Leesfragment: Lichte jaren

04 juli 2017 , door Elizabeth Jane Howard
| |

Elizabeth Jane Howards Lichte jaren (The Light Years, vertaling Inge Kok) is een van de Athenaeum Zomerboeken! Wij brengen daarom een uitgebreid fragment.

De nadagen van het victoriaanse Engeland en de eerste onzekere jaren na het einde van de oorlog vormen de achtergrond van de vierdelige 'Cazalet-kronieken' van Elizabeth Jane Howard, die de periode 1937-1947 omspannen. Deel 1, Lichte jaren, begint eind jaren dertig, in de laatste gouden jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In de zomermaanden komen drie generaties van de familie Cazalet bij elkaar op hun familielandgoed vlak buiten Londen. Ze vullen hun dagen met kinderspelletjes in het bos, picknicken op het strand, gin-tonics in de tuin, feestmalen in de eetkamer. Het is een zonovergoten, onbekommerde tijd - maar onder de idyllische oppervlakte broeien er affaires en gefnuikte ambities; en de oorlog werpt zijn schaduw vooruit. Lichte Jaren: voor de liefhebbers van Downton Abbey.



Lansdowne Road


1937

 

De dag begon om vijf voor zeven met het aflopen van de wekker, die Phyllis van haar moeder had gekregen toen ze in een dienstje was gegaan en die eindeloos bleef rinkelen tot ze hem uitdrukte. Edna, in het andere krakende ijzeren ledikant, kreunde en draaide zich om, kroop in elkaar gedoken tegen de muur aan; ze had er zelfs ’s zomers een hekel aan om op te staan, en ’s winters moest Phyllis soms het beddengoed van haar af trekken. Ze ging rechtop zitten, verwijderde de schuifspeldjes en haar haarnetje en begon haar krulspelden los te draaien: vandaag had ze haar halve vrije dag en ze had haar haar gewassen. Ze stapte uit bed, raapte het dekbed van de vloer waar het ’s nachts op was gevallen en trok de gordijnen open. Zonlicht friste de kamer op: maakte toffee van het linoleum en gaf de kale plekjes op de witte emaillen lampetkan op de wastafel een leiblauwe kleur. Ze knoopte haar flanellen nachtjapon open en waste zich zoals haar moeder haar had geleerd: gezicht, handen en – omzichtig – onder haar armen met een washandje dat in het koude water was gedoopt. ‘Schiet op,’ zei ze tegen Edna. Ze goot haar waswater in de emmer en begon zich aan te kleden. Zodra ze haar ondergoed aan had, trok ze haar nachthemd uit en schoot ze in haar ochtendjurk van donkergroen katoen. Ze zette haar kapje op haar nog niet uitgeborstelde worstenkrullen en strikte haar schort rond haar middel vast. Edna, die zich ’s morgens veel minder waste, had het klaargespeeld zich nog half in bed aan te kleden – een overblijfsel van de winter (er was geen verwarming in de kamer en ze zetten nooit van hun leven het raam open). Om tien over zeven waren ze allebei klaar om stilletjes door het slapende huis naar beneden te gaan. Phyllis bleef op de eerste verdieping staan en opende een slaapkamerdeur. Ze trok de gordijnen open en hoorde de grasparkiet ongeduldig in zijn kooi gaan verzitten
‘Juffrouw Louise! Het is kwart over zeven.’
‘O Phyllis!’
‘U hebt me gevraagd of ik u wilde roepen.’
‘Is het een mooie dag?’
‘Het is heel zonnig.’
‘Haal Ferdies doek weg.’
‘Als ik dat niet doe, staat u des te sneller op.’
In de keuken (het souterrain) had Edna de ketel al opgezet en hun kopjes stonden op de geboende tafel. Er werden twee potten thee gezet: de gestreepte donkerbruine voor de boden – en daarvan bracht Edna een kopje naar boven, naar Emily, de kokkin – en de witte Minton, die nu op een dienblad werd klaargezet met de bijbehorende kopjes en schoteltjes, het melkkannetje en de suikerpot, voor boven. Het was Phyllis’ taak om meneer en mevrouw Cazalet thee op bed te brengen. Daarna zou ze alle koffiekopjes en glazen uit de salon halen, die Edna dan al aan het luchten en schoonmaken zou zijn. Maar eerst was er hun eigen kokendhete kop sterke Indiase thee. Boven dronken ze Chinese thee, waarvan Emily zei dat ze de lucht niet eens kon verdragen, laat staan dat ze het spul kon drinken. Ze dronken hun thee staand, voor de suiker zelfs maar tot het smeltpunt was doorgeroerd.
‘Hoe gaat het met je puistje?’
Phyllis voelde behoedzaam aan de zijkant van haar neus.
‘Het lijkt wat kleiner. Goed dat ik het niet heb uitgedrukt.’
‘Ik heb het je gezegd.’ Edna, die ze nooit had, was de autoriteit op het gebied van puistjes; er ging desondanks troost uit van haar overvloedige, kosteloze en tegenstrijdige adviezen; ze getuigden van belangstelling, vond Phyllis.
‘Nou, hier worden we geen miljonair van.’
Dat werden ze nergens van, dacht Edna mistroostig, en Phyllis bofte toch maar, ondanks haar problemen met haar huid. Edna vond meneer Cazalet echt reuzeknap, en zij zag hem nooit in zijn pyjama, Phyllis elke ochtend.

Zodra Phyllis de deur had dichtgedaan, sprong Louise uit bed en trok ze de doek van de vogelkooi. Hij hupte zogenaamd geschrokken rond, maar ze wist dat hij blij was. Haar kamer, die uitkeek op de achtertuin, kreeg een beetje ochtendzon, wat ze goed voor hem vond, en zijn kooi stond op de tafel voor het raam, naast de goudvissenkom. De kamer was klein en stond propvol met haar bezittingen: haar schouwburgprogramma’s, de rozetten en twee piepkleine bekertjes die ze had gewonnen bij gymkana’s, haar fotoalbums, het bukshouten kastje met ondiepe laden waarin ze haar schelpenverzameling bewaarde, haar porseleinen dieren op de schoorsteenmantel, haar breiwerk op de ladekast, samen met haar kostbare lippenstift van Tangee, die feloranje leek maar op de mond roze werd, coldcream van Ponds en een blikje talkpoeder van Californian Poppy, haar beste tennisracket en in de allereerste plaats haar boeken, die uiteenliepen van Winnie-the-Pooh tot haar nieuwste, meest gekoesterde aanwinsten, twee uitgaven van de Phaidon Press met reproducties van Holbein en Van Gogh, haar lievelingsschilders van dat moment. Er was een ladekast vol kleren die ze vrijwel nooit droeg, en een bureau – een cadeau van haar vader voor haar laatste verjaardag – van Engels eikenhout dat afkomstig was van een boomstam met een unieke, ongewone nerf, en daarin zaten haar geheimste schatten: een foto van John Gielgud met zijn hándtekening, haar sieraden, een heel dun stapeltje brieven die haar broer Teddy op school had geschreven (sportief en gekscherend van aard, maar de enige brieven van een jongen die ze had), en haar verzameling zegelwas – waarschijnlijk, dacht ze, de grootste van het land. De kamer bevatte ook een grote oude kist vol verkleedkleren: afgedankte avondjurken van haar moeder, kokerjurken vol kraaltjes, chiffon en satijn, jasjes van velours fleuré, gaasachtige, vagelijk oosterse sjaals en omslagdoeken uit vroegere tijden, vieze, plagerige veren boa’s, een met de hand geborduurd Chinees gewaad dat een familielid had meegenomen van zijn reizen, en broeken en tunieken van satinet – dingen die voor familietoneelstukken waren gemaakt. Als je de kist opendeed, rook hij naar heel oud parfum en mottenballen en opwinding – die laatste geur bestond uit een flauwe metaallucht en was volgens Louise afkomstig van al het borduursel met aangeslagen goud- en zilverdraad op sommige kledingstukken. Verkleden en acteren was iets voor de winter; nu was het juli en naderde de eindeloze, heerlijke zomervakantie. Ze trok een linnen tuniek en een blouse van Aertex aan – scharlakenrood, haar lievelingskleur – en liep de deur uit om Derry te gaan uitlaten.
Derry was niet haar hond. Ze mocht geen hond hebben, en deels om haar wrevel hierover in leven te houden liep ze elke ochtend het blok rond met de stokoude bulterriër van de buren. Ze liet hem ook uit omdat het huis waarin hij woonde haar fascineerde. Het was heel groot – je kon het vanuit haar achtertuin zien – maar het was totaal anders dan haar huis en ook dan de huizen van al haar vriendinnen. Er waren geen kinderen. De knecht die haar binnenliet als ze met Derry wilde gaan wandelen, ging altijd weg om hem te halen, waardoor ze tijd had om door de hal van zwart en wit marmer te drentelen naar de open dubbele deur van een galerij die neerkeek op de salon. Die kamer verkeerde elke ochtend in de staat van wanorde die op een luxueus feest volgt: het rook er naar Egyptische sigaretten – zoals tante Rachel rookte – en er waren altijd heel veel bloemen, van die stinkdingen: hyacinten in het voorjaar, nu lelies, anjers en rozen in de winter; er lagen overal gekleurde zijden kussens en er waren tientallen glazen, open dozen met bonbons en soms kaarttafels waarop kaartspellen lagen en een blocnoteje om de score bij te houden met een potlood met een kwastje eraan. Het was er altijd schemerig doordat de crèmekleurige zijden gordijnen maar half open waren. Voor haar gevoel waren de eigenaars – die ze nooit zag – steenrijk, kwamen ze waarschijnlijk uit het buitenland en waren ze wellicht behoorlijk decadent.
Derry, die dertien zou zijn, waardoor hij eenennegentig was volgens de tabel met hondenleeftijden die ze had gemaakt, was een heel saaie hond om uit te laten omdat hij alleen nog maar in staat was tot een wandeling met regelmatige eindeloze onderbrekingen bij een reeks lantaarnpalen, maar ze vond het leuk om een hond aan een riem te hebben, zodat ze als een eigenaar naar mensen kon lachen, die daardoor zouden denken dat hij van haar was, en ze bleef hopen dat ze op een dag een bewoner van het huis of een van de decadente vrienden daadwerkelijk buiten westen in de salon zou aantreffen, zodat ze de persoon in kwestie zou kunnen inspecteren. Het moest een korte wandeling zijn, want ze hoorde een uur te studeren voor het ontbijt om kwart voor negen, en daarvoor moest ze een koud bad hebben gehad omdat pap zei dat het heel goed voor je was. Ze was veertien, en ze voelde zich nu eens heel jong en op alles voorbereid, dan weer lusteloos van ouderdom – uitgeput als het erom ging iets te doen wat van haar werd verwacht.
Nadat ze Derry thuis had afgeleverd, kwam ze de melkboer tegen, en ze kende zijn paard Peggy goed, want ze had op een stuk flanel gras voor haar gekweekt omdat Peggy nooit de stad uit kwam, en iedereen die Black Beauty had gelezen, wist hoe vreselijk het voor paarden was om nooit in de wei te komen.
‘Een heerlijke dag,’ merkte meneer Pierce op terwijl ze Peggy’s neus streelde.
‘Ja, hè?’
‘Menige heerlijke ochtend heb ik aanschouwd,’ mompelde ze toen ze hem was gepasseerd. Als ze trouwde, zou haar man het heel opmerkelijk vinden dat ze overal een citaat van Shakespeare bij kon bedenken – wat er ook gebeurde. Aan de andere kant zou ze misschien niet met iemand trouwen, want Polly zei dat seks heel saai was en zonder kon je eigenlijk niet aan een huwelijk beginnen. Of Polly moest het natuurlijk mis hebben; dat was vaak zo, en het was Louise opgevallen dat ze dingen saai noemde als ze ertegen was. ‘Je weet er geen snars van, George,’ voegde ze eraan toe. Haar vader noemde iedereen die hij niet kende George – dat wil zeggen, alle mannen, en het was een van zijn favoriete opmerkingen. Ze belde drie keer aan, zodat Phyllis zou weten dat zij het was. ‘Laat ik geen beletsel dulden bij de vereniging van waarachtige geesten.’ Het klonk een beetje onwillig, maar ook nobel. Was ze maar Egyptisch, dan had ze met Teddy kunnen trouwen, net als de farao’s, en Cleopatra was per slot van rekening het resultaat van zes generaties van incest, wat incest ook mocht zijn. Als je niet naar school ging, had dat het grote nadeel dat je totaal andere dingen wist, en tijdens de kerstvakantie was ze zo dom geweest om tegenover haar nichtje Nora, die wel naar school ging, te doen alsof seks oude koek was, waardoor ze helemaal niets te weten was gekomen. Toen ze net nogmaals wilde aanbellen, deed Phyllis de deur open.

‘Louise zou kunnen binnenkomen.’
‘Onzin. Ze laat de hond uit.’ Voor ze nog iets kon zeggen, drukte hij zijn mond, met aan de bovenkant de rand van zijn borstelige snor, op de hare. Even later trok ze haar nachtjapon op en lag hij op haar. ‘Lieve Villy,’ zei hij drie keer voor hij klaarkwam. Viola had hij nooit wat gevonden. Na afloop slaakte hij een diepe zucht, en hij haalde zijn hand van haar linkerborst en kuste haar hals.
‘Chinese thee. Ik weet niet hoe je het klaarspeelt om altijd naar viooltjes en Chinese thee te ruiken. Alles kits?’ voegde hij eraan toe. Dat vroeg hij altijd.
‘Zalig.’ Voor zichzelf noemde ze het een leugentje om bestwil, en in de loop der jaren was het bijna genoeglijk gaan klinken. Ze híéld uiteraard van hem, dan kon ze toch niets anders zeggen? Seks was nu eenmaal voor mannen. Vrouwen, nette vrouwen tenminste, hoorden er niet om te geven, maar haar eigen moeder had erop gezinspeeld (de enige keer dat ze het onderwerp überhaupt ooit vagelijk had aangeroerd) dat het de ergst mogelijke vergissing was om je man ooit te weigeren. Dus had ze hem nooit geweigerd, en hoewel de ontdekking wat er werkelijk gebeurde haar achttien jaar geleden nogal een schok en een scherpe pijn had bezorgd, waren deze gevoelens door gewenning opgelost tot louter geduldige afkeer, en het was tegelijkertijd een manier om haar liefde te bewijzen, wat voor haar gevoel toch goed moest zijn.
‘Laat het bad alvast voor me vollopen, lieveling,’ riep ze toen hij de kamer verliet.
‘Komt voor elkaar.’
Ze probeerde een tweede kop thee, maar die was koud, dus stond ze op en trok ze de grote mahonie kleerkast open om te beslissen wat ze zou aantrekken. Vanochtend moest ze met juf en Lydia naar Daniel Neal voor zomerkleren, dan volgde een lunch met Hermione Knebworth en daarna zou ze met haar mee teruggaan naar haar zaak om te zien of ze een of twee avondjaponnen kon vinden – in deze tijd van het jaar had Hermione meestal dingen in de uitverkoop voordat iedereen de hele zomer wegging. Daarna móést ze naar mama, want daar was het gisteren niet van gekomen, maar ze zou niet lang hoeven te blijven, want ze moest naar huis om zich te verkleden voor de schouwburg en het diner met de Warings. Je kon echter niet naar Hermiones winkel gaan zonder op zijn minst je best te doen er chic uit te zien. Ze koos voor de beigegrijze linnen jurk met een helderblauwe bies van gekeperd lint die ze daar vorig jaar had gekocht.
Ik leid precies het leven, dacht ze (het was geen nieuw idee, eerder een herhaling), dat van me wordt verwacht: dat de kinderen verwachten, en dat mama altijd verwacht, en dat Edward natuurlijk verwacht. Zo gaat dat met mensen die trouwen, en de meeste mensen trouwen niet met iemand die zo knap en aardig is als Edward. Maar door het begrip keus – althans na een zeer vroeg tijdstip – uit haar gedrag te verwijderen, werd het wenselijke aspect plicht eraan toegevoegd: ze was een serieuze vrouw die was veroordeeld tot een oppervlakkiger leven dan haar aard had aangekund (als alles heel anders was gelopen). Ze was niet ongelukkig – ze had alleen veel meer kunnen zijn.
Toen ze de overloop overstak naar de grote kleedkamer van haar man waarin hun bad stond, hoorde ze Lydia op de bovenste verdieping tegen juf schreeuwen, wat betekende dat haar haar werd gevlochten. Beneden begon een etude in c groot van Von Bülow op de piano. Louise was aan het studeren.

 

 

 

MINDBOOKSATH : athenaeum