Bestel uw boeken online bij Athenaeum Boekhandel!

Leesfragment: Maangloed

19 maart 2017 , door Michael Chabon
|

11 april treedt Michael Chabon op bij het John Adams Institute bij Paradiso Noord. Vandaag publiceren we voor uit Maangloed (Moonglow, vertaald door Gerda Baardman, Jan de Nijs en Tjadine Stheeman)!

Michael Chabon schreef met Maangloed een nieuw literair meesterwerk dat moeiteloos waarheid met fictie vervlecht. Intens, tragikomisch, ontroerend en bovenal: chabonesk. Chabon won voor zijn roman De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay de Pulitzer Prize.  

Vlak nadat zijn debuutroman De geheimen van Pittsburgh verscheen, reisde Michael Chabon naar zijn moeders huis om een bezoek te brengen aan zijn terminaal zieke grootvader. Op zijn doodsbed vertelt zijn opa over de rebelse jonge man die hij ooit was en het roerige leven dat volgde in een levensverhaal dat de twintigste eeuw omspant: over de joodse achterbuurten van Zuid- Philadelphia waar hij als schoffie opgroeide in de jaren dertig en zijn rol in de Tweede Wereldoorlog, over zijn obsessie met het Amerikaanse ruimtevaartprogramma vanaf de jaren zestig tot zijn flirt als oude man met een intrigerende dame in het bejaardentehuis in Florida. In het tijdsbestek van een week hoort Michael nooit eerder vertelde verhalen, over oorlog en avontuur, lust en liefde, waanzin en existentiële twijfel en, uiteindelijk, over de verwoestende impact van geheimen en leugens.

 

