Leesfragment: Eerste familie

20 juni 2017 , door Pietro Valsecchi
|

Vorige week verscheen Pietro Valsecchi's roman Eerste familie (Prima famiglia, in de vertaling van Philip Supèr). Wij brengen een uitgebreid fragment.

Eerste familie is de epische familiegeschiedenis van een Siciliaans gezin in New York dat door de maffia uit elkaar dreigt te vallen.
Het gezin Palermo emigreert omstreeks 1900 van Sicilië naar New York, in de hoop op een betere toekomst. In de wijk Little Italy proberen vader Luigi en moeder Carmela een eerzaam bestaan op te bouwen, maar aan de greep van de maffia is nauwelijks te ontkomen. Wie geen beschermingsgeld betaalt, wordt geruïneerd of vermoord. In dit klimaat van armoede en afpersing groeien de kinderen van Luigi en Carmela op. Eerste familie is het verhaal van de weg die de kinderen gaan en de pogingen van Carmela om het gezin bij elkaar te houden.

Centraal staat de strijd tussen de oudste zoon Frank, een eerlijke politieagent, en zijn jongere broer Sal, een ambitieuze crimineel. Wanneer Sal de plaats wil innemen van een maffiabaas, zet hij daarmee zijn leven op het spel. De enige die hem nog kan redden is Frank, maar het is de vraag of die dat wil. Komt familie altijd op de eerste plaats?

 

Proloog

Wat maakt het uit dat de lucht donkergrijs is nu, en dat de straten stoffiger zijn dan normaal, en dat er steeds maar een eigenaardig gebeier van kerkklokken te horen is. Tony Palermo haast zich voort tussen zandzakken en kapotte muren, om hem heen een kakofonie van knallen, gefluit en saloonkreten. Hij springt over een gat, over een hoop touw, over de verse stront van een paard dat door een cowboy aan de teugel wordt gehouden. ‘Hé, weg daar!’ roept iemand tegen hem. Meteen wordt er een schot gelost, in een hooiberg ontvlamt een nepbrand. Hij drukt zich plat tegen een muur om vier galopperende runderen doorgang te verlenen. Dit is Hollywood, jongen, zegt hij bij zichzelf. En ofschoon het de vijfde keer is dat hij deze route volgt – die steeds een andere sfeer heeft, al naargelang er een western of een musical wordt opgenomen – vergeet hij even zijn nervositeit en geniet hij weer van de entourage.
Hollywood! Hoe graag zou hij erbij horen, iemand worden die echt een film mag maken. Zomaar even opdracht geven voor een brand of een schietpartij, zelfs kunnen bepalen wat voor weer het moet zijn. Naar het verleden terug kunnen gaan of juist naar de toekomst en reizen in het heelal. Daarom houdt hij de grote envelop die hij bij zich heeft zo goed vast. Zijn handen zweten, zijn hart bonkt, maar dat maakt niet uit. Doorzetten, Tony, doorzetten!
Hij herinnert zich nog de eerste keer dat hij hier was en per ongeluk in botsing kwam met een man met een potlood achter zijn oor en het uiterlijk van een boekhouder. ‘Hé, kijk uit waar je loopt!’ snauwde die tegen hem. Maar toen hij zag dat Tony benauwd om zich heen keek, zei hij: ‘Waar moet je zijn?’ Tony liet zijn envelop zien. ‘Ik moet dit afgeven bij meneer Warner, de producent,’ antwoordde hij. De man grinnikte en nam hem van top tot teen op: linnen broek, geruit overhemd, colbertje met een lelietje op de borstzak genaaid. Kleren uit een goedkoop warenhuis. De man stak zijn arm uit en wees naar links. ‘Zie je die rode trap? Het is het derde gebouw na die trap.’
Natuurlijk had de producent hem niet ontvangen. En toen Tony eind maart opnieuw verscheen, hadden ze hem weggestuurd omdat de grote baas in Miami zat. Twee weken later kreeg hij te horen dat meneer Warner die middag niemand kon ontvangen. Twee dagen later dan maar weer een nieuwe poging. Maar het vermoeide ‘Bent u er nou alweer…?’ waarmee de secretaresse hem begroette, beloofde niet veel goeds. En inderdaad, meneer Warner bleek het te druk te hebben. Waarmee? Zinloos om dat te vragen. En toen was hij er opnieuw heen gegaan en had hij gezien hoe een klein ergernisje een grote ergernis kan worden, om daarna méér dan een ergernis te worden, met standaardantwoorden, lachjes als van een boer met kiespijn en korzelig vertrokken lippen.
Maar vandaag is hij er gewoon weer. Hij komt bij de trap, loopt verder langs de eerste studio, dan de tweede. De derde heeft een gammele deur met verfspatten. Op het bordje, dat hij inmiddels kan dromen, staat: WARNER BROS. ENTERTAINMENT.
De eerste keer dat hij die deur zag was hij verbaasd, hij had heel wat anders verwacht. Hij was naar binnen gegaan en een gang in gelopen die stonk naar lijm en pis, waar hij was gestruikeld over een houten driewieler. Hoewel hij dacht dat hij zich moest hebben vergist, was hij toch doorgelopen. Altijd doorzetten, Tony, had hij van zijn vader geleerd, altijd. Achter in de gang was nog een deur, en daarachter – kijk nou toch ’s! – een andere wereld.

Deze ochtend is hij nerveuzer dan ooit. In de bezoekersruimte die hij binnenstapt, verspreidt een geheel kristallen luchter een hel licht. Hij kijkt even verstrooid naar de fluwelen fauteuils, de tafeltjes, de schilderijen met afbeeldingen van een stormachtige zee. De secretaresse bekijkt hem alsof ze hem voor het eerst voor zich ziet. ‘U bent meneer…?’ vraagt ze.
‘Palermo.’
‘Heeft u een afspraak?’ Met haar lichtblauwe ogen kijkt ze hem op een nare manier aan, en omdat hij geen antwoord geeft vraagt ze het nog een keer, alsof ze met een zwakzinnige te maken heeft: ‘Heeft u een afspraak?’
‘Nee.’
‘Dan spijt het me voor u, meneer Paterno…’
‘Palermo.’
De blonde vrouw vertrekt haar mond tot iets wat een glimlach moet voorstellen. ‘Het spijt me,’ zeg ze weer, ‘maar meneer Warner ontvangt alleen op afspraak.’
‘Ik moet hem spreken.’
De secretaresse zucht, waardoor haar borsten, die haar decolleté ternauwernood gevangen weet te houden, nog groter worden. ‘Iederéén moet hem spreken.’
‘Ik moet hem spreken!’ Hij schrikt zelf van hoe hij schreeuwt. De woorden worden uit zijn keel gespoten door de woede over de vier eerdere, mislukte pogingen. Even is het dametje van haar stuk gebracht.
Een deur vliegt open. ‘Wat gebeurt hier?’
Tony draait zich om. Hij ziet een lange man, slank, zwart snorretje, kalend, verfomfaaid colbert. Jack Warner in eigen persoon. De jongen keert de secretaresse zijn rug toe en gaat voor Warner staan. ‘Ik heb een verhaal,’ stamelt hij, ‘en…’
En dat was het.
Hij had een heel betoog voorbereid: de grote lijnen van dat verhaal, de geschiktheid ervan voor een filmbewerking, de aantrekkelijkheid ervan voor het publiek, kortom een film waarvoor zelfs blinden onmiddellijk een kaartje zouden kopen. Jammer dan dat hij nu geen stom woord uit zijn mond krijgt. Het ligt allemaal op zijn lippen, maar daar blijft het dan ook.
Warner balt zijn handen tot vuisten. Hij is kwaad en laat dat duidelijk zien. Maar omdat hij nu toch al hier is, blaft hij: ‘Wat voor verhaal?’ Hij neemt de jongen eens goed op: lang, goed gebouwd, donkere ogen. Wel een interessant type, vindt hij. En vooral bevlogen. Gepassioneerd zelfs.
‘Het verhaal van mijn familie.’
De producent laat een gemeen lachje schallen. ‘Kom jij me hier nou een beetje aan m’n kop zeuren omdat je me het verhaal van je familie wilt slijten?’
‘Zo is het, meneer,’ antwoordt Tony.
Warner kijkt hem verbijsterd aan. Zo’n irritant naïef kereltje heeft hij nog nooit meegemaakt. ‘En waarom,’ vraagt hij smalend, ‘zou het verhaal van jouw familie mij dan wel moeten interesseren?’
‘Omdat het een verhaal is over het leven en de dood,’ zegt Tony verbeten.
‘Gelul! Leven doen we allemaal, en doodgaan ook.’
‘Het is ook een verhaal over wraak.’
‘Doet me niks.’
‘En over eer. En over respect. En over jezelf te grabbel gooien. En over verdriet…’ Zijn stem stokt. Kom op, Tony Palermo, laat je nou niet naaien door je eigen gevoelens, zegt hij tegen zichzelf. Op hetzelfde moment glijdt de envelop uit zijn vingers en valt op de grond. De blaadjes komen her en der op het tapijt terecht. Potverdomme! Meteen bukt hij zich om ze bijeen te rapen.
Wat ben jij een vreemde snuiter, denkt Warner. Toch is er iets in de zorgvuldigheid, in de tederheid waarmee de jongen de papieren oppakt wat hem intrigeert.
‘Nou,’ zegt hij kortaf, ‘waar gaat die film van jou nog meer over?’ Hij kijkt naar Tony’s handen: vol kloven en eelt, niet de fijne beringde vingertjes die je ziet bij schrijvertjes van niks die na een zuippartij gapend gaan zitten wachten tot ze weer eens inspiratie krijgen. Nee, deze hier was van een ander kaliber…
‘Het is het verhaal van mijn familie,’ zegt de jongen opnieuw.
‘Ik heb geen belangstelling voor familieverhalen,’ repliceert de producent afgemeten.
‘Ook niet voor dat van een beroemde maffiafamilie in New York?’
Warner staat stil en draait zich langzaam weer om. ‘Wat zei je daar?’
‘Dat mijn verhaal gaat over misdaad, meneer, over de maffia.’
Meteen maakt de verstoordheid op het gezicht van de producent plaats voor interesse.
Tony ziet het. ‘Het is het verhaal van de familie Palermo,’ zegt hij.
‘Salvatore Palermo?’ vraagt Warner ongelovig. ‘Die boss?’
‘Dat is mijn broer,’ zegt de jongen. En omdat Warner blijft zwijgen, voegt hij eraan toe: ‘Het wordt een prachtige film. Dat zweer ik u.’

 

Oorspronkelijke titel Prima famiglia
© 2015 Mondadori Libri S.p.A., Milaan
© 2017 Nederlandse vertaling Philip Supèr / Uitgeverij Wereldbibliotheek

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum