te zetten. Want niet alleen het inkomen, maar ook de geletterdheid nam toe. Daarnaast hadden ze toegang tot goedkope vormen van transport en openden de media hun ogen voor een wereld van ideeën. Ze waren ervan overtuigd dat met enige inzet de toekomst er heel anders uit zou kunnen zien dan het verleden.
De meest omstreden kwestie was het onderwijs, net als in veel landen in West- en Centraal-Europa in de decennia voor de Eerste Wereldoorlog. Voor liberalen was kwaliteitsonderwijs via openbare scholen van cruciale betekenis om toekomstige generaties op te leiden tot deugdzame en productieve burgers, die kennis en vaardigheden verkregen die de nieuwe economie en de moderne tijd verlangden. In de jaren zestig van de negentiende eeuw was 60 procent van de beroepsbevolking in feite ongeschoold. De onderwijshervormingen van Thorbecke van 1862 hadden beter onderwijs voor meer burgers opgeleverd. De liberalen die hem opvolgden wilden dit onderwijsprogramma verder uitbreiden. Johannes Kappeyne van de Coppello, een prominente jurist en liberale parlementariër, vond het de taak van de staat om elke burger de kans te geven zijn talenten te ontwikkelen en de vruchten van de moderne samenleving te plukken. Nadat hij in 1877 leiding aan het kabinet gaf, handelde Kappeyne in deze geest en introduceerde wetgeving waardoor alle scholen de kwaliteit van het onderwijs moesten verhogen. Gemeenten werden financieel gecompenseerd om te investeren in de kwaliteitsverbetering van het onderwijs. Bijzondere scholen kregen deze steun niet, maar werden bij wet gedwongen om aan dezelfde hogere kwaliteitsstandaarden te voldoen als de openbare scholen.
Kappeynes hervormingen lijken misschien logisch en redelijk. Er waren ook nog maar weinig scholen op religieuze grondslag; van de 3800 basisscholen waren er bijvoorbeeld slechts tweehonderd orthodox-protestants. Maar ouders die zochten naar betaalbaar religieus onderwijs voor hun kinderen beschouwden deze wet als een aanval op hun religieuze overtuigingen. Hun wantrouwen had veel te maken met ontwikkelingen in de katholieke en protestantse wereld en hun relatie met de liberalen.
Nederlandse liberalen waren in die tijd niet zo militant antikatholiek als in andere delen van Europa; kloosters en conventen die door de Duitse en later ook de Franse regering werden gesloten, konden zich ongehinderd vestigen in Nederland. Maar veel Nederlandse liberalen geloofden in de opmars van wetenschap en vooruitgang. Zij wilden zich niet laten hinderen door reactionaire of religieuze krachten die deze vooruitgang in de weg zouden kunnen staan. Ze sympathiseerden met de pogingen van Bismarck om het Duitse katholicisme aan banden te leggen en probeerden opnieuw de katholieke processies te verbieden, wat soms resulteerde in confrontaties en arrestaties. Nederlandse katholieken stonden onder hoogspanning door de Italiaanse overname van de Pauselijke Staat in 1870. De gewapende strijd van de ongeveer 3200 Nederlandse katholieke Zoeaven, die een derde deel uitmaakten van het vrijwilligersleger van de paus, kon niet voorkomen dat de Italiaanse vorst het pauselijk grondgebied veroverde. Vanwege deze val van Rome en de vervolging van katholieken in omringende landen waren Nederlandse katholieken assertiever in het verdedigen van hun geloof in eigen land. Ze hadden het gevoel dat ze deel uitmaakten van een gigantische wereldwijde strijd, waarbij hun geloof in het geding was. Hun verzet kwam vooral tot uiting in het organiseren van openlijke processies. Voor gewone katholieken was het recht om processies te mogen houden waarschijnlijk belangrijker dan de toegang tot katholiek onderwijs. Maar voor katholieke gezagsdragers en politici stond onderwijs boven aan hun prioriteitenlijst, in een land en een wereld waar de krachten van het moderne ongeloof de overhand leken te krijgen.
