Leesfragment: In alle steden

16 september 2017 , door Aukelien Weverling
|

Op 19 september verschijnt In alle steden van Aukelien Weverling. Lees bij ons alvast een fragment.

Hoe ziet de toekomst eruit van een angstmaatschappij die geen compassie meer kent, waarin de een wint en de ander niet?

In alle steden vertelt het verhaal van rasoptimist Bennie: ontslagen, alcoholist, maar vol goede moed. In een samenleving waarin de scheiding tussen arm en rijk steeds scherper is geworden, zoekt hij zich een weg langs illegale dranklokalen. Hij beweegt zich opgewekt door een maatschappij waarin nog maar twee soorten onderwijs mogelijk zijn, gezondheid een eigen verantwoordelijkheid is en religie verenigd is tegen een gemeenschappelijke vijand. Met zijn maatschappelijke status op nul zwerft hij van baan naar baan. Hij probeert een weg terug te vinden naar een beter bestaan, waarin een bont gezelschap van lotgenoten hem bijstaat.

In alle steden is een vrolijke dystopie over een wereld waarin het recht van de sterkste geldt. Met meesterlijke hand schetst Weverling het leven van een man die tegenslag na tegenslag te verwerken krijgt, maar weigert bij de pakken neer te zitten.

 

Een eigen geluid

Goedemorgen Bennie. Goedemorgen. Dat bleven ze maar zeggen terwijl ze langs me liepen, allemaal vers terug van hun stakkerige wandeling om het pand, de lichamelijke oefening die de verzekering tam hield in premie en controle. Telkens weer, goedemorgen Bennie. Hee Bennie. Dag Bennie. En een voor een verdwenen ze door die glazen deuren naar binnen. Diezelfde deuren waar ik ook dag in dag uit doorheen gegaan was. Met goede moed en een kop gevuld met gezond verstand. Misschien wel meer dan vijfduizend keer was ik door die deuren gegaan. Met haast in mijn poten, druipend van de regen, opgewekt, teleurgesteld, geen dag sloeg ik over om mezelf present te verklaren. En dan ging ik zitten als braaf mens aan mijn bureau en dan beet ik zo zonder omkijken de kop van de dag af. Ja, soms was ik ook wel dagen weg natuurlijk, maar dan kwam ik zes van de zeven toch even tegen het eind van de dag binnenlopen, mijn gezicht laten zien omdat ik dacht dat ze er blij van werden.
Maar de krant was de krant niet meer.
En ik zat op die trappen en ik keek naar die toren van gestapeld steen tot aan de eerste wolken, waar het grijs zich breed uitstrekte. Het was zo'n wijk uit de begindagen van de Grote Vernieuwing, dus alles compact en hoog de lucht in. Zon en regen oogsten en niet ver lopen, het credo van de duurzaamheid.
De verticale stad stond in volle bloei, waar men opgestapeld door elkaar heen woonde, werkte en winkelde, met de lift van verdieping naar verdieping sprong.
'Goedemorgen Bennie.' 'Hee, hoor jij niet allang ingescand op de 44ste te zitten, Bennie?' 'Kom je mee naar boven, Bennie?' Maar Carl stond met z'n geuniformde armen over elkaar geslagen voor de lift. Liet me er niet in. Had z'n goede intenties elders liggen. Zei telkens: 'Alles behalve de 44ste, Bennie. Alles behalve dat.' En ik had m'n armen nooit sterk getrokken, dus een gevecht zou ongetwijfeld eindigen in teleurstelling over eigen kunnen, zou ik me ertoe dwingen. Dus ik zette me op de grijze trappen neer en zag ze zo een voor een langs me lopen, terwijl ik me zo'n beetje afvroeg wat m'n volgende stap moest zijn. En toen sloeg de paniek me in de aderen, want principes kunnen dan wel op je hartje drukken en je zo tot de juiste keuze leiden, ze houden de maag niet vol en dat ik nu in lijn kon gaan staan met al die drommels voor wie ik het op had willen nemen.
'Hee Bennie, jongen, ben je de ramen aan het tellen?' Peter keek me lachend aan, vulde al jaren de bureaustoel voor me, met verbeten trek om z'n mond op zoek naar goedgekeurd nieuws. 'Kom op, jongen. Aan het verhaal,' moedigde hij me aan, terwijl hij me op de schouder klopte en naar binnen liep met zijn zwak karakter onder kloppend hart.
Ik zat op dat grijze leisteen dat in horizontale lijnen gestapeld lag voor de ingang van die wolkentoren en achter me hoorde ik de zonnepanelen, honderden wendbare panelen keerden zich zacht zoemend naar die gele bal in de lucht, die in dit deel van de wereld vrijwel nooit nog in je kleren kroop. Ze verschoten van zwart naar zilver onder de aanraking van die lusteloze salamandertongen, die je ooit met huid en haar opvraten, maar nu niets meer waren dan de krachteloze slagen van een gouden ster mijlenver in de lucht op een versleten trommelvel, waar je liever niet over schreef als je het goed aanvoelde.
En ik zat op die trappen en ik dacht aan jaar in jaar uit het klokje rond en dat je dan toch plots invulling aan je leven had gegeven. Zonder dat je er een moment bewust mee bezig was. En dat het nog geen jaar geleden feest was. Ze hadden er een hele poeha van gemaakt. Midden in het redactielokaal stond een stoel, versierd met serpentines in drie verschillende kleuren en iedereen was achter z'n bureau vandaan gekomen. Kempers had het woord genomen. 'Vijftien jaar bij de krant,' had hij gezegd. 'Nou, dat maak je toch zelden nog mee.' Daarna had hij m'n loyaliteit geprezen en m'n collegialiteit. Ik was iemand op wie je kon bouwen en die zich keer op keer bewezen had met een eigen geluid, waar ze trots op waren. De jongere verslaggevers konden een voorbeeld aan me nemen en de oudere konden een klankbord in me vinden.
Behalve die paar klootzakken zoals Peter, die het er voor hun plezier bij deden, waren het niks dan jonge knapen daar op de krant, die na hun studie een paar jaar nodig hadden om hun idealisme kwijt te raken voordat ze hun specialisme in het bedrijfsleven gingen stukslaan. Maar goed, die paar ouwe rotten die er dan waren en niet al te zeer op me neerkeken konden dus zo nu en dan komen vragen of ik vond dat ze gelijk hadden.
Volgens Kempers had ik alle kwaliteiten die een groot modern verslaggever moest hebben: ik beschikte over een goed gevoel voor grenzen, durfde in te gaan op wat het publiek wilde horen, en ik werd alom gerespecteerd vanwege zowel m'n verantwoordelijkheid als m'n subjectiviteit. En toen kreeg ik een speldje. Van echt goud. Het fonkelde in m'n handen. Daarna was er taart geweest en iedereen die wilde kon horen over m'n beste verhalen en waar ik nog uitdagingen in vond.
Ach, verheerlijken moest ik het ook niet doen, want het was ploeteren en het waren klootzakken net als overal en bepaald dat het zes van de zeven dagen niet door had kunnen gaan voor een pretje. Want legde ze maar eens uit daarboven dat een kater je behoorlijk naar beneden kon trekken zo niet voor dood achter kon laten, nee, zoiets toegeven was je eigen rapen gaarstomen, want het inlevingsvermogen was met de drank gemeterd op minimaal. Hooguit hadden ze me gevraagd hoe ik aan een kater kwam, terwijl de staat duidelijk uitdroeg dat twee glazen per week genoeg was.
Ze hadden altijd de wildste plannen met me als ik met lood in mijn schoenen binnen kwam lopen. Vooral op die dagen dat het me blauw onder de ogen stond van de avond ervoor, van hot naar her moest ik mezelf sjouwen als het aan hen lag, zelfs wanneer zowel zij als ik wisten dat het verdomme nog aan toe water in een vergiet sparen was, want dat niemand er iets van wilde weten van die praatjes die ik verzamelde, dan alsnog verwachtten ze dat ik het probeerde. Dus dan ging ik maar weer de boer op, misselijk en zwetend en met een bloeddruk tot het dak en verder. Het was bepaald geen lolletje. En de verhalen die mensen me wilden vertellen die lieten me steeds vaker koud, want allemaal al eens gehoord en geen eigen ellende, dus wat had ik er in godsnaam mee te maken? Dat was eigenlijk wat ik altijd dacht in die gesprekken: waar sta ik me nou toch mee te bemoeien?
Maar het geld was goed en er was dus ook nog iets van waardering voor wat ik deed, want verdomme dat niet iedereen er het zijne van wist, ik was goedbeschouwd een hele piet daar. Zelfs al wilde ik nergens uit vrije wil naartoe, waar zelden naar geluisterd werd, wat dan weer met dat inlevingsvermogen te maken had.
Ze hadden me uitgezonden naar zo'n warm land waar je met een stap buiten de deur al de zon in je huid voelt kruipen en je als een malle de vliegen van je af blijft slaan. In sommige landen kampen ze daar elke dag mee. En dat land waar ik naartoe gestuurd was, dat was zeker een van die landen.
God, je ging er bijna dood van ellende als je de avond ervoor flink had zitten innemen. Dan stond ik 's ochtends nog duizelig van de drank in zo'n overvolle bus, want in die landen zitten de bussen altijd overvol, te wachten tot ik eruit mocht. Wat dan nauwelijks verlichting bracht omdat de hitte als een klamme deken over de hele stad hing en de smog de helft van je adem wegnam, waardoor je het gevoel kreeg dat je pure alcohol uitademde en er uitlaatgassen voor terugkreeg. Dat mocht in die landen nog, die uitstoot. Bij ons moest elke schil in de juiste bak en was benzine bozer dan de duivel en Allah bij elkaar, maar daar reed iedereen nog vrolijk op die helse brandstof langs ongescheiden afval. En als je dan misselijk het ene been voor het andere zette dan raakte je er opeens van overtuigd dat heel het leven zinloos was. Dan wenste je jezelf dood. Zo erg was dat. En ik kon mezelf niet helpen, dus ik zette het elke avond op een zuipen en de volgende ochtend als de wekker ging dan wenste ik mezelf weer dood. Het was werkelijk niks gedaan.
Ik kende in dat hele land niemand behalve die klootzak van dat bedrijf die me moest uitleggen hoe dat project werkte waarin mijn chef geïnteresseerd was. Hij ging altijd boven me staan als hij sprak, wat misschien funest voor onze samenwerking had kunnen zijn, had ik hem goed verstaan, maar het waren slechts flarden die ik begreep, waardoor de situatie beheerst bleef, alhoewel hij me als mens niks beviel.
Omdat ik behalve die ellendeling niemand had, kwam ik in het weekend ook nog op uitnodiging bij hem over de vloer om met zijn vrouw en grut te eten. Wat me te denken gaf dat hij niet half zo'n hekel had aan mij als ik aan hem, want ik kon hem niet zien of luchten.
Na dat eten ging ik steevast naar een van die lokalen daar om me te verzuipen, want je moest toch wat, in zo'n stad zonder vrienden. En daar lag de verkoop van alcohol nog niet aan banden, dus ik liep zorgeloos lokaal na lokaal af en dan werd ik 's ochtends wakker met bonkend hoofd en strompelde ik misselijk naar de badkamer. Nee, het leven was zo kut als kootje, maar mooi dat ik me er niks van aantrok en mezelf elke dag weer uit bed hees. En dan kwam ik op dat bedrijf aan en dan zei die lulhannes iets in de trant van: 'Nou, ik hoop dat je een beetje helder bent, want het weekend is voorbij, vandaag gaan we een hele noot kraken, dus pak er maar een stoel bij.' Of zo verstond ik dat. Och, en het moet gezegd, eigenlijk kwam al wat hij zei uit eigen hoed door die taalbarrière die ik maar niet overwon, maar ik was ervan overtuigd dat het daardoor niet aan wetenswaardigheid inboette. En beschadigd raakte hij er niet van, want hij zag me braaf naar die stoel grijpen en geloofde er het zijne van.
Zo ging dat dag in dag uit, tot ik na drie weken naar huis mocht. Met onverrichte zaken mag ik wel zeggen, want ik had het opgegeven naar die klootzak te luisteren, de taalbarrière was me te groot en dat hele project waarvan ze wilden dat ik er een stuk over schreef, kon me eigenlijk van begin af aan al gestolen worden. En een paar weken later breiden we er gezamenlijk een eind aan. Ze zeiden: 'Zo gaat dat niet langer.' En: 'Pak jij je spullen maar, Bennie.' En zo kwam ik op de trappen terecht. En het klonk: Goedemorgen Bennie. Goedemorgen.

 

© 2017 Aukelien Weverling en Meulenhoff Boekerij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum