Leesfragment: Laat het stil zijn

12 april 2017 , door Femke Brockhus
| |

Op 13 april verschijnt Laat het stil zijn, de debuutroman van Femke Brockhus. Lees bij ons alvast een fragment.

Ruth wordt met haar zusje Carmel dagenlang in een overvolle schouwburg vastgehouden. Na dagen van angst wordt hun tocht vervolgd. De bestemming: een rauw isolement met slopende rituelen. Te midden van alle ellende zoekt Ruth een uitweg. Alles voor Carmel.

Laat het stil zijn is een poëtische roman over herinneren en vergeten, over de ruimte tussen dromen en leegte en hoe ergens op de grens twee zussen moeder en dochter worden.

 

*

We zitten op het podium. De gordijnen blijven onafgebroken open. Na wat duistere uren branden toneellampen samen met al het zaallicht, alsof hetzelfde middaguur blijft haperen, wanneer de zon op zijn felst is en de avond mijlenver lijkt. De attributen zijn zo klein mogelijk gestampt en aan de kant geschoven om plaats te maken. Overal liggen mensen, tassen en koffers. De vloer is hard. De stemmen, het gemurmel en gehuil weerkaatsen tegen de muren en komen ergens in het midden samen tot een onverstaanbaar geruis.

Mijn paniek groeit in stilte. Ik kan moeilijk slapen, niet zoals Carmel. Ik blijf zitten met de vraag wat we hier doen, in een schouwburg die is opgeheven, bezweken onder een te groot publiek. Drie of vier dagen nu. Misschien vijf.

Carmel maakt zich los van mijn schouder en komt overeind. Ze kijkt me verward aan en knippert tegen het licht. Mensen hebben wel gezegd dat het onderscheid tussen ons klein is. Dat we meer gemeen hebben dan dat we verschillen. Dat is nu veranderd. Tegen verwarring heb ik armen die wrijven en klemmen, tegen tranen heb ik droge wangen en mouwen, tegen slapen heb ik waken. Ik groter, haar bewaker, zij kleiner, haar overgave. We lijken steeds minder op elkaar.

Ga maar slapen.

 

*

Het is een scène waarin we ons bevinden, net niet sluitend genoeg om zijn onwaarachtigheid te verhullen. De schreeuwen zijn hard, het praten langs elkaar, het huilen is eindeloos, zo doen mensen niet. Dit is geschreven door een verward individu dat zich heeft verloren in details, onverhoeds zijpaden neemt en bovendien veel te veel mensen in zijn stuk heeft geschreven.

We weten het niet meer. We zijn onze tekst kwijt. Het is wachten op de regisseur die verbluffend hard in zijn handen kan klappen, stilte kan maken en ons vertelt wat er gaat gebeuren.

Het ruikt naar pis, zweet, vochtig katoen dat maar niet opdroogt, naar vingers die door plakkerige aarde woelen, grijpen in bollen en mestresten, tussen vaders wachtende oogst van aardappelen en uien, om er een worm te vinden. (Carmel zei met grote donkere ogen dat ik dat niet moest doen, ze walgt van alles wat tussen haar tenen door kan. Ik duwde mijn bruine vingers in haar neus. Ze rende huilend naar moeder. Ik stak mijn vingers onder mijn neus en snoof.) Zuur.

Alles went. Ga maar weer slapen.

 

*

We wachten talloze malen.

Ik denk aan de beste manier van alleen zijn. Verstopt in de kast, achter vaders zwarte pak dat ruikt naar oud verdriet. De warme eenzaamheid, het stof, de geur van alles wat opgeborgen is en blijft. Kijkend vanuit het donker door de nauwe kier tussen de deuren naar hen die mij zoeken. Ze roepen mijn naam: ruth, ruth, ruth. Ze zoeken mijn naam alsof mijn afwezigheid een geheim is dat ontfutseld moet worden. Ze denken: hoe meer ze me zeggen, hoe meer ze me maken. Maar ik bepaal zelf wanneer ik er weer ben.

Ik voel dat Carmel niet slaapt. Ze leunt te licht en beweegt te weinig. Ze houdt haar ogen dicht. Ze denkt dat als genoeg mensen denken dat ze slaapt, ze eigenlijk ergens ook echt slaapt, al is het in andermans gedachten. Ze is altijd goed geweest in het begrijpen van een eigen werkelijkheid.

(Ze schrikt als iemand blindelings haar gedachten kan raden. Ik zal daarom niet zeggen dat ze moet gaan slapen.)

De wereld kan over haar heen razen als ze in haar bed naar het plafond tuurt. Slap niet, eerder broos. Ze is als zo'n pluizenbol op een dunne stengel, ze buigt eindeloos mee met alle windrichtingen maar geeft alles als een vlaag abrupt trekt. Ze glimlachte naar me toen ik haar dit eens zei, ik weet niet zeker of ze zichzelf herkende of het niet begreep.

 

*

Ik ruik moeders nek. De zachte huid die ze elke morgen inwrijft met talgpoeder en wat olie uit een flesje die ik soms, als ik heel voorzichtig ben en niet meer dan drie druppeltjes uit het tuitje in mijn hand kan vangen, in haar nek mag uitsmeren. (Ze zegt dat het alleen nodig is als ze in de zon heeft gezeten, maar ik denk dat het meer van doen heeft met een chic Frans etiket dat op het flesje zit.) Ze ruikt roosachtig of zeepachtig, gemengd met een geur van geschuurd hout die uit de planken van de vloer komt en het wol van haar vele vesten.

Het is de geur die ik zoek als ik niet scherp kan zien van de koorts of wanneer ik in mijn dromen achtervolgd word door krioelende beestjes die onder de bedpoten vandaan komen en in mijn navel willen kruipen. Die geur, samen met de trilling van haar stem als ik in haar nek lig en zij zacht neuriet, telkens hetzelfde deuntje, tot ik slaap.

 

*

Een golf geluid gaat door de ruimte. Ik schrik op, Carmel veert overeind. In een gespannen oproer komt de zaal tot leven en maakt zich tegelijkertijd stil. Het moment voor de voorstelling begint.

Een deel zo groot als een derde van de mensen wordt opgeroepen en aangewezen. Ik maak me klein en probeer niet te luisteren, niet denken: wij moeten toch ook, niet denken: daarom zijn wij hier.

Maar wij zijn niet aan de beurt. Het zijn de ouderen. Ze staan wankelend op, grijpen naar hun spullen. Ze zoeken paden tussen benen en ruggen. Kijken in honderden ogen.

Ze gaan af zonder applaus. De zaal blijft zitten en fluistert na.

Met een doffe dreun valt de deur dicht. Een paar keer knipperen en een simpele gedachte dat er niet echt, echt iets is gebeurd. Er kruipt een warmte tegen mijn been, waar Carmel op de grond heeft gepiest.

 

*

We leren zo frequent ons gewicht telkens een stukje te verplaatsen dat de kramp in onze onderrug afneemt en we onze bilbotten het minst voelen.

Ik geloof dat Carmels tranen op zijn. Het is alsof ze al het voorgaande is vergeten en de ruimte voor het eerst kan bekijken. Ze kijkt verwonderd om zich heen met de zachtheid van iemand die dingen door vingers ziet.

Ik tel de bochten in de witte ornamenten van het plafond. Ondersteboven kunnen het fonteinen zijn. Het water valt naar beneden, pookt de leren lap die mijn tong is weer tot leven, spoelt de ranzige smaak weg en dooft de brand in mijn ogen.

Natuurlijk is dit niet waar. De lucht blijft akelig droog en in mijn hoofd bonst het van de slaap.

 

*

Ergens tussen slapen en waken sta ik in een hal. De muren zijn donker. Het kleine beetje licht uit de hoge ramen maakt de lucht donkergrijs. Links is een deur, ik trek hem open en zie verderop licht. Ik loop over houten planken die zacht kraken onder mijn voeten. Het ruikt naar stof, olie, touw. Dan sta ik op een toneel. Een spot richt zich op mij, het licht is zo fel dat ik het met mijn hand probeer af te schermen, maar het dringt tussen mijn vingers door. Ik zet een paar stappen opzij om het licht kwijt te raken, maar het lijkt me te volgen. Ik zie niks. Dan hoor ik een gil, ik blijf staan. Dat hoge geluid, door twee volle longen voortgeduwd.

Ik denk aan de keer dat Carmel stilletjes met haar duim in haar mond voorbij de kast liep die mij verborgen hield. Met hangende schouders schuifelde ze de gang op. Ze riep vader, moeder, mij nog eens. Maar ze was alleen. Toen dat besef viel, haalde ze haar duim uit haar mond en slaakte ze een stekende gil. Toen ik uiteindelijk uit de kast tevoorschijn kwam, bleek dat haar vinger tussen de deur zat.

Ik schreeuw haar naam. Een gorgelend geluid boven me. Ik knijp tegen het licht en tuur. Dan trekt het licht zich plotseling van me af. Het schijnt een paar meter hoger, waar ik Carmel zie hangen aan een touw. Ze is naakt. Ik zie de twee kuiltjes boven haar billen, de holle centimeters van haar rug. Haar benen bestijgen onzichtbare traptreden. Jankend zoek ik een ladder. Ik ren en beuk en duw platte bomen op standaarden om, ze vallen met een klap op de grond. Mijn voet blijft ergens achter haken, ik val en word wakker.

 

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum