Leesfragment: Honger

08 oktober 2017 , door Roxane Gay
| |

12 oktober verschijnt Roxane Gays nieuwe boek Honger in de vertaling van Lette Vos. Lees hier vast een fragment!

Roxane Gay heeft in de afgelopen jaren openhartige en populaire essays en blogs geschreven over feminisme en het menselijk lichaam. Haar eigen emotionele en psychologische worstelingen geven haar een unieke inkijk in het spanningsveld tussen verlangen en ontkenning, tussen troost en medelijden.
Met Honger onderzoekt ze haar eigen verleden – waaronder een uiterst gewelddadige gebeurtenis uit haar jeugd die een keerpunt in haar leven vormde – en betrekt ze de lezer op indringende wijze in haar poging om zichzelf beter te begrijpen, om uiteindelijk haar eigen leven te kunnen redden. Met haar kenmerkende eerlijkheid, kwetsbaarheid en kracht schrijft Gay over haar lichaam. Honger is een confronterend en liefdevol verslag van een groot lijf in een kleine wereld.

 

1

Ieder lichaam heeft een eigen verhaal. Bij dezen bied ik het mijne aan, een geschiedenis van mijn lichaam en mijn honger.

2

Het verhaal van mijn lichaam is geen succesverhaal. Dit is geen autobiografie over gewichtsverlies. Op het omslag zal geen foto van een dunne versie van mij en mijn slanke lichaam prijken, waarop ik met beide benen in één broekspijp van mijn voormalige dikke zelf sta. Dit boek biedt geen motivatie. Ik heb geen uitgesproken meningen over hoe je van een onhandelbaar lichaam of een onhandelbare eetlust afkomt. Dit is geen succesverhaal. Het is gewoon waargebeurd.
Ik had maar al te graag een boek willen schrijven over glorieus gewichtsverlies en hoe ik effectiever leerde omgaan met mijn kwelgeesten. Dat ik vrede heb met mezelf en dat ik houd van ieder stukje van mezelf, ongeacht mijn figuur. In plaats daarvan heb ik dit boek geschreven, de moeilijkste schrijfervaring van mijn leven, veel confronterender dan ik me ooit had voorgesteld. Toen ik begon aan Honger was ik ervan overtuigd dat de woorden vanzelf zouden komen, net als anders. Wat is een makkelijker onderwerp dan het lichaam waar ik al meer dan veertig jaar in rondloop? Maar ik besefte algauw dat ik niet zomaar de geschiedenis van mijn lichaam schreef; ik dwong mezelf om onder ogen te zien wat mijn lichaam heeft doorstaan, hoeveel zwaarder het is geworden, en hoe moeilijk het was om te leven met dat gewicht en om het kwijt te raken. Ik werd geconfronteerd met mijn meest gênante geheimen. Ik heb mezelf opengescheurd en volledig blootgesteld. Dat is niet aangenaam. Dat is niet makkelijk.

Ik wou dat ik genoeg kracht en doorzettingsvermogen had om succesverhaal te vertellen. Ik ben op zoek naar die kracht en dat doorzettingsvermogen. Ik ben vastberaden om meer te worden dan mijn lichaam – dan wat mijn lichaam heeft doorstaan, wat het is geworden. Mijn vastberadenheid heeft me tot nu toe echter weinig opgeleverd.
Dit boek is een biecht. De lelijkste, zwakste, kwetsbaarste stukjes van mij liggen op tafel. Dit is mijn werkelijkheid. Dit is de geschiedenis van een lichaam, het mijne, omdat het verhaal van een lichaam als het mijne doorgaans genegeerd, weggewuifd of bespot wordt. Als mensen een lichaam als het mijne zien, trekken ze meteen allerlei conclusies. Ze denken dat ze het hoe en waarom van mijn lichaam zo kunnen doorzien. Dat is niet zo. Dit is geen succesverhaal, maar het is een verhaal dat verteld moet worden en dat het verdient om gehoord te worden.
Dit boek gaat over mijn lichaam en mijn honger, en uiteindelijk ook over verdwijnen, verdwalen en heel graag gezien en begrepen willen worden. Dit boek gaat over hoe ik langzaam maar zeker leerde om mezelf te laten zien en begrijpen.

