Leesfragment: Het monster van Essex

14 juli 2017 , door Sarah Perry
|

Op 18 juli verschijnt Het monster van Essex van Sarah Perry (The Essex Serpentvertaald door Natasha Gerson en Roland Fagel). Wij publiceren voor!

Londen, 1893. Weduwe Cora Seaborne vertrekt samen met haar zoon Francis naar Essex in de hoop dat de frisse lucht en de open velden haar de rust kunnen bieden waar ze zo naar snakt.
Nadat ze in Colchester een huisje hebben gevonden, bereikt het gerucht hen dat het mythische monster, dat ooit de nabijgelegen parochie Aldwinter terroriseerde, is teruggekeerd. Cora, die absoluut niets moet weten van religie en bijgeloof, is meteen gefascineerd en ervan overtuigd dat dit magische beest een nieuwe, onontdekte diersoort is. Als ze op ontdekking uit gaat, ontmoet ze William Ransome, de dominee van het dorp. Net als Cora staat Will wantrouwig tegenover de praatjes van zijn dorpsgenoten, maar hij denkt dat hun angst voortkomt uit een morele crisis, een vlucht voor het ware geloof. Terwijl Will zijn kerkgangers probeert te kalmeren, wordt zijn relatie met Cora steeds intenser. Hoewel ze het nergens over eens zijn, worden ze steeds onverbiddelijker naar elkaar toe getrokken, om vervolgens weer genadeloos uit elkaar te worden gerukt. Uiteindelijk veranderen ze elkaars leven op een totaal onverwachte manier.

 

 

Oudejaarsavond

Onder een volle, koude maan loopt een jonge man langs de oevers van het Blackwater. Het oude jaar heeft hij leeggedronken tot aan de droesem, zijn ogen deden pijn, zijn maag keerde zich bijna om en hij kon niet meer tegen het felle licht en de drukte. ‘Ik ben even naar het water,’ zei hij dus, en hij kuste de dichtstbijzijnde wang. ‘Ik ben voor twaalf uur weer terug!’ Nu kijkt hij in de richting van het oosten, waar het tij langzaam keert aan de monding van de rivier en witte meeuwen glanzen in de branding.
Het is koud en dat zou hij moeten voelen, maar hij zit boordevol bier en draagt een warme jas. De rand van de kraag schuurt zijn nek, hij voelt zich wazig en ingesnoerd. Zijn tong is droog. Ik neem even een duik, denkt hij, dan ben ik weer zo fris als een hoentje. Hij daalt van het jaagpad af en blijft staan op een paar stappen van de waterkant, alleen. Diep in de donkere modder liggen de kreken op de vloed te wachten.
I’ll take a cup o’ kindness yet!’ schalt hij met zijn fluwelen kerktenor, en hij schatert. Iemand schatert terug. Hij knoopt zijn jas open, houdt de panden wijd uit elkaar, maar het is niet genoeg. Hij wil de wind scherp op zijn blote huid voelen. Hij schuifelt nog iets verder naar het water, steekt zijn tong uit en proeft de zilte nachtlucht. Ja – ik neem een duik, denkt hij en hij kwakt zijn jas op de drassige oever. Hij heeft dit tenslotte eerder gedaan, als jongen nog, in goed gezelschap: zo’n nachtelijke, doldrieste duik terwijl het oude jaar sterft in de armen van het nieuwe. Het is nu nog eb, de wind is wat gaan liggen en het Blackwater boezemt hem geen angst in. Geef hem een glas van dat brakke water, en hij drinkt het leeg, met zout, schelpengruis, oesters en al.
Maar dan verandert er iets in het tij, de lucht. Het oppervlak van de riviermonding verschuift en lijkt – hij doet nog een stap naar voren – te trillen, te kloppen. Dan wordt het glad en stil om kort daarna nog één keer te schokken, alsof het schrikt van een aanraking. Nog iets dichter naar de waterrand, nog altijd is hij niet echt bang. De meeuwen vliegen één voor één op, de laatste met een krijs, als van ontzetting.
Ineens geeft de winterkou hem een nekslag, duikt zijn hemd in, kruipt in zijn botten, zuigt de feestelijke roes van de alcohol weg. Hij zoekt zijn jas – blind, nu de maan net achter een wolk schuift. Hij ademt langzaam, de lucht zit vol spelden, zijn voeten staan ineens in de nattigheid, alsof de oever naar achteren is geduwd. Niets aan de hand, houdt hij zichzelf voor en hij tast om zich heen, op zoek naar zijn eerdere onverschrokkenheid, maar daar gaan we weer: zo’n eigenaardige verstilling, alsof hij naar een foto kijkt, gevolgd door een woeste, hortende beweging die onmogelijk alleen van het trekken van de maan aan het getij kan komen. Hij denkt – weet zeker – dat hij een langzame beweging ziet van iets enorms, iets met een bochel, iets wat grimmig omhuld is met ruwe, klatsende schubben. En dan is het weer verdwenen.
In het pikkedonker groeit zijn angst. Er zit daar iets, hij voelt het, het wacht af, het is onverbiddelijk, het komt uit de diepte, monsterlijk, met een oog dat op hem loert. Het heeft ergens in het slik liggen sluimeren en is nu naar boven gedreven, hij stelt zich voor hoe het de nachtlucht begerig opsnuift en een golf doorklieft. Paniek grijpt hem beet, zijn hart slaat over, in één enkel ogenblik is hij én aangeklaagd én voorgeleid én schuldig bevonden: en ja, wat een zondaar is hij geweest, wat een zwarte pit huist er in deze bolster. Hij voelt zich overvallen, beroofd van alle deugd, er is niets wat hij ter verdediging aan kan voeren. Hij kan alleen uitkijken over het zwarte Blackwater – daar heb je het alweer, iets wat zich even aan de oppervlakte een weg door het water baant en daarna weer duikt, zie je wel, het is er de hele tijd al geweest, het heeft hem opgewacht en ontdekt. Hij voelt een opmerkelijke kalmte over zich komen: het recht moet immers zegevieren, hij bekent gewillig schuld. Een en al boetedoening is hij, en dat er van verlossing geen sprake kan zijn, dat begrijpt hij, want dat verdient hij tenslotte ook niet.
Maar dan steekt de wind op, trekt de wolk voor het verlegen maantje weg. Niet meer dan een iel schijnseltje, maar toch een troost, en daar ligt gelukkig zijn jas, nog geen meter van hem af, een veeg modder aan de zoom. De meeuwen strijken weer neer op het wateroppervlak en hij voelt zich volkomen belachelijk. Het geluid van gelach, een jongen en een meisje in feestkleding op het pad boven hem, hij wuift en roept: ‘Hier ben ik, ik ben hier!’ en ja, ik ben hier, beseft hij, hier in dit moerasland dat hij beter kent dan zijn eigen huis, met een kerend tij en niets om bang voor te zijn. Monsterlijk! denkt hij, draaierig van opluchting lacht hij zichzelf hartelijk uit: alsof er daar iets anders huist dan haring en makreel!
Voor het Blackwater hoef je niet bang te zijn, hij heeft zichzelf niets te verwijten: een moment van verwarring vanwege het donker, veel te veel gezopen. Het water komt hem tegemoet en is weer zijn oude metgezel, en om dat te bewijzen stapt hij eropaf, de nattigheid klotst over zijn schoenen, zijn armen heeft hij uitgestrekt: ‘Hier ben ik!’ roept hij nog maar een keer en de meeuwen antwoorden. Gewoon een snelle duik! denkt hij weer. For auld lang syne! Lachend glipt hij zijn overhemd uit.
De slinger is van het ene jaar naar het volgende gezwiept en het duister trekt zich weer dicht over de diepte.

 

Januari

Om één uur ’s middags op een mistroostige dag viel bij het observatorium van Greenwich de tijdbal. Er zat ijs op de nulmeridiaan, en ijs op de tuigage van de platbodems op de drukbevaren Theems. Schippers sloegen acht op tijd en tij en hesen hun ossenbloedkleurige zeilen in de noordooster: een lading ijzer, bestemd voor de gieterij bij Whitechapel, waar vijftig klepels tegen aambeelden bonkten alsof de tijd ze op de hielen zat. Achter de muren van Newgate zaten gevangenen hun tijd uit, filosofen verdeden hun tijd in de kroegen op de Strand. Wie het verleden tot heden wenste leed tijdverlies, wie het heden naar het verleden wenste hekelde de tijd. Oran-ges-and-Le-mons, klonk het carillon van Saint Clement, terwijl de Bel van Verdeeldheid in Westminster zweeg.
Tijd was geld bij de Koninklijke Effectenbeurs, waar mannen de middag doorbrachten in de slinkende hoop een kameel door het oog van een naald te zien kruipen. In Holborn Bars, het hoofdkantoor van de verzekeraars, maakte een tandwiel in een meesterklok een elektrische lading los die een dozijn slaafklokken het uur liet slaan. Alle klerken keken op uit hun klappers, slaakten een zucht en bogen zich weer over hun grootboeken. Op Charing Cross Road verruilde de tijd zijn strijdwagen voor jachtige vloten omnibussen en taxikoetsjes, en op de ziekenzalen van Barts en de Royal Borough rekte de pijn minuten uit tot uren. In Wesley’s kapel klonk ‘Als zand verglijdt de aardse tijd’ en de zangers hoopten maar dat het zand daar een beetje mee zou opschieten, terwijl enkele meters verderop het ijs begon te smelten op de graven van het Bunhill-kerkhof.
In Lincoln’s Inn en Middle Temple keken advocaten op hun kalenders, waar ze vervaldagen van vorderingen zagen verlopen, in kamers in Camden en Woolwich was de tijd wreed tegen geliefden die zich afvroegen hoe het toch al zo snel weer zo laat kon worden, maar later zou diezelfde tijd hun ongecompliceerde wonden liefdevol verplegen. Door de hele stad, in rijtjeshuizen en in logementen, in de hoogste kringen en onder lieden van het allerlaagste allooi, plus in alle middenklassen daartussenin, was men tijd aan het doorbrengen en aan het verspillen, aan het rekken en aan het verwensen – en al die tijd bleef het onophoudelijk ijzelen.
Op Euston Square en Paddington verwelkomden de stations van de Underground hun passagiers, die binnenstroomden als bouwmaterialen die nog vermalen en verwerkt moesten worden, om elders weer in mallen te worden uitgestort. In een rijtuig van de Circle Line in westelijke richting liet een haperende verlichting nog net zien dat de koppen van The Times weer niets vrolijks te melden hadden, in het gangpad rolde beurs fruit uit een overvolle tas. In een geur van opdrogende regen op regenjassen, weggedoken tussen de passagiers achter zijn opgezette kraag, dreunde dokter Luke Garrett de delen op van het menselijk hart. ‘Linkerventrikel, rechterventrikel, bovenste vena cava,’ telde hij af op zijn vingers, in de hoop dat deze litanie de onrustige hamerslagen van zijn eigen hart wat zou temperen. De man naast hem keek even geamuseerd op, haalde zijn schouders op en wendde zich weer af. ‘Linkeratrium, rechteratrium,’ prevelde Garrett nu zachter voor zich uit. Dat vreemden hem de maat namen was hij gewend, maar hij zag geen enkele reden zoiets onnodig uit te lokken. De Imp noemden ze hem, want hij reikte slechts zelden tot boven de schouders van andere mannen en vanwege zijn sluipende, dwingende tred kreeg je de indruk dat hij elk moment op de vensterbank kon springen. Zelfs door zijn jas heen verrieden zijn ledematen een soort van tomeloze kracht en zijn voorhoofd stulpte over zijn ogen alsof het zijn immense en vurige intellect nauwelijks binnenboord kon houden. Over zijn donkere ogen hing een sluike, schuine pony als een ravenvleugel. Hij was tweeëndertig, een chirurg met een hongerige, ongehoorzame geest.

[...]

 

 

© 2016 Sarah Perry
© 2017 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Natasha Gerson en Roland Fagel

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum