Leesfragment: Hotel Moederland

09 oktober 2017 , door Yusuf Atilgan

13 oktober verschijnt Hotel Moederland van Yusuf Atilgan, uit het Turks vertaald door Hanneke van der Heijden. Wij publiceren voor!

In mei 2016 publiceerde Uitgeverij Jurgen Maas De lanterfanter, het debuut van Yusuf Atilgan uit 1956, dat door de Nederlandse en Vlaamse pers lovend werd ontvangen. Hotel Moederland is zijn tweede roman, die veertien jaar na zijn debuut verscheen, en tot de canon van de moderne Turkse literatuur behoort.

De eenzame Zebercet houdt een familiehotel draaiende in een kleine provincieplaats. Het hotel heeft betere tijden gekend, gasten zijn schaars, de dagen monotoon. Op een avond arriveert een vrouw uit Ankara in het hotel, een gebeurtenis die Zebercets leven op zijn kop zet. Ze blijft maar één nacht, maar zegt de volgende ochtend terug te komen. De tijd verstrijkt echter zonder dat ze verschijnt, en hoe kleiner de kans wordt dat ze daadwerkelijk zal terugkeren, hoe meer Zebercet door haar geobsedeerd raakt; een obsessie die de storm in zijn hoofd voedt en uiteindelijk gruwelijke consequenties zal hebben…

Yusuf Atilgan (1921-1989) liet slechts drie romans en een handvol korte verhalen na, maar geldt als een van de pioniers van de moderne Turkse literatuur. Atilgan behoort tot de vijftigers in Turkije, die het individu en het gevoel van vervreemding in een snel veranderende samenleving centraal stellen in hun werk. Atilgan is niet bang om over seksualiteit te schrijven, en de seksuele passages in Hotel Moederland waren de aanleiding voor de Turkse autoriteiten om het boek van de lijst ‘Honderd basiswerken’ te verwijderen.

 

Zebercet, de klerk van het vlak bij het station gelegen Hotel Moederland, ging de kamer in waar donderdagnacht, drie dagen eerder, de vrouw die met de vertraagde trein uit Ankara was gekomen had geslapen, deed de deur op slot, stopte de sleutel in zijn zak. Het licht was aan. Hij leunde tegen de deur en keek om zich heen. Alles was nog precies zoals zij het had achtergelaten: de deken die op een hoop aan het voeteneind van het bed lag, het gekreukte laken, de slippers, de stoel, de schemerlamp op het nachtkastje, de twee half opgerookte sigaretten die in de koperen asbak waren uitgedrukt, het dienblad met de theepot, het theezeefje, het theeglas, het theelepeltje, het schoteltje met vijf suikerklontjes (hij had er zes op gelegd die avond kan ik misschien een glas thee krijgen had ze gevraagd toen ze de kamer inging hij had een pot gezet genoeg voor drie glaasjes met in zijn ene hand het dienblad had hij op de deur geklopt binnen had ze gezegd daar zat ze op de rand van het bed ze had haar jas uitgedaan haar zwarte trui haar zilveren ketting met grote ronde schakels ze had gekeken dank u wel daarna had ze gevraagd hoe ze naar het dorp kon komen kunt u me in dat geval om acht uur wekken alstublieft en gezegd dat ze geen identiteitskaart had alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was… De volgende ochtend toen hij nadat ze was vertrokken de kamer in kwam had hij de geur geroken; hij deed de deur meteen dicht; het licht had ze bij haar vertrek niet uitgedaan. Hij keek naar de handdoek die over de ijzeren spijlen van het ledikant hing, de deken die op een hoop aan het voeteneind van het bed lag, het gekreukte laken, de slippers, de stoel, de schemerlamp op het nachtkastje, de twee half opgerookte sigaretten die in de koperen asbak waren uitgedrukt, de theepot op het dienblad, het theezeefje, het theeglas, de suikerklontjes op het schoteltje, telde ze: ‘Ze heeft één klontje in haar thee.’ Maar die geur was er niet; misschien was die er een avond eerder ook niet geweest; toch was sinds ze weg was [toen ze die ochtend haar kleine leren valies op de grond had gezet en haar schoudertas had opengemaakt vroeg ze hoeveel hij van haar kreeg laat u het wisselgeld maar zitten ze droeg geen ring dank u ook voor de thee pakte vervolgens haar valies op en ging] haar deur steeds gesloten geweest, op slot, de sleutel in zijn zak; pas als hij de hele dag had gewacht, iedereen van buiten weer terug was, hij de buitendeur op slot had gedaan en met de ijzeren dwarsbalk vergrendeld had, deed hij nu sinds drie avonden om middernacht [er was aangebeld hij was open gaan doen haar mantel hing open ze had een valies in haar hand aan haar schouder hing haar tas hebt u een kamer vrij hij was naar de sleutels gelopen en had er een van het haakje gepakt] het licht in de zitkamer uit en ging de kamer in), de handdoek die ze over de ijzeren spijlen van het ledikant had laten hangen, de oudroze gordijnen met de zilveren kwastjes, de ronde spiegel met aan de bovenen onderkant bloemetjes, die aan de muur boven de wastafel hing (waarin hij de ochtend dat ze was weggegaan zijn gezicht had gezien; alles in zijn gezicht hing neer: het uiteinde van zijn wenkbrauwen, zijn beide mondhoeken, zijn neus. Hij keek een hele tijd; hij schoor zich toch drie keer per week. Zijn kleine, vierkante snor. Dit was nu het gezicht waarnaar zij had gekeken die avond [toen hij het dienblad had neergezet en was weggegaan, de buitendeur nogmaals op slot had gedaan en met de dwarsbalk vergrendeld had, had hij hoewel hij iedere ochtend om zes uur wakker werd zijn wekker op zes uur gezet; hij had het licht uitgedaan; met de wekker in zijn hand was hij langs haar deur gelopen en zonder de met zeil beklede traptreden te laten kraken naar een van de twee zolderkamers, zijn eigen kamer, gelopen; hij had de wekker bij het hoofdeind gezet, zich uitgekleed en was gaan liggen. Even later zat hij rechtop in zijn bed, dat stond te schudden door een auto die door de straat reed: hij was vergeten zijn voeten te wassen. Iedere avond voordat hij in bed stapte waste hij zijn voeten. Hij stond op, waste zijn voeten, ging terug; hij bleef een tijdje op de rand van zijn bed zitten. ‘Stel dat ze haar deur niet op slot heeft gedraaid en iemand die bij vergissing opendoet.’ Hij kleedde zich weer aan, ging de kamer uit. Zonder de traptreden te laten kraken liep hij naar beneden, bleef voor haar deur staan. Het sleutelgat was donker; met ingehouden adem bleef hij staan luisteren, zijn hart bonsde. Hij draaide de ronde, gladde deurknop heel langzaam beetje bij beetje naar rechts, duwde met zijn schouder tegen de deur: op slot. Zijn ademhaling werd weer regelmatig. Hij draaide de deurknop opnieuw om, heel langzaam, beetje bij beetje, nu naar links, liet hem toen los. Voorzichtig liep hij de trap op; ging de kamer van de werkster in, deed het licht aan. De deken bewoog niet; aan deze kant staken haar grote voeten eronder uit, haar voetzolen waren zwartig. Hij knipte het licht uit, verliet de kamer, deed de deur dicht. Hij liep zijn kamer in en ging zonder zijn kleren uit te doen op bed liggen; de hele nacht, zonder een oog dicht te doen, het kon zijn dat de wekker niet afging, dat hij zich versliep] en ook die ochtend. Tegen achten zette hij theewater op de spiritusbrander. Klokslag acht uur liep hij naar haar deur, bleef toen hij er bijna was staan, liet haar nog even slapen; klopte aan. ‘Ja, ik sta op.’ Hij schonk het theewater op. Trok de knoop van zijn das recht, nam plaats in zijn fauteuil. Voor hem lag het dikke hotelregister. Nu kon hij haar niet meer naar haar naam vragen, ze ging. Ze had de deur van haar kamer dichtgetrokken, kwam eraan: haar zwarte haren, haar openhangende lichtbruine mantel, haar zwartgrijze kousen, haar schoenen met een hakje. ‘Hoeveel krijgt u van me?’ had ze gevraagd terwijl ze haar kleine, leren valies op de grond zette en haar tas opendeed. ‘Laat u het wisselgeld maar zitten.’ Ze droeg geen ring, haar lange nagels waren lichtroze. ‘Dank u; ook voor de thee.’ Ze had haar valies opgepakt en was gegaan. Toen ze door de deur naar buiten ging, was die man binnengekomen, een klein, leren valies in de hand. Zijn gezicht had iets weeks. ‘Hebt u een kamer vrij?’ ‘Ja.’ ‘Een beetje een goede kamer graag. De kamer van de vrouw die net is weggegaan…’ ‘Ze is niet weg, meneer, ze blijft nog.’ ‘Goed, dan een andere.’ Hij haalde zijn identiteitskaart uit zijn zak en legde die op het hotelregister. ‘Uw beroep?’ ‘Noteert u maar officier buiten dienst.’ Hij pakte de sleutel van het haakje en gaf hem die: ‘Kamer 2, eerste verdieping, als u de trap op komt links.’ Hij zat al drie dagen ’s middags, ’s avonds in een hoekje van de zitkamer een krant of boek te lezen; te roken. Steeds als de deur openging keek hij even op. Na elven ’s avonds ging hij naar zijn kamer. Toen hij gisteravond de asbak had geleegd en die weer naast hem terugzette leek hij het te zullen vragen, had dat niet gedaan. Vanavond had hij het wel gevraagd. Hij was laat terug in het hotel; toen hij langsliep bleef hij voor hem staan; hij rook naar raki. Hij keek hem aan. ‘Uw snor stond u goed.’ Dreef hij de spot met hem? Toen hij zich vanochtend schoor, had hij zijn snor niet kunnen afscheren. Hij glimlachte. ‘Komt die vrouw haar kamer niet uit?’ ‘Welke vrouw?’ ‘Die op de ochtend dat ik aankwam, vrijdagochtend, bij de deur…’ ‘O, die? Die is vertrokken, meneer, gisterochtend.’ ‘Vertrokken? Waarheen?’ ‘Dat weet ik niet; dat heeft ze niet gezegd.’), aan de haak rechts van de spiegel de handdoek van het hotel, aan het plafond aan een loden pijp een lamp, in het midden van de muur rechts een schilderij in een zware lijst: een brede, rijkversierde canapé met daarop in gaas gehuld een liggende vrouw met forse dijen, forse borsten; aan weerskanten van haar een half ontbloot zwart meisje met een waaier in de hand. ‘Moet je zien wat een arrogante troela, die kolonistenbijzit,’ had de Tandarts gezegd. Lang geleden had zijn vader het schilderij op een dag van de vlooienmarkt meegebracht en hier opgehangen. ‘Zebercet, mijn zoon, als ik dood ben, geef dan deze kamer niet zomaar aan iedereen. Een hotel moet zo’n kamer hebben.’ Hij kwam met zijn rug van de muur en liep wat rond, bleef voor het schilderij staan; keek er een tijdje naar. Toen hij zich omdraaide en naar de spiegel liep hoorde hij geluid in de kamer boven, waar de man verbleef. Hij bleef staan luisteren: krakend hout, stromend water. ‘Hij zal zijn gezicht wel wassen. Heeft hij overgegeven?’ Het geluid verstomde. Hij keek in de spiegel: zijn snor zat op zijn plek; maar zijn neus leek iets opgeveerd. Hij draaide zich om en liep naar het bed, bleef naast het nachtkastje staan. Er zaten zwartige vlekken op de kussensloop. Wat was ze in dat dorp gaan doen? Zijn knieën werden slap; hij hield zich vast aan de spijlen van het ledikant, liet los; liep wat. Zonder het licht uit te doen deed hij de deur open, liep naar buiten, deed hem op slot. Terwijl hij de trap opging, hoorde hij in de kamer met twee bedden op de eerste verdieping iemand snurken. Op de tweede verdieping deed hij het licht op de overloop uit; hij bleef voor de deur van kamer 6 staan, luisterde ingespannen; binnen was het stil. Toen hij naar de zolder liep, zag hij voor zich, vlak bij de grond, een paar ogen glanzen: de kat van het hotel.

 

Copyright © 1973, Yusuf Atılgan
Copyright vertaling © Hanneke van der Heijden en Uitgeverij Jurgen Maas, 2017

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum