Leesfragment: Liefs van Boy

03 september 2017 , door Roald Dahl
| |

5 september verschijnt de vertaling Liefs van Boy, van de brieven van Roald Dahl aan zijn moeder, in de reeks Privédomein. Lees bij ons alvast een fragment.

Roald Dahl schreef zijn eerste brief aan zijn moeder, Sofie Magdalene, toen hij negen jaar oud was en op een kostschool verbleef. In veel opzichten was zijn moeder Dahls eerste lezer en zonder zijn correspondentie met haar was hij misschien wel nooit schrijver geworden. Sofie Magdalene bewaarde elke brief van haar zoon. Zij was degene die hem aanmoedigde om verhalen te vertellen en die zijn verlangen stimuleerde om te verzinnen, te overdrijven en te vermaken. Hij vertelde haar wekelijks over zijn avonturen, meningen en frustraties. In deze brieven ontwikkelde Dahl de duistere humor en fantastische verbeelding waarmee hij later zijn tijdloze verhalen zou schrijven.

De brieven, geschreven tussen 1925 en 1965, vormen een prachtige aanvulling op autobiografisch werk als Boy en Solo. Ze overspannen een groot deel van Dahls leven: we volgen hem op een Engelse kostschool, in Afrika bij Shell en de Royal Airforce en als diplomaat en schrijver in Amerika. Deze bloemlezing werd samengesteld en toegelicht door Donald Sturrock, schrijver van de gerenommeerde Roald Dahl-biografie Verhalenverteller.

 

 

Hoofdstuk 1
‘Stuur ook wat kastanjes’
1925-1929

Roald heeft zijn schooljaren niet als bijster gelukkig ervaren. In de zomer van 1925 haalde Sofie Magdalene haar zoontje van acht van de Cathedral School in Llandaff, Cardiff, omdat de hoofdmeester hem een ongenadig pak slaag had gegeven. En het klinkt misschien krankzinnig, maar ze stuurde hem vervolgens naar een nog spartaansere onderwijsinstelling aan de overkant van het Bristol Channel, in Somerset. Ze gaf Roald te verstaan dat ze dat deed omdat ze haar man, toen hij op sterven lag, had beloofd dat ze niet zou terugkeren naar Noorwegen voor al hun kinderen een opleiding aan een Engelse kostschool hadden genoten.
In Boy, zijn jeugdherinneringen, zou Roald later een levendig beeld schetsen van zijn leven op St Peter’s School in de vervallen badplaats Weston-super-Mare (of Westonsuper- Modder, zoals hij het vaak noemde). Hij zou zijn schoolervaringen verder, nog eens flink aangedikt, gebruiken in Matilda, zijn laatste kinderboek. Hoewel dat laatste boek bol staat van de bizarre bedenksels, vertoont Crunchem Hall – de school van Matilda waar de angstaanjagende Miss Trunchbull de scepter zwaait – opmerkelijke overeenkomsten met St Peter’s, zowel qua gebouw als qua regels, die in het geval van St Peter’s uit de koker kwamen van het enge schoolhoofd, Mr Alban J. Francis, en die een voorbode zouden zijn van de regels van Trunchbull.
St Peter’s was in 1900 opgericht en gehuisvest in een imposant gebouw met twee verdiepingen en een rijtje puntgevels, grotendeels opgetrokken uit plaatselijk gewonnen steen en overwoekerd met wilde wingerd. De school werd omringd door speelvelden, moestuinen en tennisbanen. Er verbleven rond de tachtig jongens van tussen de acht en de dertien. De klaslokalen waren op de begane grond; boven bevonden zich de kille, akelige slaapzalen. Afgezien van de vrouw van het schoolhoofd – die het bewind voerde in de slaapzalen en ‘als een panter’ door de gang sloop – was er alleen mannelijk personeel. Roald zou later schrijven dat de school ‘wel wat deed denken aan een particulier gekkengesticht’.
Het hoofd der school was de grootste schurk van het gesticht, met zijn gouden voortand, zijn haaiengrijns en zijn haar waar zoveel pommade in was gesmeerd dat het ‘glinsterde als boter’. Douglas Highton, Roalds beste vriend op school, herinnerde zich hem als ‘wreed, zonder meer ... een beest van een vent die niets liever deed dan leerlingen afrossen’. Het was op St Peter’s, onder scherp toeziend oog van het schoolhoofd, dat Roald zijn eerste brief naar huis schreef.
Roald was er altijd op gebrand zijn jeugdige lezers duidelijk te maken dat die ‘epistels’ geschreven werden in een sfeer van censuur. ‘Als we het eten niet lekker vonden of de pest hadden aan een bepaalde meester, of als we een pak rammel hadden gekregen voor iets wat we niet hadden gedaan, durfden we daar in onze brieven nooit melding van te maken,’ legde hij uit. ‘Sterker nog, we maakten het vaak zelfs nog mooier. Om de gevaarlijke hoofdmeester te behagen die over onze schouder hing en meelas wat we geschreven hadden, meldden we allerlei geweldige dingen over de school en weidden we uit over hoe aardig de meesters wel niet waren.’
In het begin had hij vreselijke heimwee. In Boy beweerde hij dat hij zich zo ongelukkig voelde dat hij heel overtuigend de symptomen van een blindedarmontsteking voorwendde en naar huis werd gestuurd, naar Cardiff, waar de huisarts hem snel doorhad en hem weer terugstuurde naar school. Maar uit de brieven aan zijn moeder spreekt geen neerslachtigheid. Noch wordt er melding gemaakt van de lijfstraffen waar hij later over zou vertellen. In plaats daarvan zijn zijn brieven altijd opgewekt van toon en staan ze vol curieuze en komieke details. Je voelt meteen aan dat Roald in de eerste plaats vermaak wil bieden.
Hij schreef zijn moeder minstens één keer per week, eerst naar Cardiff, later naar Bexley. In veel vroege brieven wordt het huiselijke leven dat hij heeft achtergelaten vol warmte aangeroerd, hoewel het welzijn van de huisdieren – Mike, Buzz, Barney, Jack etc. – hem vaak meer ter harte lijkt te gaan dan dat van zijn zussen Alfhild, Else en Asta, die ook wel ‘Baby’ wordt genoemd. Sofie Magdalene moedigde zijn voorliefde voor biologie en voor uitvinden en verzamelen aan. Net als verschillende van zijn meesters leefde ze zelfs mee met die typische hobby voor schooljongens, postzegels verzamelen. Roald schreef haar over allerlei ruiltransacties en over Penny Blacks in slechte staat alsof ze een leeftijdgenootje van hem was – zij het op een andere school. Hij schreef ook geregeld aan zijn peetvader ‘Parrain’ – Ludvig Aadnesen, de zakenpartner van wijlen zijn vader –, aan zijn grootouders van moederskant, Bestemama en Bestepapa, en aan zijn twee vrijgezelle tantes in Oslo, Astrid en Ellen.
Die vroege brieven verraden al plezier in de kunst van het vertellen. Zijn enthousiasme voor verhalen uit de wereld van de natuur, zijn fascinatie voor het vliegen, voor figuren die hun verdiende loon krijgen, voor verhalen met een onverwacht einde, en het genoegen dat het hem doet als de underdog aan het langste eind trekt – het komt allemaal naar voren in zijn allereerste ‘vertelbrief’, over vogellegenden, een brief die hij als jongetje van negen schreef. Veel van de dingen waarvan in deze brieven wordt verhaald – over het maken van vuurballonnen, of over het recept voor een drankje van een of andere Chinese arts – duiken later al dan niet vervormd op in zijn fictie. De kick van het vliegen op de rug van een vogel zou op indringende wijze worden beschreven in zijn laatste verhaal voor kinderen, The Minpins. Ook interessant aan zijn brieven is wat hij er niet in vertelt. Ze delen zelden iets mee wat getuigt van zelfmedelijden of ongelukkigheid. Dat was natuurlijk ten dele te wijten aan de kritische blik van de hoofdmeester die over zijn schouder meekeek, maar kwam ook voort uit de mentaliteit die op Britse kostscholen nog wel een jaar of vijftig de boventoon zou voeren. Daar werd ieder kind dat op enigerlei wijze blijk gaf van kwetsbaarheid met minachting en hoon overladen. Die houding zag je zowel bij meesters als bij kinderen. Ook ouders hechtten grote waarde aan een stoïcijnse gelatenheid en kozen in het geval van een meningsverschil gewoonlijk partij voor de meester, en niet voor hun eigen kind.
Dat waardesysteem is een belangrijk thema van Matilda en wordt daarin verwoord door ‘een grof kind van tien met een steenpuist op haar neus’ dat Hortensia heet. Zij heeft alle kwellingen die de school te bieden heeft doorstaan, inclusief de gevreesde celstraf in het ‘stikhok’. Ze is een survivor en praat met Matilda ‘met het air van een oude soldaat die al zo vaak slag heeft geleverd dat moed iets heel gewoons is geworden’. Matilda heeft snel in de gaten dat het leven op school ‘net zoiets als oorlog’ is.
Hortensia is een voorbeeld voor Matilda, en uiteraard voor Roald. Ze is een outsider, een subversief element. Ze klaagt niet. Ze kent geen angst. Ze smeert stroop op de stoel van de directrice en doet jeukpoeder in haar onderbroek. Ze is een voorwerp van aanbidding, ‘iemand die de kunst van het streken uithalen tot in de perfectie beheerste’. De meeste brieven die Roald in zijn kostschooltijd naar huis stuurde zijn doordrongen van haar geest van obstinaat verzet, wat mede verklaart waarom hij nooit klaagt. In een dergelijk conflict heeft protesteren geen zin. Dat zou het alleen maar erger maken. Zelfs de liefste ouders kunnen je niet helpen. ‘Dat kan ze toch allemaal niet maken?’ klaagt Lavender, een vriendinnetje van Matilda, dat er zonder meer van uitgaat dat als ze haar vader over de wreedheden van Miss Trunchbull vertelde, hij ertegen in het geweer zou komen. ‘Nee hoor,’ luidt het kalme antwoord van Matilda. ‘Hij zou je niet eens geloven.’

 

11 oktober 1925
St Peter’s
Weston-super-Mare

Lieve Mama,
Het spijt me dat ik niet eerder heb gesgreven. We Er was een voetbal match gistur, dus ik h tegen clerens, en het eerste elftal heeft verloren met 2 goals, de score was 3 goals tegen 2, maar het tweede elftal won met 5 goals de score was 5 nul. We hebben wonsdag tegen Brien huis gespeel en de score was 1 voor allen. Ik hoop dat jullie geen verkouden zijn. Het is een mooie dag van-daag, ik ga net naar de kerk. Ik hoop dat het met mike nu goed gaat, en Buzz. Majoor Cottam gaat van avond iets resiteren wat ‘naar het u bevalt’ heet. Zou u me alstublief zo snel moglijk wat kastanjes kunnen sturen, maar steer stuur niet te veel, het stuur ze in een blikje en wikel dat in papier
Liefs van
Boy

 

8 november 1925
St Peter’s
Weston-super-Mare

Lieve Mama,
Dank u wel voor u brief. We hebben donderdag een fijne dag gehad, die S.2 Mount Vesuvius was het mooiste. Eerst maakte die een gouden fontein en toen een zilveren, en we hadden groot vreugdevuur met Guy [Fawkes] erbovenop, en een van mijn mooiste vuurwerk was de sneeuw storm, die verlichtte het hele terein ... een keer hield ik een rotje in mijn hand en ik wist niet dat hij afging bam in mijn hand, en ik schrok me een hoedje, we hadden ook een paar hele mooie raketten, die gingen de hele tijd de lucht in, er waren best veel mensen die op de weg achter de school stonden te kijken; als we genoeg vuurwerk over hadden moesten we die in het vuur gooien, op vrijdag morgen brandde het nog. Het veld lag in de morgen vol gebruikt vuurwerk, en we vonden ook een heleboel dat niet was af gegaan.
We hebben gister tegen Brien House gespeelt maar ze hebben ons met 4 goals tegen nul verslagen, maar ze hadden zon lange kieper dat hij met zijn hoofd de lat kon raken en hij moet wel vijftien zijn geweest, ik denk dat het was omdat wij vorige keer van hun hebben gewonnen.
Een Mr Nicholl gaf gister een mooie lezing over vogels, hij vertelde hoe uilen muizen eten. Ze eten de hele muis, met huid en al, en dan gaan de huid en de botjes in een soort klein pakje in zijn buik en dat legt hij op de grond, en die heten uilenballen, en hij liet ons een paar fotos zien van sommige die hij gevonden had, en van een hele boel andere Vogels. We hebben een nieuwe meester die Mr Bryant heet hij heeft ons meegenomen op een wandeling naar hotel anchor head en we liepen over een soort pier van beton en daar was een eilandje en daar sprongen we op en toen ik terug sprong ging ik er tot mijn knieen in, het was nog geluk dat ik niet verder ging. We hebben mooi weer gehad maar vandaag is het een betje koud. Ik hoop dat alles met u goed gaat. Volgens mij is dit de langste brief die ik ooit aan u heb geschreven. Ik kreeg een brief van tante-astrid en ik heb haar er een terug gestuurd.
Liefs van
Boy

 

Copyright © 2016 Roald Dahl Nominee Ltd.
Copyright Nederlandse vertaling © 2017 Auke Leistra/ bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam

MINDBOOKSATH : athenaeum