3

Moet ik, om het verhaal van mijn lichaam te vertellen, zeggen hoeveel ik op mijn zwaarst woog? Moet ik dat getal noemen, die beschamende waarheid die me voortdurend in een wurggreep houdt? Moet ik zeggen dat ik weet dat ik me niet zou moeten schamen voor hoe mijn lichaam nu eenmaal is? Of moet ik gewoon de waarheid vertellen en mijn adem inhouden tot je met je oordeel komt?
Ik ben 1,90 meter lang en op mijn zwaarst woog ik 262 kilo. Dat is een onvoorstelbaar getal, ik kan het zelf amper geloven, maar op een gegeven moment was dat de realiteit van mijn lichaam. Ik hoorde dat getal voor het eerst in de Cleveland Clinic, een academisch ziekenhuis in Weston, Florida. Ik weet niet hoe ik het zover heb kunnen laten komen, maar eigenlijk weet ik het wel.
Mijn vader ging met me mee naar de Cleveland Clinic. Ik was achter in de twintig. Het was juli. Buiten was het warm en broeierig, en alles was begroeid met sappig groen. In het ziekenhuis was de lucht koel en steriel. Alles was glad en opgepoetst – duur hout, marmer. Ik dacht: Hier ga ik mijn zomervakantie doorbrengen.
Er zaten zeven anderen in het vergaderzaaltje – een voorlichtingsbijeenkomst over een gastric bypass (een maagomleiding) – twee dikke mannen, een vrouw met licht overgewicht, haar magere echtgenoot, twee mannen in witte jassen en een andere forse vrouw. Terwijl ik de kring in me opnam, deed ik wat dikke mensen meestal doen als ze bij andere dikke mensen in de buurt zijn: ik woog mezelf af tegen hun gewicht. Ik was dikker dan vijf van hen, slanker dan twee. Tenminste, dat is wat ik mezelf voorhield. Voor 270 dollar hoorde ik het grootste deel van de dag aan welke voordelen het had om een drastische ingreep in mijn lichaam te laten doen en zo af te vallen. Volgens de artsen was het ‘de enige effectieve behandeling tegen obesitas’. Zij waren de artsen. Zij hoorden te weten wat het beste voor me was. Ik wilde ze geloven.
Een psychiater sprak met de aanwezigen over de voorbereidingen voor de ingreep, hoe we met eten moesten omgaan zodra onze maag niet groter was dan een duim, dat we moesten accepteren dat de ‘normale mensen’ (zijn woorden) in ons leven soms probeerden om ons gewichtsverlies te saboteren omdat ze zo vasthielden aan het beeld van ons als dikke mensen. We kregen te horen dat ons lichaam de rest van ons leven een tekort aan voedingsstoffen zou hebben en dat we voor altijd een halfuur tussen eten en drinken zouden moeten laten. Ons haar zou dunner worden, misschien zelfs uitvallen. We zouden last kunnen krijgen van het dumpingsyndroom, een aandoening waarvan de naam eigenlijk al genoeg zegt. En dan had je natuurlijk nog de mogelijke complicaties bij de ingreep. We konden tijdens de operatie overlijden of in de dagen erna een infectie oplopen.
Het was een scenario met goed nieuws en slecht nieuws. Het slechte nieuws: ons leven en ons lichaam zouden nooit meer hetzelfde zijn (als we de operatie al overleefden). Het goede nieuws: we zouden slank zijn. Voor het einde van het eerste jaar zouden we 75 procent van ons overtollige gewicht verliezen. We zouden zo goed als normaal worden.
Wat de artsen voorspiegelden klonk zo aantrekkelijk, zo verleidelijk: je sliep een paar uur en zodra je weer wakker werd, was je binnen een jaar van vrijwel al je problemen af, in ieder geval volgens de medische wereld. Als je jezelf natuurlijk in de waan liet dat je lichaam het grootste probleem was.
Na de voorlichting was er ruimte om vragen te stellen. Ik had geen vragen, laat staan antwoorden, maar de vrouw aan mijn rechterhand, een vrouw die daar duidelijk niet hoefde te zijn omdat ze niet meer dan twintig kilo te zwaar was, had het hoogste woord en stelde allerlei persoonlijke, vertrouwelijke vragen die hartverscheurend waren. Terwijl zij de artsen aan dit kruisverhoor onderwierp, zat haar echtgenoot naast haar te grijnzen. Het begon me te dagen waarom ze er was. Het draaide allemaal om hem en hoe hij haar lichaam zag. Dat is toch het toppunt van triestheid, dacht ik, bewust negerend waarom ik in diezelfde kamer zat, bewust negerend dat ik zelf met enorm veel mensen te maken krijg die mijn lichaam zien voordat ze zelfs maar naar mij hebben gekeken.
Later op de dag lieten de artsen filmpjes van de ingreep zien – camera’s en chirurgische instrumenten in glibberige holtes die sneden, hechtten en duwden en essentiële onderdelen van het menselijk lichaam verwijderden. De ingewanden waren vurig rood, roze en geel. Het had iets lachwekkends en angstaanjagends tegelijk. Aan mijn linkerhand zat mijn vader, lijkbleek, duidelijk aangedaan door de genadeloze vertoning. ‘Wat denk je ervan?’ vroeg hij zachtjes. ‘Het is één grote freakshow,’ zei ik. Hij knikte. Dit was de eerste keer in jaren dat we het ergens over eens waren. Toen het filmpje klaar was glimlachte de arts en vertelde hij jubelend dat het een korte ingreep was, uitgevoerd door middel van laparoscopie. Hij verzekerde ons dat hij in drieduizend operaties nog maar één patiënt was verloren – een man van 385 kilo, zei hij op verontschuldigende fluistertoon, alsof het lichaam van die man zo beschamend was dat hij het niet hardop kon uitspreken. Toen zei de arts hoeveel het ultieme geluk zou kosten: 25.000 dollar, met een korting van 270 dollar voor de voorlichting zodra er een aanbetaling voor de operatie was gedaan.
Voordat deze marteling voorbij was, volgde er nog een een-op-eenconsult met de arts in een aparte behandelkamer. Voor de arts binnenkwam noteerde zijn coassistent mijn medische basisgegevens. Ik werd gewogen, gemeten, in stilte gekeurd. De coassistent luisterde naar mijn hartslag, voelde aan mijn lymfeklieren en maakte nog wat andere aantekeningen. Na een halfuur kwam de arts binnengewaaid. Hij bekeek me van top tot teen. Hij wierp een blik op mijn kersverse gegevens, bladerde vluchtig door de pagina’s. ‘Ja, ja,’ zei hij. ‘Je bent geknipt voor de ingreep. We zullen meteen een datum voor je prikken.’ Toen verdween hij weer. De coassistent schreef verwijsbriefjes voor de tests die ik van tevoren zou moeten ondergaan, en ik kreeg een schriftelijke verklaring dat ik het voorlichtingstraject had doorlopen mee naar huis. Ze deden dit duidelijk elke dag. Ik was niet uniek. Ik was niet bijzonder. Ik was niet meer dan een lichaam, een dat gerepareerd moest worden, en zo lopen er zovelen rond op de wereld, in onze uitermate menselijke lijven.
Mijn vader, die in het luxe ingerichte atrium op me zat te wachten, legde een hand op mijn schouder. ‘Zover ben je nog niet,’ zei hij. ‘Iets meer zelfbeheersing. Twee keer per dag bewegen. Meer heb je niet nodig.’ Ik gaf hem gelijk, heftig knikkend, maar toen ik later alleen op mijn slaapkamer zat, verdiept in de folders die ik had meegekregen, kon ik mijn ogen niet afhouden van de voor-en-na-foto’s. Ik wilde – wil nog steeds – zo graag die ‘na’.
En ik weet nog wat het gevolg was van gewogen, gemeten en gekeurd worden, van dat onvoorstelbare getal: 262 kilo. Ik dacht dat ik wist wat schaamte was, maar die avond ontdekte ik pas echt wat het inhoudt. Ik wist niet of ik ooit nog over die schaamte heen zou komen en het op zou kunnen brengen om mijn lichaam onder ogen te komen, mijn lichaam te accepteren, mijn lichaam te veranderen.

 

Copyright © 2017 Roxane Gay
Copyright Nederlandse vertaling © 2017 Lette Vos

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum