Leesfragment: Hazer

12 februari 2017 , door Jeroen Thijssen
| |

Op 16 februari verschijnt Jeroen Thijssens nieuwe roman Hazer. Lees bij ons alvast een fragment!

Haarlem, 1978. Wanneer de hippie-ouders van de 18-jarige Rogi naar Ierland vertrekken, staat hij er alleen voor. Hij kan nergens een kamer vinden en besluit in een kraakpand te gaan wonen. Als een van de eerste bewoners maakt hij mee hoe de Hazer van een krot verandert in een gestructureerde woongemeenschap.

Rogi worstelt met zijn rol in de maatschappij: moet hij zich teweerstellen tegen de burgerlijke moraal of wil hij toch het liefst huisje-boompje-beestje? Het is duidelijk dat de oorlog een groot stempel heeft gedrukt op zijn familie, en hij probeert te achterhalen wat de rol van zijn grootouders is geweest. Dan blijkt dat zelfs na bijna veertig jaar de waarheid zich niet laat verdoezelen.

 

Gedurende de dag gleed het zonlicht in onregelmatig veranderende vlakken van links naar rechts door de tuin. Het streelde de stam van de Japanse kers, die in de lente met zijn roze blaadjes de bodem bedekte. Het blikkerde op de overliggende muur, op de paar plekken waar het witsel nog niet van de bakstenen was verweerd. Het verdween, steeds roder kleurend, verticaal langs de muur van het achterpand, alsof het licht een ladder besteeg.
Rogi kon er uren naar kijken.
Bij de tuin hoorde een ouder echtpaar dat door het jaar heen in de verglijdende plekken zonlicht onduidelijke werkzaamheden verrichtte. Zodra de avonden zacht genoeg waren streken zij neer op het kleine terras, dat het laatste zonlicht ving, dronken thee, dronken koffie, namen het avondeten mee naar buiten en zaten daar soms tot diep in de nacht met vrienden en wijn, het terras met kaarsen afgezoomd.
Rogi verbaasde zich over hun onverstoorbaarheid. Het was alsof ze hem niet zagen zitten achter zijn raam. Van een architect had hij ooit gehoord dat ramen semitransparant zijn, dat het interieur alleen zichtbaar wordt als er in de kamer licht brandt, dus misschien zagen zij hem werkelijk niet. Hij sloot de gordijnen voor hij de lamp aandeed, om ze niet te storen. Hopelijk hadden zijn ouders het in Doonkelly net zo goed.

Zijn kamer was de mooiste van het pand. Het had moeite gekost om hem te vinden. De kleineadvertentiekolommen van het Haarlems Dagblad stonden vol oproepen om betaalbare woonruimte, soms schrijnende van ouders met kinderen, meestal van jongeren die studeerden of jongeren die werkten en genoeg hadden van het leven thuis. Het aanbod beperkte zich tot appartementen van achthonderd gulden per maand of meer, ‘alleen dames reageren’.
‘Boven de winkels staat alles leeg,’ verzuchtte Marnix, een klasgenoot die niet op kamers moest maar wel graag het huis uit wilde. ‘Het is een schande.’
Eenmaal werd Rogier op gesprek gevraagd in een studentenhuis dat met coöptatie werkte, maar hij lag niet goed bij de hts’ers die er woonden en zij lagen niet goed bij hem. Het afmeldtelefoontje was een opluchting.

Via via hoorde hij van de Hazer.

 

 

Hij staarde omhoog langs de gevel van het oude politiebureau, die raam na raam tot aan de hemel leek te lopen. Links en rechts staken balkonnetjes uit, tinnen pinakels piekten hoog boven het plaveisel.
Weer belde hij. Weer klonk het harde rinkelen in een grote ruimte. Van ver weg kwamen voetstappen aan, steeds dichterbij. De grote blauwe deur ging krakend open.
‘Hij zit niet op slot,’ zei de jongen die opendeed. Licht vlas wuifde om zijn kin, donkere ogen scholen onder zware richels vol haar.
‘Ik zoek een kamer,’ zei Rogier.
De jongen trok de deur verder open.
‘Kom binnen,’ zei hij. ‘Ik ben Marcel.’
Een koele golf lucht, beladen met de geur van grote ruimten, muf als uit een kelder, schimmelig en vol vocht, wreef Rogiers gladde wangen – hij had zich speciaal geschoren om een goede indruk te maken.
‘Dit is de grote hal,’ zei Marcel.
Gekraak klonk en geritsel: aan weerszijden van de deuren stonden twee enorme, dode palmen, hun dorre bladeren bewogen in de tocht. Twee trappen liepen van de granito vloer in een vierkante spiraal omhoog, leken elkaar te naderen en weken dan weer tot ze ergens boven het dagelijks leven zomaar ophielden tegen een daklicht dat, hoewel klein van hieraf bezien, op die hoogte enorm moest zijn. Het zonlicht kleurde grijs in de matglazen panelen.
‘Wacht hier,’ zei Marcel en hij verdween door klapdeuren aan de overkant. Na een ogenblik keerde hij terug met een soort dwerg: een breedgeschouderd mannetje dat niet hoger kwam dan Rogiers schouders. Lange haren slierden om zijn kalende hoofd, een baard groeide tot zijn ogen, een ketting van houten kralen bloeide op een paarse bloes.
‘Ha vogel,’ zei de kabouter. ‘Ik ben Ernst. Wie ben jij?’
‘Ik ben Rogi,’ stotterde Rogier en hij zweeg. Het was een verspreking, maar een freudiaanse. ‘En ik zoek een kamer,’ zei hij.
De kabouter hield zijn hoofd scheef. Zijn blik zakte van Rogiers kruin, langs zijn geschoren wangen, zijn rode bloes en blauwe spijkerbroek tot aan zijn basketballers.
‘Kamers genoeg,’ zei hij. ‘Zoek maar een mooie uit. Welkom in de Hazer.’ Hij draaide zich om.
‘Moeten we niet even praten?’ vroeg Marcel voorzichtig.
‘Niet nodig.’ De baard trilde heftig. ‘Die vogel deugt. Dat voel je toch.’
Hij beende weg. Marcel keek wat aarzelend naar Rogier.
‘Kom maar mee dan,’ zei hij.
De gang had dezelfde granito vloer als de hal, de muren waren gesaust in een onbestemd geel.
Rogi, dacht Rogier.
‘Rogi,’ zei hij. ‘Ik heet Rogi.’
Marcel knikte.

Hein bracht zijn spullen de volgende dag over met de Volvo, waar alles in paste want er viel weinig mee te nemen. De matras en de boekendozen vulden nog niet de helft van de ruimte, alleen de luie stoel, die nog van opa Klaver was geweest, een geval van houten spijlen en dikke kussens die ‘rookstoel’ werd genoemd, bezat enig volume.
Ze stopten voor de deur. Het razen van de motor stierf weg maar Hein stapte niet uit. Hij keek naar de voordeur, die enorme metalen deuren die de aanval hadden kunnen weerstaan van een vastberaden vijand.
‘Wij moeten weg uit dit land,’ zei hij ten slotte. ‘Dat snap je toch wel?’
Rogi knikte.
‘De revolutie is dood,’ zei Hein. ‘En dan blijven de patjepeeërs over.’ Hij legde zijn hand op zijn keel. Even meende Rogi tranen in zijn ogen te zien.
Hij bekeek zijn vader zijdelings, als om een portret te maken. Lange haren, die hem tot hippie maakten. Zijn puntige kin-met-baardje, diepliggende, grote ogen. Een half jaar geleden had Hein op school opgetreden met zijn band en de volgende dag vroeg Caroline Waalberg, de sloerieachtige schoonheid van 6A2, nog of Rogi’s vader toevallig gescheiden was.
Rogi bevoelde zijn eigen kin. Puntig als die van Hein maar nog niet begroeid. Ze hadden dezelfde ogen en ooit, wie weet zou ooit de Caroline Waalberg van een andere 6A2 ook wel informeren of hij, Rogi Pardoen, soms gescheiden was.
Hein stapte uit, opende de klep en nam kreunend een boekendoos ter hand.
‘Ik ben niet meer de jongste.’
Eenenveertig, dacht Rogi. De jongste vader van de klas, nooit anders geweest. Maar het klonk wel erg oud, eenenveertig.
Hein droeg nog een doos naar binnen, sloeg zijn armen om Rogi heen en vertrok naar huis.
‘Je bent altijd welkom in Doonkelly,’ zei hij nog. ‘Vergeet dat niet.’
Alleen Marcel zag Rogi komen. Hij stond in de deuropening van de kamer en bekeek het huisraad.
‘Lekker weinig,’ zei hij. ‘Moet je een tafel?’
Hij voerde Rogi door een stelsel van gangen en twee betonnen trappen af naar een kelder die vol stond met kantoormeubilair: enorme bureaus, ladenkasten waar de dossiers nog in zaten, stalen stoelen en stoelen van hout.
‘Kijk,’ zei Marcel en hij begon aan een poot te trekken. Samen haalden ze een ouderwetse tafel tevoorschijn, met een bekrast blad en poten die naar onderen breed uitliepen. Vloekend en tierend wrongen ze het ding door het trapgat en sjouwden hem naar Rogi’s kamer, waar hij prachtig stond onder het noordoostelijke raam.
‘Als je nog wat nodig hebt,’ zei Marcel. ‘Er is genoeg.’
Hij sloot de deur zachtjes achter zijn rug.
Rogi ging achter zijn tafel zitten. Het zonlicht viel in grillige vlakken op de muren aan de overkant en bereikte, door de boom in het midden gezeefd, als muntgrote vlekjes het zevenblad dat de bodem van de tuin bedekte. In de struiken lag een gele hond te slapen.
Het hoge plafond, dacht Rogi, gaf de kamer een gevoel van ruimte, hoe klein hij verder ook was. De wanden waren pisgeel en zaten vol barsten, vol vierkante vlekken waar eerder schilderijen hadden gehangen of ingelijste diploma’s, of verordeningen – wat voor zaken zouden politiemannen de moeite waard vinden om in te lijsten en op te hangen? Zodra zijn eerste beurs binnen was zou hij de muren schilderen, kraakwit, heel anders dan het bruin waar Hein en Carla zo dol op waren.
De groenige vlekken langs de plinten waren een volgend raadsel. Het leek wel bloed, van martelingen of zo, maar dat kon niet. Dat deden politieagenten niet, niet in Nederland. Nicaragua was een ander geval. Daar sloegen ze mensen dood wanneer ze maar dachten dat het sandinisten waren. Of anders deden ze het gewoon voor de lol. En niet alleen in Nicaragua. Hij huiverde even; hij had foto’s gezien van wat er met Guatemalteekse, hij kon het bijna niet uitspreken, indianen werd gedaan – daar werd je doodziek van, alleen al van de gedachte. Gelukkig was Nederland een vredig land.

Achter de kamerdeur begon een wereld. Rogi liep door hoge, grauw geverfde gangen, waar oude tl-buizen knipperden, hij besteeg galmende, ijzeren trappen in kokers van drie bij drie, die tijdens het klimmen een subtiele wending maakten waardoor hij veel verder naar het noorden uitkwam dan hij verwachtte. Onverwachte openingen in de muren voerden via een soort labyrint naar ruimten waarvan de oorspronkelijke bestemming onduidelijk was. Alle gangen eindigden op een balustrade van de grote hal, alle trappen op de uitgestrekte zolders, waar de zon door kieren naar binnen scheen en het voortdurend tochtte. Van alle zijden klonk het geluid van vallende druppels maar een lek was niet te vinden.

Marcel wees hem de kantine, die nu als keuken dienstdeed. Door daklichten viel grijs schijnsel, aan de wand boven het butagasfornuis hingen olielampen, op verspreide tafels had een waarschijnlijk vrouwelijke hand kaarsen op schoteltjes gezet. Stof lag overal.
Ernst zette thee bij het aanrecht.
‘De enige kraan in de Hazer die werkt,’ zei hij. ‘Daar moeten we toch eens wat aan doen.’
‘Een rare naam, eigenlijk,’ zei Rogi.
Het gezicht van Ernst lichtte op. ‘Nee, vogel. Het hazenleger. Het leger zonder wapens, de vreedzaamste dieren ooit in opstand tegen de zwijnen van de macht.’ Hij spreidde zijn handen als om te voelen of het regende. ‘Magisch, weet je wel.’
‘Ze zaten eerst aan de Hazepaterslaan,’ zei Marcel nuchter. ‘Maar dat raakte vol en dit stond leeg.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het beestje moest een naam hebben.’
Ernst grijnsde nog steeds. ‘En wat voor naam. Een leger van vreedzamen.’

 

 

Nu zijn ouders naar Ierland waren vertrokken voelde Rogi zich verplicht om oma Klaver op te zoeken in haar flat in de Slachthuisbuurt, misschien wel de ellendigste wijk van Nederland. Daar woonde ze in een brede straat met links en rechts woonblokken van drie lagen. De buurt was gebouwd voor geschoolde arbeiders en hun kinderen, maar na jaren verwaarlozing trokken de oorspronkelijke bewoners weg uit wat ‘het getto’ was gaan heten. In de krappe flats huisden nu gastarbeiders, grote Turkse gezinnen en alleenstaande Antilliaanse moeders. En oma.
Oma kwam nooit meer buiten. Haar twee versleten heupen beletten haar de trap af te gaan. Ze klaagde niet maar dat hoefde ook niet; de uitdrukking op haar gezicht was voldoende.
Hij besteeg met twee treden tegelijk de betonnen trappen waarop hij zich als kind vele builen was gevallen. De geur van spruitjes of bloemkool, die vroeger in het trappenhuis had gehangen, was vervangen door luchtjes van onbekende oorsprong, kruidig en exotisch, en onmiskenbaar die van pis – maar dat was toen ook al zo.
Het schuiven van een grendel klonk, haar roodgeverfde voordeur kraakte open maar stokte op een kier. Ze keek met één oog naar buiten.
‘Dag oma,’ zei Rogi.
Ze knikte en sloot de deur. Een ketting rinkelde, een tweede ketting volgde, schoorvoetend ging de deur open.
‘Ik schrik ervan,’ zei ze. ‘Waarom heb je niet gebeld?’
‘Geen telefoon,’ zei Rogi.
Hij volgde haar omvangrijke gestalte door het gangetje, waar de muren dicht behangen waren met familiefoto’s. Hijzelf stond erop er in oplopende leeftijden, van baby in de wieg, als blije peuter tussen Hein en Carla, als enthousiaste voetballer en opgewekte scholier op de foto’s van de schoolfotograaf, op de school die hij net had verlaten. Er hingen oude foto’s van onbekenden, sommige vergeeld of uitgebeten, alle met dat stijve zelfbewustzijn van mensen die zich gefotografeerd weten. Tussen de geportretteerden bestond geen gelijkenis. Het gezicht dat het meest ontbrak, naar wiens afbeelding Rogi toch onwillekeurig telkens weer zocht, was dat van zijn grootvader. Hij kende hem alleen als verzetsheld uit de verhalen van zijn moeder.
Oma scharrelde door naar de keuken, waar al snel het zoemen van de koffiemolen klonk, Rogi liet zich zakken in de houten visitestoel tegenover de fauteuil waarin zij de dag doorbracht.
‘Zwart, toch?’ klonk haar stem uit het keukentje en voor hij antwoord kon geven verscheen ze met twee rammelende kopjes op een dienblad en twee tompoezen.
‘Had je op me gerekend?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ik heb altijd iets in huis.’
Moeizaam liet ze zich zakken in de beige fauteuil die comfortabel uitzicht bood op straat. Een spiegeltje tegen de gevel, daar met gevaar voor eigen leven aangebracht door Hein, ontsloot de dode hoek.
‘Gezellig dat je er bent.’
Rogi dronk in stilte van zijn koffie. Ze had haar armen op haar ontzagwekkende boezem gelegd en keek naar buiten, een standaard oude vrouw, met grijs haar in een knotje, een goudkleurig montuur op haar wipneus en voor haar leeftijd gladde wangen. Zijn oma.
‘Hoe gaat het?’ vroeg hij.
‘Goed hoor. Je weet wel.’
‘Heb je mamma nog gezien voor ze ging?’
Ze haalde haar schouders op, een korte beweging. ‘En jij?’
Hij schudde zijn hoofd. Carla was niet komen kijken naar zijn nieuwe kamer, te druk met voorbereiden en pakken en afreizen. Hij begreep het wel. Dit werd geen vakantie maar een nieuw leven.
Oma boog naar voren en keek naar buiten.
‘Die Turken aan de overkant,’ zei ze, ‘zetten gewoon elke dag hun vuil aan de straat. Dat staat er de hele week.’ De hemel blikkerde in haar brillenglazen.

 

 

De reputatie van geen-huur-geen-gezeur had mensen uit alle lagen van de bevolking en van alle gezindten naar de Hazer getrokken. Ze waren niet allemaal even sociaal. Een langharig geval van onduidelijke kunne bewoonde een kamer aan de zuidelijke kant, waar dagelijks vijf anderen bivakkeerden. Iedere bezoeker leek een hond te hebben, grote bastaards die geen mens wat deden maar wel regelmatig met de andere honden vochten. Het gegrauw en geblaf was tot op straat hoorbaar.
‘Dat kan toch niet,’ klaagde Marcel bij Rogi. ‘Het stinkt alle kanten uit. En zo veel man op die kamer. Het zijn zwervers, stuk voor stuk.’
Rogi haalde onwillig zijn schouders op.
‘We zijn een kraakpand.’
‘Een kraakpand,’ zei Marcel. ‘Geen asiel.’
Rogi maakte zich meer zorgen over de komst van ene Robbert, toevallig ook in de rechtervleugel, die ergens heel hoog achter verbleef en van wie werd gezegd dat hij dope verkocht.
Nu haalde Marcel zijn schouders op.
‘Alcohol is ook dope.’
Geleidelijk ontstond een deling in het pand die volgens bouwkundige lijnen liep. De zuidelijke vleugel, rechts als je buiten stond, raakte gevuld met wanordelijk volk, op het asociale af, mensen die niets deden en niets wilden, expsychiatrische patiënten, lieden die hun vuilniszakken van de balustrade wierpen zonder er verder naar om te kijken, plastic fragmentatiebommen die op de granieten vloer van de hal ontploften en hun lading van maandverbandjes, etensresten en koffiefilters twee meter hoog op de muur lieten neerkomen.
Nu ja, dat was één keer gebeurd, maar het was tekenend voor die kant van het gebouw. Zijn vleugel, daarentegen, waar Marcel pal boven hem woonde en Ernst nog meer naar achteren, aan hun kant gebeurde niets negatiefs. De bewoners die erbij kwamen hadden het voornemen om van het huis hun thuis te maken, een veilige plek in de wereld, en dat was een belangrijk onderscheid. Gisteren nog had hij Marcel geholpen bij het timmeren van een bovenslaper, twee matrassen breed, binnenkort zou Marcel hem komen helpen met witten. Zodra zijn beurs binnenkwam. Rogi maakte zich enige zorgen. Het bedrag dat door Hein en Carla was achtergelaten om twee maanden te overbruggen, verdween sneller dan hij had gehoopt. Leven was duur, en dan rookte hij nog niet eens. Straks zou hij gedwongen zijn om een baantje te nemen.
‘Rogi Pardoen,’ zei hij luidop, ‘vakkenvuller.’ Hij grinnikte. Met een beetje spaarzaamheid kon hij die twee maanden wel uitzingen.
Hij zakte achterover en keek naar buiten. De zomer was in volle zwaarte binnengevallen, de hitte stond zichtbaar in de binnentuin. Er was geen mens te zien, de gele hond lag op zijn vaste plek.
De krant die hij na lezing van Ernst had gekregen voorspelde een week van extreme hitte. En het was nu al zo warm. Zo waren de zomers nooit geweest en zo hoefden ze ook niet te zijn. Zijn kamer was koel, net als de rest van het gebouw, maar buiten viel de hitte op je als een dikke jas. Hopelijk zat de weerrubriek ernaast.
Het was een binnenblijfdag, maar niet alleen vanwege de hitte. Op al zijn klagen over de nieuwe bewoners bestond een uitzondering.

De bel was gegaan, hij deed open. In de schaduw van de gevel stond op de stoep een roodharig, bleekhuidig meisje dat met grote ogen naar hem opkeek.
‘Ik ben Tanja,’ zei ze. ‘Ik zoek woonruimte.’
‘De deur was open,’ zei Rogi automatisch.
Hij bracht haar naar een kamer aan de voorkant, niet groot weliswaar maar met een balkon aan de straatzijde en zware balken aan het plafond.
‘Voor mijn schommel,’ knikte Tanja en ze lachte schuw. ‘Deze kamer zou ik wel willen hebben.’
Rogi ging op zoek naar Ernst en vond hem in de kantine.
‘Een rooie?’ zei Ernst. Ernst droeg nog steeds sandalen maar deze keer een oranje bloes. Hij goot water op zijn bamboekoffie. ‘“Met rooien krijg je klooien” zei mijn moeder altijd.’
In de mok schuimde het bruin. Ernst dacht zichtbaar na, haalde vervolgens zijn oranje schouders op. ‘We staan open voor iedereen.’
Het was een kamer aan de rechterzijde en Rogi vroeg zich nu af waarom hij Tanja zo ver van zijn eigen vleugel had ondergebracht.

 

© Jeroen Thijssen 2017

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum