Leesfragment: Een zachte hand

14 augustus 2017 , door Leïla Slimani
|

Deze maand verschijnt Leïla Slimani's Een zachte hand, Gertrud Maes' vertaling van Chanson douce, waarvoor Slimani vorig jaar de Prix Goncourt won. Lees bij ons alvast een fragment.

Myriam is moeder van twee kinderen en wil haar baan als advocaat hervatten. Ondanks de bezwaren van haar man gaat ze op zoek naar een nanny. Na een intensieve zoektocht vinden ze in Louise de perfecte oppas, die al snel de harten van de kinderen verovert en een vaste plek inneemt in het gezin. Louise nestelt zich steeds dieper in het huishouden, maar begint ook vreemde trekjes te vertonen. Het benauwt Myriam, maar ze sust haar gevoel van onbehagen. Als ze uiteindelijk doorheeft wat Louise drijft, is het te laat. Een zachte hand is een eigentijds, sociaal drama, met haarscherpe psychologische portretten en een huiveringwekkend plot.

N.B. Lees ook onze bespreking van Chanson douce door Arjen van Meijgaard.

 

De baby is dood. Er waren maar een paar seconden voor nodig geweest. Volgens de dokter had het jongetje niet geleden. Ze hebben hem in een grijze hoes gelegd en de rits dichtgetrokken over het verminkte lichaampje dat tussen het speelgoed had gedreven. Toen de hulpdiensten arriveerden, leefde het kleine meisje nog. Ze heeft gevochten als een leeuw. Er zijn sporen van een worsteling gevonden, stukjes huid onder haar weke nagels. In de ambulance die haar naar het ziekenhuis bracht was ze onrustig en schokte ze door de spasmen. Met uitpuilende ogen leek ze naar lucht te happen. Haar keel zat vol bloed. Haar longen waren geperforeerd en haar hoofd was hard in botsing gekomen met de blauwe ladekast.
De plaats delict is gefotografeerd. De politie heeft vingerafdrukken genomen en de badkamer en de kinderkamer opgemeten. Het mooie vloerkleed was doordrenkt met bloed. De aankleedtafel lag half omver. Het speelgoed werd meegenomen in verzegelde, doorzichtige zakken. Zelfs de blauwe ladekast zal later een rol spelen in het proces.
De moeder was in shock. Dat zei de brandweer, herhaalde de politie en noteerden de journalisten. Toen ze de kamer binnenkwam waar haar kinderen lagen, heeft ze een schreeuw gegeven, een schreeuw uit de diepte, het gehuil van een wolvin. De muren trilden ervan. Die dag in mei werd een zwarte dag. Ze heeft overgegeven, en zo vond de politie haar, met bevuilde kleren, op haar hurken in de kamer, schokkend van de hik. Ze schreeuwde haar longen uit haar lijf. De ambulancebroeder knikte onmerkbaar, ze hesen haar overeind, ondanks haar verzet en schoppende benen. Langzaam trokken ze haar omhoog, waarna de jonge co-assistent van het traumateam haar een kalmerend middel toediende. Het was zijn eerste stagemaand.
De andere vrouw heeft hij ook moeten redden. Even professioneel en even objectief. Zelf sterven was haar niet gelukt. Doden wel. Ze had haar beide polsen doorgesneden en het mes in haar keel gestoken. Bewusteloos lag ze op de grond, naast het kinderbedje. Ze zetten haar overeind en namen haar hartslag en bloeddruk op. Daarna legden ze haar op de brancard en de jonge stagiair bleef met een hand op haar hals drukken.
Beneden hebben de buren zich inmiddels verzameld voor het gebouw. Er staan vooral vrouwen. Het is bijna tijd om de kinderen van school te gaan halen. Met gezwollen ogen van het huilen kijken ze naar de ambulance. Ze huilen en willen weten wat er aan de hand is. Ze gaan op hun tenen staan. Proberen te zien wat er gaande is achter het politielint en in de ziekenwagen die met loeiende sirene optrekt. Ze fluisteren elkaar nieuwe feiten in het oor. Het gerucht doet al de ronde. Er is iets ergs gebeurd met de kinderen.
Het is een mooi pand, in de rue d’Hauteville, in het tiende arrondissement. Een pand waar de buren elkaar hartelijk groeten, zonder elkaar verder te kennen. Het appartement van de familie Massé bevindt zich op de vijfde verdieping. Het is het kleinste appartement van het complex. Bij de geboorte van hun tweede kind hebben Paul en Myriam in de woonkamer een scheidingswand laten optrekken. Ze slapen in een piepklein kamertje, tussen de keuken en het raam aan de straatkant. Myriam houdt van vintage meubels en berberkleden. Aan de muur heeft ze Japanse prenten hangen.
Vandaag is ze expres vroeger thuisgekomen. Ze bekortte een vergadering en stelde de bestudering van een dossier uit tot de volgende dag. Zittend op het klapstoeltje, in het metrostel van lijn 7, zei ze bij zichzelf dat ze de kinderen ging verrassen. Toen ze arriveerde, ging ze bij de bakker langs. Ze kocht een stokbrood, een toetje voor de kinderen en een sinaasappelcakeje voor de oppas. Die vindt dat zo lekker.
Ze was van plan met ze naar de draaimolen te gaan. En daarna zouden ze met elkaar boodschappen doen voor het avondeten. Mila zou een speeltje eisen, Adam zou in zijn wandelwagen zitten sabbelen op een hompje brood.
Adam is dood. Mila gaat het niet redden.

 

 

‘Geen illegaal, zijn we het daarover eens? Voor de werkster of de schilder stoort me dat niet. Die mensen moeten ook werken, maar om op de kinderen te passen is het te riskant. Ik wil niet iemand die bang is om de politie te bellen of naar het ziekenhuis te gaan als er een probleem is. En verder niet te oud, geen hoofddoek en geen rookster. Wat ik belangrijk vind is dat ze actief en beschikbaar is. Dat zij werkt zodat wij kunnen werken.’
Paul heeft alles voorbereid. Hij heeft een vragenlijst opgesteld en per gesprek een half uur gepland. Ze hebben hun zaterdagmiddag vrijgehouden om een nanny voor de kinderen te vinden.
Een paar dagen eerder, toen Myriam het met haar vriendin Emma had over hun zoektocht, beklaagde die zich over de vrouw die op haar jongens paste. ‘Mijn oppas heeft hier twee zoons, daarom kan ze nooit later blijven of ’s avonds babysitten. Dat is echt onhandig. Hou dat in je achterhoofd bij de gesprekken. Als ze kinderen heeft, kunnen die beter zitten in het land waar ze vandaan komt.’ Myriam had haar bedankt voor het advies. Maar eigenlijk had ze Emma’s betoog beschamend gevonden. Als een werkgever op die manier over haar of een van hun andere vriendinnen had gepraat, zouden ze moord en brand hebben geschreeuwd over discriminatie. Het idee dat een vrouw werd afgewezen omdat ze kinderen had, vond ze verschrikkelijk. Met Paul begint ze liever niet over het onderwerp. Haar man is net als Emma. Een pragmaticus, die zijn gezin en zijn werk vooropstelt.
Vanochtend hebben ze met z’n vieren, als gezinnetje, inkopen gedaan. Mila op Pauls nek en Adam slapend in zijn kinderwagen. Ze hebben bloemen gekocht en nu ruimen ze het appartement op. Ze willen graag een goed figuur slaan tegenover de nanny’s die straks langskomen. Dus verzamelen ze de boeken en tijdschriften die overal op de vloer slingeren, zelfs onder hun bed en in de badkamer. Paul vraagt Mila haar speelgoed op te bergen in grote plastic bakken. Jengelend weigert het meisje en uiteindelijk stapelt hij het zelf maar op tegen de muur. De kleren van de kinderen vouwen ze op en ze verschonen de bedden. Ze soppen, gooien weg en proberen verbeten hun benauwde appartement te luchten. Ze willen dat de vrouwen zien dat ze geschikte mensen zijn, serieuze, ordelijke mensen, die proberen hun kinderen het allerbeste te geven. Dat ze begrijpen wie er de baas is.
Mila en Adam doen hun middagslaapje. Myriam en Paul zitten op de rand van hun bed. Bezorgd en opgelaten. Ze hebben hun kinderen nog nooit aan iemand anders toevertrouwd. Myriam was bezig met de laatste loodjes van haar rechtenstudie toen ze zwanger werd van Mila. Twee weken voor de bevalling kreeg ze haar bul. Paul deed de ene stage na de andere, vol van het optimisme waar Myriam voor was gevallen toen ze hem leerde kennen. Hij was ervan overtuigd dat hij voor twee kon werken. Er zeker van dat hij carrière zou maken in de muziekproductie, ondanks de crisis en de bezuinigingen.

[...]

 

© 2016 Éditions Gallimard
© 2017 Nederlandse vertaling Gertrud Maes / Nieuw Amsterdam

MINDBOOKSATH : athenaeum