Ook van de Nederlands hervormde kerk maakte zich een gevoel van onrust meester, hoewel het conflict daar vooral een interne aangelegenheid was. Omdat mannelijke leden stemrecht hadden verkregen bij de kerkenraadsverkiezingen, werd veel modernistische dominees het vuur aan de schenen gelegd door hun kerkenraden, die over het algemeen conservatiever waren. Een belangrijke orthodoxe vleugel binnen de kerk werd geleid door dominee Abraham Kuyper, een bekeerling van het modernisme. Gewantrouwd en gevreesd door zijn meedogenloze manier van optreden, was Kuyper wellicht de meest onverschrokken politicus van de moderne Nederlandse geschiedenis. Hij stichtte onder meer het gereformeerde dagblad De Standaard en de gereformeerde Vrije Universiteit. Hij geloofde dat het christendom alle delen van het leven zou moeten doordesemen en dat christelijke organisaties met dat doel behoorden te worden opgericht. Zijn overtuiging dat de kerk gezuiverd moest worden van modernistische ideeën, zou uiteindelijk in 1886 leiden tot een breuk met de Nederlands Hervormde Kerk, toen hij en een aantal Amsterdamse kerkenraadsleden uit het ambt werden gezet vanwege de weigering om catechisanten te accepteren die onderwezen waren door modernistische dominees. Een op de acht leden scheidde zich vervolgens af van de hervormde kerk in deze zogenaamde ‘Doleantie’ om zich te verenigen in de nieuwe Gereformeerde Kerken in Nederland. Geheel in de geest van Kuyper bestond deze nieuwe kerk uit leden die ijverig en sociaal betrokken waren, waardoor hun invloed in de maatschappij groter was dan hun aantallen deden vermoeden.
Maar in 1878 was de Doleantie nog toekomst en hadden veel orthodoxe protestanten zich verenigd in het verzet tegen de schoolwet. Toen het parlement de wet toch goedkeurde, werd een enorme actie opgezet om de koning via een volkspetitie te vragen om de wet niet te ondertekenen. Meer dan 470.000 burgers (twee derde protestant en een derde katholiek) tekenden de petitie. Dat zo veel mensen protest aantekenden laat zien dat de Nederlandse samenleving in politiek opzicht veel zelfbewuster was geworden. De koning bevond zich niet in de positie om implementatie van de wet te voorkomen, maar deze campagne bleek een belangrijke impuls voor uitbreiding van de organisatie en activiteiten van protestanten en katholieken. Onder Kuypers leiderschap richtten de orthodoxe protestanten de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op, die met een expliciet politiek programma de eerste moderne politieke partij was van het land.
De schoolwet van 1878 en de verhitte discussies veranderden de politiek in Nederland. De schoolwet lanceerde een debat dat bijna veertig jaar zou aanhouden over de vraag of de overheid religieuze scholen zou moeten subsidiëren. Dit debat staat nu bekend als de schoolstrijd. De meeste liberalen (en later ook de sociaaldemocraten) keerden zich tegen dergelijke subsidies, omdat ze vonden dat alle kinderen samen naar school zouden moeten gaan, ongeacht geloofsovertuiging. Maar de meeste katholieken en orthodoxe protestanten waren na 1878 tot de overtuiging gekomen dat de overheid alle scholen financiële steun moest geven, zodat ouders vrijheid hadden om voor hun kinderen het onderwijs te kiezen dat paste bij hun levensovertuiging. Het kabinet-Makay van 1888-1891, de eerste regeringscoalitie bestaande uit katholieken en antirevolutionairen, zorgde ervoor dat de overheid 30 procent betaalde van de exploitatiekosten van religieuze scholen. Maar daarmee was de schoolstrijd nog niet ten einde. In brede zin diende de schoolstrijd na 1878 als katalysator voor de organisatie van de Nederlandse politiek en samenleving op religieuze gronden. Katholieken en orthodoxe protestanten waren zichzelf al aan het verenigen en het debat rond de schoolstrijd gaf hun focus, zodat ze hun identiteit en doelen beter konden bepalen. Voor veel Nederlanders werd godsdienst meer dan ooit tevoren het ordenend principe in hun leven.

Debat over het stemrecht

Maar hoe belangrijk religie ook was, er waren andere dringende kwesties die eveneens de aandacht opeisten, zoals uitbreiding van het stemrecht. Liberalen vonden dat burgers aangemoedigd moesten worden om verantwoordelijkheid te nemen in het publieke leven. In 1869 namen ze een wet aan waarin arbeiders ruimte kregen om hun eigen organisaties op te richten. De weg werd daardoor vrijgemaakt voor de oprichting van vakbonden. Maar uitbreiding van het kiesrecht was een andere zaak. Tot de grondwetswijziging van 1887, waardoor het aantal kiesgerechtigden werd verdubbeld, had slechts ongeveer 12 procent van alle mannelijke burgers stemrecht. Net als in andere delen van Europa vonden ook veel Nederlandse liberalen dat stemrecht voorbehouden zou moeten blijven aan mensen die financieel zelfstandig waren, om er zeker van te zijn dat zij onafhankelijk hun stem konden uitbrengen. Bovendien wilden ze dat uitbreiding van het kiesrecht een geleidelijk proces zou zijn. Maar een belangrijk deel van de bevolking, aangemoedigd door een assertieve en populaire pers, wilde snellere veranderingen en maakte handhaving van deze traditionele overtuiging steeds moeilijker. ‘Het volk achter de kiezers’ – zoals Kuyper het zei – kon niet langer genegeerd worden. In het Nederland van het einde van de negentiende eeuw stonden aristocratische en democratische facties tegenover elkaar.
De scherpe verdeeldheid over het stemrecht werd vooral aan het begin van de jaren negentig zichtbaar, toen minister van Binnenlandse Zaken Johannes Tak van Poortvliet een uitbreiding voorstelde van het kiesrecht naar mannelijke burgers die konden lezen en schrijven. Zowel de antirevolutionairen als de liberalen waren intern verdeeld over dit voorstel, resulterend in een permanente versplintering van beide groepen. Het voorstel van Tak haalde het niet. In 1896 zou een minder verstrekkende wet de minimumeisen om te mogen stemmen toch versoepelen, waardoor ongeveer de helft van de mannelijke burgers kiesgerechtigd werd. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak had de toegenomen welvaart ervoor gezorgd dat ongeveer twee derde van de Nederlandse mannen kon stemmen. Achteraf gezien was het proces van uitbreiding van het kiesrecht in Nederland inderdaad net als in Groot-Brittannië een gradueel proces, in tegenstelling tot Frankrijk, waar de uitbreiding onder revolutionaire dreiging abrupt was verlopen. Deze ontwikkeling sloot waarschijnlijk goed aan bij de wensen van de politieke leiders van het land, die de voorkeur gaven aan een gedisciplineerd electoraat dat ontvankelijk was voor sturing van hogerhand. De uitbreiding ging sommigen niet snel genoeg, zoals de groeiende Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), die veel te winnen had bij het geven van stemrecht aan de minder vermogende arbeiders. Demonstraties waarin steun werd gevraagd voor universeel kiesrecht kwamen in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog regelmatig voor.

Aletta -jacobs
Net als veel Nederlandse progressieve hervormers in de negentiende eeuw was Aletta Jacobs geïnspireerd door Britse activisten, onder wie enkele suffragettes die ze als jonge arts had ontmoet.

Maar de uitbreiding van het kiesrecht in de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog strekte zich niet uit tot vrouwen. Integendeel, voor het eerst in de geschiedenis werd het vrouwen bij de wetswijziging in 1887 zelfs verboden om te stemmen. Deze bepaling was een reactie op de mislukte poging van Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts van Nederland, om in 1882 op de kieslijst voor de Amsterdamse gemeenteraad te komen. Als voorvechtster voor vrouwenrechten verzette ze zich tegen conventionele normen over vrouwenarbeid en moederschap. Ze streed voor vrouwenkiesrecht – ze vertrok in 1911 op een wereldreis om deze zaak te bepleiten – en was een van de eersten die zich aansloten bij de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht, die door Wilhelmina Drucker in 1894 werd opgericht. Drucker zou later nauwe banden ontwikkelen met het internationale socialisme om vrouwenrechten te bevorderen. Maar het vervlechten van socialisme en feminisme was controversieel. Voorstanders van vrouwenkiesrecht waren onderling verdeeld over de juiste politieke koers. Ook tijdens de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, gepland in 1898 om samen te vallen met de inhuldiging van de eerste Nederlandse koningin, Wilhelmina, kwamen onderhuidse spanningen tussen de organisatoren naar boven, waaronder verschillen in zienswijze tussen liberale en socialistische vrouwen over de rol van klasse in deze strijd voor vrouwenkiesrecht.
Daarnaast waren er verschillen in opvatting over de rol van vrouwen. Sommigen vonden dat vrouwen gelijke rechten moesten krijgen omdat zij mannen aanvulden en anderen juist omdat zij gelijk waren aan mannen. De steun voor vrouwenrechten was het sterkst onder links-liberalen en sociaaldemocraten. Ook waren er protestantse voorvechters, onder wie de doopsgezinde Anne Zernike, die als eerste vrouwelijke dominee werd geïnstalleerd in 1911. Maar het verzet van religieuze partijen en conservatieve liberalen voorkwam dat er al voor de oorlog een doorbraak kwam op het gebied van vrouwenstemrecht, zoals wel het geval was in Scandinavië. De Nederlandse voorstanders van vrouwenkiesrecht hanteerden een ingetogen politieke stijl vergeleken met de strijdlustige Engelse en Amerikaanse suffragettes.

 

© 2016 James C. Kennedy
© 2017 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Simone Kennedy-Doornbos

MINDBOOKSATH : athenaeum