1

Zo heb ik het verhaal gehoord. Toen Alger Hiss uit de gevangenis kwam, kon hij moeilijk aan een baan komen. Hij had aan Harvard rechten gestudeerd, bij Oliver Wendell Holmes op kantoor gewerkt en een bijdrage geleverd aan het opstellen van het Handvest van de Verenigde Naties, maar hij was ook veroordeeld wegens meineed en was berucht als werktuig van het wereldwijde communisme. Hij had zijn memoires gepubliceerd, maar die waren saai en niemand wilde ze lezen. Zijn vrouw was bij hem weggegaan. Hij was blut en wanhopig. Uiteindelijk kreeg een van de vrienden die hij nog over had medelijden met de stumper en boorde zijn connecties aan. Hiss werd in dienst genomen door een bedrijf in New York dat een modieus soort haarspeldje van lussen pianosnaar maakte en verkocht. Feathercombs Inc. was goed van start gegaan, maar zat nu in zwaar weer doordat een grotere concurrent die hun ontwerpen namaakte, hun merkenrecht schond en artikelen onder de prijs op de markt bracht. De verkoop was sterk afgenomen. De salarissen konden maar net worden betaald. Om Hiss te kunnen aannemen, moest iemand anders worden ontslagen.
In een verslag van de arrestatie van mijn grootvader in The Daily News van 25 mei 1957 wordt hij door een niet met name genoemde collega beschreven als ‘het stille type’. Voor zijn collega-verkopers bij Feathercombs was hij een vilthoed aan de kapstok in de hoek. Hij was de hardstwerkende maar minst presterende medewerker van de verkoopafdeling. In zijn lunchpauze zonderde hij zich af met een boterham en de nieuwe Sky and Telescope of de Aviation Week. Men wist dat hij in een Crosley reed, een buitenlandse vrouw en een puberdochter had en ergens diep in Bergen County woonde. Voor zijn arrestatie had mijn grootvader twee keer indruk op zijn collega’s gemaakt. Midden onder de vijfde wedstrijd van de World Series van 1956 hield de radio op kantoor er ineens mee op, waarop mijn grootvader hem repareerde met een buisje dat hij uit de telefooncentrale had gesloopt. En een copywriter van Feathercombs meldde een keer dat hij mijn grootvader tegen het lijf was gelopen bij het Paper Mill Playhouse in Millburn, waar de buitenlandse echtgenote nota bene de hoofdrol, Sera - fina, speelde in De getatoeëerde roos. Verder wist niemand veel over mijn grootvader en zo leek hij het ook graag te willen houden. Hij glimlachte weleens, maar lachte nooit. Als hij er al een politieke mening op nahield – of wat voor mening dan ook – bleef die op de burelen van Feathercombs Inc. onbekend. Men meende dat het moreel onder het personeel er niet onder zou lijden als hij werd ontslagen.
Even na negenen op de ochtend van de vierentwintigste hoorde de directeur van Feathercombs lawaai op de gang bij zijn kamer, waar een schrander meisje was neergepoot om schuldeisers en belastinginspecteurs tegen te houden. Een mannenstem sprak op een dringende toon die al snel aanzwol tot woede. De intercom op het bureau van de directeur zoemde en zoemde weer. Hij hoorde gerinkel van brekend glas. Het klonk als een telefoon waar de hoorn op wordt neergeknald. Voordat hij kon opstaan om te kijken wat er aan de hand was, stormde mijn grootvader de kamer in. Hij zwaaide met een zwarte hoorn (in die tijd een stomp voorwerp) met een meter rafelig snoer eraan.
Eind jaren dertig had mijn grootvader, als hij zijn geld niet bij elkaar sjacherde met biljarten, een vierjarige technische opleiding gevolgd, die hij bekostigde door voor het warenhuis Wanamaker’s piano’s te bezorgen. Zijn schouders vulden de hele deuropening. Zijn kroezende haar had zich aan de dagelijkse portie Brylcreem ontworsteld en deinde boven op zijn hoofd. Zijn gezicht was zo rood aangelopen dat hij wel verbrand leek. ‘Ik heb nog nooit iemand zó kwaad gezien,’ zei een ooggetuige tegen de verslaggever van de News. ‘De rook kwam zowat uit zijn oren.’
De directeur van Feathercombs ontdekte tot zijn verbazing dat hij zijn goedkeuring had gegeven voor het ontslag van een gevaarlijke gek. ‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg hij.
Dat was een zinloze vraag en mijn grootvader verwaardigde zich dan ook niet hem te beantwoorden; hij trapte niet graag open deuren in. De meeste vragen die mensen stelden dienden volgens hem vooral om loze ruimte op te vullen, je in je bewegingsvrijheid te beperken en je energie en aandacht af te leiden. Maar goed, mijn grootvader en zijn emoties hadden nooit echt met elkaar overweg gekund. Hij greep het rafelige uiteinde van het telefoonsnoer. Hij wikkelde het twee keer om zijn linkerhand.
De directeur probeerde op te staan, maar zijn benen raakten in de beenruimte onder zijn bureau in elkaar verstrikt. Zijn stoel schoot onder hem uit en viel met ratelende wieltjes om. Hij slaakte een kreet. Een sappig geluid, bijna jodelend. Mijn grootvader stortte zich op de directeur, die zijn gezicht naar het raam draaide, dat uitzag over East Fifty-seventh Street. Hij had net genoeg tijd om te zien dat de voorbijgangers zich beneden op de stoep leken te verzamelen.
Mijn grootvader sloeg het telefoonsnoer om de nek van de directeur. Hij had nog een minuut of twee voordat de raket van zijn woede door zijn brandstof heen zou zijn en weer naar de aarde zou terugvallen. Dat was ruimschoots genoeg. In de Tweede Wereldoorlog had hij met een garrot* leren werken. Hij wist dat wurgen, mits goed uitgevoerd, weinig tijd kostte.
‘O god,’ zei de secretaresse, Miss Mangel, die te elfder ure op het toneel verscheen.
Ze had snel gereageerd toen mijn grootvader haar kamer in was komen stormen, waarbij hij, zo herinnerde ze zich later, een geur van brandend hout verspreidde. Ze was erin geslaagd twee keer op de zoemer te drukken voordat mijn grootvader de telefoonhoorn uit haar hand griste. Hij pakte de intercom. Hij rukte het snoer van de hoorn uit het toestel.
‘Dat zult u moeten vergoeden,’ zei Miss Mangel.
Toen mijn grootvader tweeëndertig jaar later zijn verhaal vertelde, zette hij een bewonderend vinkje achter de naam van Miss Mangel, maar toen zijn raket nog maar halverwege zijn opwaartse vlucht was, klonken haar woorden hem als een provocatie in de oren. Hij smeet het intercomtoestel door het raam van Miss Mangels kantoortje naar buiten. Het gerinkel dat de directeur had gehoord, was de intercom, die door een spinnenweb van glas naar de straat zeilde.
Miss Mangel hoorde een verontwaardigde kreet opstijgen en keek uit het raam. Op de stoep zat een man in een grijs pak omhoog te kijken. Er zat bloed op zijn ronde linkerbrillenglas. Hij lachte.* Er bleven mensen staan om hem te helpen. De portier kondigde aan dat hij de politie ging bellen. Op dat moment hoorde Miss Mangel de kreet van haar baas. Ze wendde zich af van het raam en rende zijn kamer in.
Op het eerste gezicht leek het vertrek leeg. Toen hoorde ze een schoen op de linoleumvloer tikken, een keer, nog een keer. Het achterhoofd van mijn grootvader kwam even boven het bureau uit en verdween weer. De dappere Miss Mangel ging achter het bureau kijken. Daar lag haar baas op zijn buik op de geboende vloer. Mijn grootvader zat schrijlings voorovergebogen op de rug van de directeur en trok de garrot strak. De directeur spartelde, maaide om zich heen en probeerde zich om te draaien. Het enige geluid in de kamer was dat van de neuzen van zijn Corduaans leren instappers tegen het linoleum.
Miss Mangel griste een briefopener van het bureau van de directeur en ramde hem in de linkerschouder van mijn grootvader. Jaren later verdiende ze daarmee in zijn ogen nog een extra waarderend vinkje.
De punt van de briefopener drong maar een centimeter in het vlees, maar het metaal blokkeerde een meridiaan die de woedestroom van mijn grootvader op gang hield. Hij gromde. ‘Het leek wel alsof ik wakker werd,’ zei hij toen hij me dat deel van het verhaal voor de eerste keer vertelde, in de laatste week van zijn leven. Hij bevrijdde de hals van de directeur van het snoer. Hij moest het lostrekken uit de groeven die het in zijn eigen linkerhand had gedrukt. De hoorn kletterde op de grond. Met een voet aan weerskanten van de directeur stond hij op en hij deed een stap terug. De directeur draaide zich op zijn rug, hees zich in zithouding en schoof op zijn billen achterwaarts een nis tussen twee archiefkasten in. Snikkend hapte hij naar lucht. Toen zijn gezicht tegen de grond was geslagen, had hij op zijn onderlip gebeten en nu waren zijn tanden roze gekleurd.
Mijn grootvader draaide zich om naar Miss Mangel. Hij plukte de briefopener uit zijn schouder en legde hem op het bureau van de directeur. Als zijn driftaanvallen zakten, zag je het berouw altijd meteen als zeewater in zijn ogen stromen. Zijn armen vielen langs zijn lijf.
‘Vergeef me,’ zei hij tegen Miss Mangel en de directeur. Waarschijnlijk zei hij het ook tegen mijn moeder, die toen veertien was, en tegen mijn grootmoeder, al zou men kunnen aanvoeren dat zij evenveel schuld had als mijn grootvader zelf. Er was weinig hoop op vergiffenis, maar mijn grootvader klonk niet alsof hij die verwachtte of zelfs hoopte te vinden.

* * *

Aan het eind van het leven van mijn grootvader kreeg hij van zijn arts een sterk hydromorfon tegen de pijn door zijn botkanker. Rond die tijd sloegen veel Duitsers gaten in de Berlijnse Muur en ik ging naar mijn grootvader om afscheid te nemen, juist op het moment dat de Dilaudid een zachte hamer op zijn gebruikelijke zwijgzaamheid liet neerdalen: er stroomde een verslag van zijn tegenspoed, zijn dubbelzinnige successen, zijn wapenfeiten en zijn falende timing en moed naar buiten. Hij lag al haast twee weken op de logeerkamer bij mijn moeder en toen ik in Oakland aankwam, kreeg hij al bijna twintig milligram per dag. Vrijwel meteen, zodra ik me op de stoel naast zijn bed liet zakken, begon hij te praten. Het leek wel alsof hij op mijn komst had gewacht, al denk ik nu dat hij gewoon wist dat zijn tijd bijna op was.
De herinneringen kwamen er zonder herkenbare volgorde uit, afgezien van de eerste, die ook de oudste was.
‘Heb ik je weleens verteld dat ik een keer een klein katje uit het raam heb gegooid?’ vroeg hij vanaf zijn wollige palliatieve wolk.
Ik zei op dat moment maar niet dat hij me tot dan toe bitter weinig over zijn leven had verteld en ook later, voordat hij voorgoed in zijn wolk wegzakte, heb ik hem daar niet meer mee geconfronteerd. Ik moest het verhaal over de aanval op de directeur van Feathercombs Inc. nog vernemen, dus ik kon hem er niet op wijzen dat me in zijn autobiografie een patroon van defenestratie begon op te vallen. Later, toen hij uiteindelijk aan Miss Mangel, de intercom en de Tsjechische diplomaat toekwam, besloot ik maar van die wijsneuzige opmerking af te zien.
‘Was-ie dood?’ vroeg ik.
Ik zat een bakje Jell-O met frambozensmaak te eten. Dat was het enige waar hij nog trek in had, afgezien van een paar lepels van de kippensoep die mijn moeder volgens het recept van mijn overleden, in Frankrijk geboren en getogen grootmoeder voor hem klaarmaakte; er moest een scheut citroensap in om de smaak te verfrissen. Zelfs de Jell-O wekte nog nauwelijks zijn belangstelling. Er was meer dan genoeg over.
‘Het was op tweehoog,’ zei mijn grootvader. ‘In Philadelphia,’ voegde hij eraan toe, alsof zijn geboortestad bekendstond om zijn keiharde stoepen.
‘Hoe oud was je toen?’
‘Drie, vier.’
‘Jezus. Waarom deed je dat in godsnaam?’
Hij stak zijn tong uit, een keer, twee keer. Dat deed hij om de paar minuten. Vaak zag het eruit alsof hij een spottend oordeel velde over iets wat je hem net had verteld, maar het was alleen een bijwerking van zijn medicatie. Zijn tong was bleek en had een vleug, als suède. Dankzij een paar gekoesterde demonstraties uit mijn kinderjaren wist ik dat hij met het puntje van zijn tong het puntje van zijn neus kon aanraken. Door het raam van mijn moeders logeerkamer zag ik dat de lucht boven de East Bay net zo grijs was als de stralenkrans van haar om zijn zongebruinde gezicht.
‘Nieuwsgierigheid,’ besloot mijn grootvader. Hij stak zijn tong uit.
Ik zei dat de Engelse taal een uitdrukking kent die waarschuwt voor nieuwsgierigheid, die met name voor katten schadelijk kan zijn.

 

* Een stuk pianosnaar, nota bene, doorgaans verborgen in een schoenveter. [terug]
* Mijn grootvader wist alleen dat de man die hij per ongeluk op zijn hoofd had geraakt – gelukkig had de intercom zijn schedel alleen maar geschampt – geen aangifte had gedaan. The Daily News identificeerde het slachtoffer als Jiri Nosek, hoofd van de Tsjechoslowaakse delegatie bij het verheven instituut bij de oprichting waarvan Alger Hiss betrokken was geweest. ‘Dit is de eerste keer dat de hooggeplaatste Rode functionaris door een vliegende telefoon is getroffen,’ meldde The News met een stalen gezicht om te vervolgen: ‘Nosek zei dat hij zich als rechtgeaarde Tsjech verplicht achtte alles weg te lachen wat hem niet noodlottig is geworden.’ [

 

© 2016 Michael Chabon
© 2017 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Gerda Baardman, Jan de Nijs en Tjadine Stheeman

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum