Leesfragment: Eindeloos eiland

05 september 2017 , door Huub Beurskens
|

Huub Beurskens' roman Eindeloos eiland staat op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2017. Op Athenaeum.nl leest u een fragment uit het boek.

Het ene verhaal is nog niet ten einde of het volgende is al begonnen.
Een bedrogen echtgenoot zoekt soelaas in een hotelkamer in Rome. De verteller zelf komt erachter als kind op Samos Camus te hebben ontmoet. Iemand wordt hoopvol aangeklampt door duizenden die hij ooit maar even zag. Een hond leeft veel langer dan voor mogelijk wordt gehouden. Een jongen wil blinde worden in Marrakesh. Een zielsgelukkige leraar trouwt met een zielsgelukkige pornoactrice. Een 'allerbeste vriend' raakt juist van streek wanneer blijkt dat hij niet de enige ter wereld is die de liefde bedrijft. En zo is er nog veel meer voordat de verteller zichzelf in veiligheid probeert te brengen met de allerlaatste vlucht naar een 'Portugalachtig' eiland.

De fenomenaal gecomponeerde roman Eindeloos eiland gaat over het verlangen naar liefde en vriendschap, en vooral over de pogingen tegen beter weten in om dit liefst wederzijdse verlangen in stand te houden, terwijl de mensheid er onstuitbaar mee doorgaat van een mogelijk aards paradijs een inferno te maken.

 

Wie het grootste deel van zijn inmiddels zestigjarige leven had doorgebracht in een dichtbevolkte negentiende-eeuwse stadswijk en daar al heel veel jaren in een hoekpand woonde, met zijn slaapkamerraam aan een straatzijde, werd niet gauw wakker van het slaan van autodeuren in de nacht, van het gelal van naar huis kerende cafébezoekers, van gesprekken op de stoep in een vreemde taal, van het sjorren en trekken van een morgenster tussen afgedankt huisraad, van de geluiden van een vuilniswagen in de vroege ochtend of het gesnerp van een tram in de bocht om het park een paar straten verderop.

Toch was Van Rossum van iets op straat wakker geworden. Hij luisterde, met een oog dicht en het andere op de drie wazige cijfers van zijn wekker. Niets.
Door de kier tussen de overgordijnen gluurde weliswaar al daglicht, maar hij hoefde niet naar het toilet en het was zondagsvroeg genoeg om te proberen de slaap te hervatten. Wat niet lukte, want opnieuw moest hij luisteren. Juist omdat er schijnbaar helemaal niets te horen was.
Schijnbaar, want er leek een dikke, wattige stilte te hangen, daar achter de gordijnen, tegen de buitenkant van het raam, een tot zwijgen onderdrukt geroezemoes dat de straat vulde.
Van Rossum priemde een wrikkende vinger in zijn oor.
Nee, dat zat niet dicht. Hij hoorde zelfs het schuiven van zijn onderarm over het dekbed en het bewegen van zijn voeten in hun warme, duistere diepte.
Hij pakte zijn bril van het nachtkastje en stond op.
Het tafereel dat hij zag toen hij de kier tussen de overgordijnen verbreedde, vervulde hem op slag met verbijstering.
Had hij geen bril op gehad, dan had hij zich de ogen uitgewreven, want dan zou het in al zijn evidentie en helderheid niets anders hebben kunnen zijn dan een droombeeld en waarschijnlijk had de bril daarbij op het nachtkastje en Van Rossum gewoon op een zij onder zijn donzen dekbed gelegen.

De complete kruising en de hele straat, voor zover hij die kon zien, stond volgepakt met mensen, schouder aan schouder, buik aan rug, groot en klein, oud en jong, man en vrouw, een en al mensen, hem volstrekt onbekende mensen.
En allen stonden ze met hun gezicht, zo leek het, gekeerd naar zijn woning, dat wil zeggen, naar waar de voordeur van zijn woning moest zijn. Zwijgend. Afwachtend, zo leek het ook.
Totdat een van hen blijkbaar het bewegen van zijn slaapkamergordijn had opgemerkt en ernaar wees, waarop hier en daar iemand eveneens wees en allen hun blik naar de gordijnkier draaiden, stom, nog altijd volkomen stom, maar verwachtingsvol, duidelijk verwachtingsvol zoals van hun gezichten viel af te lezen.
Van Rossum trok de ene helft van het gordijn sluitend over de andere. Vlug kleedde hij zich aan en schoof hij in zijn instappers.
Dit kon alleen maar een groot misverstand zijn.
Ongetwijfeld hield men hem voor een ander, voor een beroemdheid van wie men aannam dat die hier woonde of logeerde, iemand die iets belangwekkends had verricht, die een vrijmoedige, baanbrekende uitspraak had gedaan bijvoorbeeld, of als winnaar was geëindigd in een populaire televisiequiz waar hij nooit naar keek.
Maar zo veel mensen?
Zwijgende mensen?
Zonder spandoeken, fototoestellen of fansjaals?
Of hadden ze zich verzameld voor een van zijn naaste buren? Wat deed de man op eenhoog bijvoorbeeld? Iets bij een bank. Nee, dat zou het toch ook niet kunnen zijn...
Voor de vestibulespiegel streek Van Rossum vluchtig met beide handen naar achter door zijn haar. Hij merkte aan zijn hartslag en het holle gevoel in zijn draaiende maag dat hij er niet gerust op was toen hij de voordeur van het nachtslot deed om open te doen.
Onmiddellijk stond hij met iemand oog in oog.
‘Herkent u me?’
De man had het gevraagd met een vanzelfsprekende glimlach of met een glimlach van vanzelfsprekendheid.
Van Rossum liet vluchtig zijn blik over het gezicht van de man gaan. Geen onsympathiek gezicht, vond hij.
Het was iemand van zijn eigen leeftijd, maar met al heel wat minder haargroei op zijn schedel.
‘Maastricht...?’
De man had het aarzelend maar toch dwingend gevraagd.
Van Rossum keek hem niet-begrijpend aan.
‘Maastricht,’ zei de man, nu met nadruk, ‘zaterdagmiddag 31 juli 1999, het was een onbewolkte, bijzonder warme dag, op een van de drukke terrassen aan het Vrijthof!’
Van Rossum fronste zijn wenkbrauwen tot tegen de bovenrand van zijn brilmontuur.
‘Ik zat aan het tafeltje naast u,’ vervolgde de man met een stem waarin iets van wanhoop begon door te klinken, ‘we raakten met elkaar aan de praat, u en ik...’
Van Rossum drukte zijn onderlip opwaarts, waardoor zijn mondhoeken tegelijkertijd naar beneden trokken, en schudde zijn hoofd.
‘Maar we hadden het over Sint Servaas,’ insisteerde de man met een schorre fluisterstem. ‘Wel een kwartier lang. Over 0f hij van Armeense afkomst zou zijn geweest en dat hij in Tongeren in het Grieks had gepreekt, maar door iedereen werd verstaan. Ik dronk witbier, Wieckse Witte!’
Het laatste klonk eerder als een smeekbede dan als een informatieve mededeling.
‘Het spijt me,’ zei Van Rossum, ‘ik weet echt niet wat en wie u bent. Ik herinner me u totaal niet. Hoe kan dat ook bij zoiets futiels en van zo lang geleden!’
De man sloeg beide handen voor zijn gezicht.
Van Rossum had de indruk dat het gezicht daardoor niet slechts schijnbaar en tijdelijk, maar voor altijd verdween.
Tijd om nog eens goed te kijken werd hem niet gegund.
‘Herken je mij?’
Nu was het een al wat oudere vrouw die het vroeg. Met een opgewekte stem. Ze tutoyeerde hem dus.
Van Rossum wist niets anders te doen dan zijn schouders op te halen.
‘Ach, kom,’ zei ze bemoedigend, ‘natuurlijk wel! Kijk eens goed. We zijn uiteraard allebei een jaartje ouder geworden...’
Ze lachte. Een premolaar bovenin was van goud, maar was er iets in haar gelaat wat hem op een spoor kon zetten?
De welving van haar neus? De kleur of de stand van haar ogen? Een trek van een mondhoek? Een moedervlekje?
Zijn schouders schokten opnieuw, als vanzelf.
‘Ik zal je een hint geven,’ zei ze grootmoedig, ‘wedden dat het je dan te binnen schiet?
Ik was zestien, jij achttien. Ik was vriendin met het meisje op wie jij verliefd was geworden in ons café, De Engel.’
Ze keek Van Rossum tussendoor onderzoekend aan.
‘We hadden het heus wel in de gaten, maar je was nogal verlegen en dus sprak je juist niet haar maar mij aan. Ik vond je wel een aantrekkelijke en sympathieke jongen. Een paar weken lang ben je er gekomen, toen zagen we je niet meer terug.’
‘Vaag,’ antwoordde Van Rossum, ‘heel vaag meen ik me iets van een café met die naam te herinneren. Waar was dat ook alweer? Maar het uiterlijk van dat meisje...? Ach, de vluchtigheid van zulke jeugdverliefdheden, hè! En uzelf...? Ik heb werkelijk geen flauw idee, mevrouw.’
Tussen de man en de vrouw die allebei met de handen voor hun gezicht geslagen stonden, drong zich een derde persoon, die zich aandiende met een identieke vraag, maar dit keer in het Italiaans:
Ti ricordi di me?
Een jaar of drieëntwintig. Zwart pagekapsel dat Van Rossum aan de Franse zangeres Mireille Mathieu deed denken. Ze vervolgde haar vraag met een tweede in gebrekkig Engels. Of hij verleden voorjaar Firenze had bezocht, wilde ze weten.
Van Rossum kon antwoorden met een knik.
En of hij daar in Ristorante Dino had gegeten?
Het zou inderdaad kunnen dat een van de restaurants zo had geheten, ja.
Cinghiale in Dolceforte?
Hoe het gerecht precies heette wist hij niet meer, maar apart en lekker was het zeker. Wild zwijn in chocoladesaus. Nou en?
Dat zij hem toen had bediend, zei ze stralend. Ze had hem er Brunello di Montalcino bij ingeschonken. En naderhand een goede grappa van het huis.
Ti ricordi di me?
Het was bijna met smart dat Van Rossum wederom zijn hoofd moest schudden. In tegenstelling tot de andere twee was deze ongehuwd, veronderstelde hij, ze droeg althans geen trouwring.
‘Weet je wie ik ben?’
Van Rossum bezag en bedacht wie zich allemaal nog met deze vraag in variaties bij hem wilden aandienen.
Niemand, voor zover hij dat al vanuit zijn positie in de deuropening kon overzien, die hij dacht te zullen herkennen.
Helemaal niemand? Zou er niet hier en daar in de menigte, of ook maar op één plek, ergens iemand staan te wachten die hij weliswaar niet snikkend om de hals zou kunnen vallen, maar tegenover wie er bij hem toch opeens iets begon te dagen, iets van een ‘O ja, toen en daar, inderdaad’ en... ‘O, dat was ú dus!’
‘... leende ik je mijn collegeaantekeningen en...’
Hij leed bepaald niet aan dementia praecox, vond hij van zichzelf, maar wie herinnerde zich na een paar dagen de caissière van een fastfoodrestaurant of supermarkt, tenzij je
er al weken dagelijks kwam terwijl zij er dagelijks zat, of tenzij ze stuitend mismaakt of een overweldigende beauty was? Maar welke filiaalchef zette een gedrocht achter de kassa en welke catwalkpoes wilde bij zo’n handtastelijke chef in dienst?
‘... mei 1976. Je droeg meestal een kort ribjasje en ikzelf een spijkerbroek met
bell bottoms...’
Van Rossum schudde maar weer zijn hoofd.
En hij bleef zijn hoofd maar schudden.
Gezicht na gezicht verdween achter telkens een paar in wanhoop ervoor geslagen handen.
‘... amper vijf weken geleden. Mijn tas was van mijn fiets gevallen en u hielp me...’
‘Was dat in de Linnaeusstraat?’
De persoon in kwestie herhaalde verwachtingsvol het lidwoord en de straatnaam.
‘De gescheurde plastic boodschappentas, de kleur ervan, blauw, de eruit gerolde sinaasappels en de kapot gevallen glazen pot appelmoes op de tegels van het fietspad, dat herinner ik me allemaal,’ zei hij, ‘maar uzelf...? Nee, het spijt me, het spijt me oprecht.’
Waarom baanden zich door de menigte geen vrienden een weg naar voren, om hem te ontzetten of anderszins bij te staan? Niet dat hij zo veel vrienden had, maar hij meende toch te mogen rekenen op een tweetal dat deze betiteling leek te hebben verdiend. Of anders op een paar verre familieleden, een verre neef of een achternicht.
Erinnerst du dich an mich?
Als hij het eens andersom probeerde, door simpelweg ‘Ja’ te zeggen?
Natuurlijk! Daar vroegen ze gewoonweg om, dat wilden ze alleen maar horen, daar waren ze op uit!
Aber selbstverständlich, gnädige Frau!
En of hij dan ook wist van waar en wanneer, wilde ze vervolgens o zo graag weten...
En daar ging hij weer, dat wil zeggen, daar liet hij alweer een gezicht verdwijnen, als in een eeuwige verdoemenis...
‘Herkent u me?’
‘U mij blijkbaar wel...’
Misschien lukte het hem op die toer om het patroon te doorbreken?
‘Zou ik het u anders vragen? Denkt u dat ik een willekeurig iemand, een persoon die ik niet eerder in mijn leven had gezien, zoiets zou vragen? Ziet u me soms aan voor iemand die niet goed bij zijn hoofd is?’
‘Nee, excuseer,  dat was allerminst mijn bedoeling. Ik vroeg me alleen af wanneer en hoe u mij dan...’
‘U zat tijdens een vergadering schuin tegenover me en we lieten elkaar voortdurend via verholen handbewegingen, houdingen en mimiek weten hoe stomvervelend we het vonden, tot lachens toe, zodat we zelfs door de voorzitter tot de orde moesten worden geroepen. De herfstregen geselde de ramen achter u...’
‘Was dat in Leiden?’ vroeg Van Rossum.
‘Nee, in Haarlem.’
‘Het spijt me oprecht...’

Van Rossum was ongemerkt verwijderd geraakt van zijn voordeur, als het ware peristaltisch opgenomen door de verwachtingsvollen en tegelijkertijd achter de ruggen van de ontgoochelden verder gedrukt.
Hoe lang kon of moest dat duren?
Dit was toch je reinste waanzin, dacht hij.
Al die duizenden, misschien zelfs vele honderdduizenden die je in zo’n jaar of zestig jaar ontmoet, als dat al het juiste woord was... En zeker als je rekening hield met de inmiddels overledenen, die gelukkig niet van de partij leken te zijn.
De ene had je nog vluchtiger waargenomen dan de andere, met wie je een paar blikken had gewisseld, of een paar blikken met enkele woorden erbij, bagatellen, wissewasjes, niet waard om onthouden te worden.
Ja, uiteraard was elk individu op zich even waardevol geweest, zou de ene net zo goed als de andere zijn leven een andere wending hebben kunnen geven, zelfs op slag en had in principe geen van hen tot de menigte anoniemen hoeven behoren waartoe hij of zij nu behoorde, er door hem toe veroordeeld als een wreed richtende god, zo leek het bijkans...
‘... ik was behoorlijk kwaad op u, weet u dat? Omdat u...’
‘Nee, nee.’
Maar het kon toch niet zo zijn dat al die duizenden en duizenden die hij niet herkende, zich hem wél herinnerden?
‘... en toen gaf u het me terug met de woorden...’
‘Sorry.’
Stel dat hij, omgekeerd, die man van lang geleden op het Maastrichtse terras zou hebben weten op te sporen, al was het niet te verzinnen hoe, en dat hij bij hem had aangebeld, dan zou die, omgekeerd, hem toch ook niet hebben herkend?
En als hij bijvoorbeeld een van de volgende dagen terug zou keren naar dat restaurant in Florence, dan zou die ene serveerster zich toch ook niet meer herinneren dat een man die sprekend op hem leek er maanden geleden wild zwijn in chocoladesaus had gegeten, met een flesje hoe heette die wijn ook alweer erbij?
Hij had bij zijn weten die avond geen saus over zijn broek gemorst, geen glas wijn omgestoten, geen luide boeren of stinkende scheten gelaten, niet een hand op een van haar billen gelegd, hij was hulpbehoevend noch stoer en leek niet op welke filmheld of popster dan ook.
Dit, die, al deze van zijn herkenning en daarmee erkenning afhankelijke wezens konden niets anders zijn dan verouderde en almaar met hem synchroon verouderende wederhelften van oppervlakkige ontmoetingen en vluchtige wederzijdse waarnemingen...
De serveerster zelf, om het zo inaccuraat en ontoereikend uit te drukken, zou op ditzelfde moment, na een drukke zaterdagavond, hoogstwaarschijnlijk nog in Toscaans dromenland liggen, wie weet in de armen van een viriele jongeman met een zwart behaarde borst...
‘... een onweersvliegje in mijn oog. Mijn mascara was...’
Wat was Van Rossum schrikbarend veel vergeten en kwijtgeraakt, hij die altijd van zichzelf had gemeend een uitzonderlijk zwak te hebben voor juist vluchtigheden en details!
Korzelig ongeduld maakte zich van hem meester. Niet langer hoorde hij verklaringen helemaal aan. Zelfs een eerste zin ervan liet hij niet ten einde spreken.
Nee, schudde hij aldoor. Nee, sprak hij, nee en nogmaals nee,
non, no en nein, terwijl hij zich instinctief verder een weg baande alsof er een weg voor hem werd gebaand in en door de peristaltiek van de meute. Nein, no, non. Tussen al die soortgelijke vragen door. Herken je me? Herkent u me? Do you remember me? Herkent u me? ¿Te acuerdas de mí? Herkent u... Vous ne vous souvenez de moi? ... u me? Herkent... kent... Her... ‘Poznajesz mnie?
Wat een snoesje, wat een plaatje, wat een oplichtende lichte kijkers! Het deed er niet toe dat het bewolkt was, haar blonde haren lieten de zon stralen. Iets om toch echt nooit meer te vergeten, zou je denken. Een snoetje waar hij graag een leugen voor over zou hebben gehad, want kende hij haar niet uit een fotoblad? Of telde dat ook al? Een fotografie van iemand die je ooit, grotendeels ontkleed, aanwakkerend had toegelachen? Het was toch onmogelijk dat de gefotografeerde hem had gezien, als het ware vanuit haar beeltenis of er dwars doorheen, toen hij zich even volledig had verloren in haar effigie, om vrijwel meteen daarna weer te weten dat zij of, beter, dat de invitatie uit niets anders had bestaan dan uit vlekjes inkt van een vierkleurendruk op zacht glanzend papier? Ach, onzin natuurlijk. Hij had waarschijnlijk ooit ergens langer dan betamelijk zitten kijken naar dit hupse ding, op een terras aan de Amstel misschien of in het Madrileense Retiropark, omdat ze hem aan zo’n foto had doen denken, om haar spoedig weer te vergeten!
Poznajez mnie?
Was het Tsjechisch? Of Pools?
Maar wat deed het ertoe? Zelfs in talen die hij niet verstond begreep hij de vraag.
‘Nee, nee,’ riep hij al voor zich uit, wanneer de menselijke gedaanten links en rechts niet eens de kans hadden gekregen hun handen naar hun gezicht te brengen.
‘Nee,’ mompelde hij, lispelde hij, zweeg hij, slechts schuddend met zijn daze hoofd.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum