Leesfragment: Marlena

16 april 2017 , door Julie Buntin
| |

Op 19 april verschijnt Julie Buntins Marlena (vertaald door Dennis Keesmaat), lees bij ons alvast het eerste hoofdstuk.

De vader van de vijftienjarige Cat heeft haar en haar moeder van de ene op de andere dag verlaten voor een veel jongere vrouw en zijn familie verslagen achtergelaten. Cat is er in haar radeloosheid van overtuigd geraakt dat haar leven tot nu toe één grote leugen was.

Maar dan ontmoet ze Marlena: wild, prachtig en verleidelijk. Zij trekt Cat mee in haar opwindende wereld vol foute beslissingen. Hun vriendschap wordt het nieuwe middelpunt van Cats bestaan. Samen stevenen ze af op complete zelfvernietiging, in de jeugdige overtuiging dat ze nog een eindeloze, ongetwijfeld prachtige toekomst voor zich hebben. Schokkend genoeg blijkt dit voor Marlena niet weggelegd: binnen een jaar zal ze overlijden.

Somber, boos, sexy, scherp, diepzinnig, nostalgisch: Julie Buntin beeldt al deze gevoelens in haar debuutroman Marlena met een filmische helderheid uit.

 

New York

Zeg me wat je niet kunt vergeten en ik zal je zeggen wie je bent. Ik doe het licht in mijn appartement uit en ze dient zich aan met de duisternis. De ogen van de trein worden groot in de tunnel en daar heb je haar op de rails, haar blonde haar zwaait. Ik ben in de supermarkt als een van onze oude liedjes gedraaid wordt en ik ga er helemaal in op, midden in het gangpad met cornflakes en muesli. Als ik ’s avonds laat soms bij de deur van mijn appartement met de sleutel rommel, valt mijn blik op mezelf in de spiegel en zie ik haar, ze wacht.
Marlena en ik zitten in Ryders busje. Ze had de sleutels die ochtend uit de zak van zijn spijkerbroek gehaald terwijl hij nog sliep. Het voorjaar is schitterend, stompzinnig overgegaan in de zomer en we dragen goedkope slippers, met haar dat bij de slapen kleverig is van het zout, onze adem een en al sigaretten en lipgloss met kersensmaak en wijn van de vorige dag. Ik schop mijn strandsandalen uit en ontvouw mijn benen tegen het dashboard, duw mijn tenen tegen het raam zoals ik dat doe als ik alleen ben met Marlena. Ryder zegt dat ik zijn busje heb verpest, dat de vlekken niet meer weg te wrijven zijn, maar het kan me niet schelen. Marlena heeft mijn nagels gelakt, met mijn voet op haar dij geklemd. Veiligheidsoranje – haar kleur.
Onze raampjes zijn helemaal naar beneden gedraaid. De wind maakt het haar van mijn staart los en jaagt het in plukken langs mijn gezicht, waardoor alles wat ik zie kapot is. We zijn op weg naar het strand, om een normale dag te hebben. Om onze adem onder water in te houden tot onze longen om genade smeken. Om de adembenemende klap van een golf tegen onze buik te voelen en zure, vlokkige monden vol bier gestolen uit onbeheerde koeltassen te proeven. Met de positie van onze handdoeken volgen we de beweging van de zon en dezelfde twee tijdschriften gaan heen en weer tot de zon ondergaat en het water verandert in vuur. Als we weggaan en onze voeten uit het koude zand halen, zijn we verbrand en vervolgens koortsig.
We doen alsof we meisjes met kleine geheimen zijn en luisteren met het geluid hard naar Joni Mitchell. Elke regel is een bericht dat alleen voor ons is geschreven. Ik zing zo luid dat Marlena zichzelf niet kan horen, ze zegt sst, zegt dat ik haar hoofdpijn bezorg. Maar in deze herinnering zing ik alleen maar luider.
Marlena drukt het gaspedaal dieper in en de wagen beklimt de grote heuvel op de doodlopende weg naar het meer. De toerenteller springt omhoog – we gaan voorbij de negentig kilometer, de maximale snelheid op plattelandswegen, en bereiken binnen een minuut de honderdtien kilometer. De auto vult zich met wind, zo opdringerig en luid dat mijn haar tegen mijn hals zwiept en ik de muziek niet meer kan horen. Mijn stem hapert en ik zwaai mijn voeten naar de vloer. Ik probeer mijn raampje omhoog te draaien, maar Marlena doet het aan haar kant op slot. Als ze grijnzend naar me kijkt, voel ik de wagen naar de berm gaan, en de banden spugen grind. Ze zwenkt weer naar de weg en de toerenteller trilt als hij voorbij de 135 schiet. Marlena’s staart is bijna uitgevallen en ik vraag me af of ze wel kan zien, of ze misschien niet beseft dat we nu de 145 hebben bereikt en dat zich onder de wind een nieuwe geur bevindt, bitter en heet, de ingewanden van het busje staan in brand. We gaan steeds sneller. Ik giechel een beetje en zeg dat ze langzamer moet rijden, en een paar seconden later dat ze in jezusnaam langzamer moet rijden, en als ze geen antwoord geeft roep ik dat ze gek is en dat ze me bang maakt en dat ik er godverdomme uit wil en dat we doodgaan, alsjeblieft, je vermoordt ons nog. We bereiken de honderdzestig kilometer per uur en schieten een nieuwe heuvel op, en de wagen trilt. Als we de top bereiken vliegen we de ijle lucht in, en als we landen klap ik tegen het dashboardkastje, en met mijn onderarmen hou ik mezelf tegen. Ze mindert geen vaart als we naar beneden gaan en ik worstel mijn riem om. Lake Michigan, Caraïbisch blauw en flonkerend, raast ons tegemoet. We zijn een kleine kilometer van de steile helling, de parkeerplaats, het pad naar het strand.
Ze gaat niet stoppen, en heel even voel ik iets vreemds, een razernij die evenzeer honger als angst is. Doe het, denk ik, doe het, en mijn maag bevindt zich in mijn keel, maar ik ben het zat om degene te zijn die zegt: nee, doe voorzichtig, stop. ‘En als ik nou gewoon verder rij?’ roept ze. Later besef ik dat ze waarschijnlijk high was, want dat moet rond de tijd van de drogisterijpot met Oxy’s van veertig milligram zijn geweest, pillen die zich in mijn herinnering aan haar flauw aftekenen, als een extra gelaatstrek: haar ogen, de onverzorgde puntjes van haar ongewassen haar. Het meer is nu groter dan de hemel. Hoelang zal ik er, als we kopje-onder zijn gegaan, voor nodig hebben om het raampje aan de passagierskant in te trappen, met mijn slippers die omhoog zweven naar het dak van de auto en mijn lichaam dat het uitschreeuwt om lucht? Marlena is een slechte zwemmer.
Maar dan, op een afstand van hoogstens tien auto’s lang, beginnen we af te remmen. Het busje zwenkt heen en weer over de onderbroken lijn en helt met de buitenste randen van zijn wielen over. Met een schok en een schril geluid komen we tot stilstand. Ik schiet naar voren en de riem snijdt in de ruimte tussen mijn borsten. De koplampen strijken langs de latten van het hek dat de rand van de parkeerplaats markeert, de plek waar de aarde een steile vierhonderd meter naar beneden valt, tot een halvemaanvormig, steenachtig strand. Ik moet bijna huilen, met mijn hart in galop, en ik haat dat ze dat weet. De wagen zucht en de motor tikt van opluchting.
‘O, kom op nou,’ zegt Marlena, maar ze is buiten adem en ze heeft er te lang voor nodig. ‘Denk je echt dat ik je iets ergs laat overkomen?’ De bultjes die ze krijgt als ze onrustig of opgewonden is verspreiden zich in een fijn rood kant van haar sleutelbeen langs de prikkelbare pezen van haar nek en eindigen bij haar kaak. Met haar nagels schraapt ze over mijn knie, een kleine cirkel die steeds groter wordt en als een rilling door me heen trekt. Ik wil haar recht in haar gezicht spugen en weglopen van alles wat ze me heeft laten doen en alle manieren waarop ik veranderd ben, ik wil het zo graag dat het heel even mogelijk is, bijna doe ik het. Ik steek mijn handen onder mijn dijen zodat ze die niet ziet beven en staar naar de muffe luchtverfrisser in de vorm van een dennenboom. Die fladdert wild heen en weer, ook al staat het busje stil. ‘Cat,’ zegt ze.
Het is geen vraag. Ik hou van deze wildheid. Ik smacht ernaar. Maar als iets in me zich afvraagt of het de moeite waard is mijn leven ervoor te verpesten, waarom hoor ik dan Nee?
Ik knipper heftig, tot de tranen weg zijn. Als ik lach en mijn hoofd schud lacht zij ook, en het vreselijke tussen ons in verdwijnt, op één onverwoestbare flard na, die voorgoed van mij is. We grijpen de plastic zakjes met snacks van de achterbank en huppelen over het pad naar het strand. Ik vergeet het gevoel al dat een paar minuten eerder nog schroeide. Doe het, doe het nou maar, trut. Ze zingt weer, ‘California’, het deel over kiss a sunset pig, het deel over thuiskomen. Met mijn stem jaag ik die van haar na.
Liedjes van Joni Mitchell passen bij Marlena. Ze was op haar gemak in hogere registers, landde snel op elke noot, en ze kon Joni’s trillende kracht volmaakt weerspiegelen, de manier waarop ze lettergrepen veranderde in luide klokken die rinkelden. Dat is de laatste keer dat ik me kan herinneren dat Marlena ‘California’ zong, hoewel het dat niet geweest kan zijn. Het was een van haar lievelingsnummers, en dit was misschien vier maanden voordat ze om het leven kwam. Technisch gezien verdronk ze. Hoewel niet op de manier die ik die dag gevreesd had, Ryders busje dat door een hek schoot. Er was geen grote plons. Geen geschreeuw van het strand, geen strandwacht die aan kwam rennen. Dat zou ze liever gehad hebben.
Marlena stikte in een nog geen vijftien centimeter diepe rivier met ijssplinters, in de bossen in de buitenwijken van Kewaunee, een plek waar ze in de novemberschemering niets te zoeken had. Ze droeg een van mijn oude jassen en een paar afgekauwde Keds, waar de politie veel belang aan hechtte. De tas die ze bij zich had zat vol met losgeld dat gekletterd moet hebben terwijl ze liep, tegen dat medicijnpotje, haar prepaid klaptelefoon. Ze sloeg keurig en wreed met haar hoofd tegen een kei in de rivier en men gaat ervan uit dat haar lichaam net ver genoeg weggleed, buiten bewustzijn, om haar mond en neusgaten onder te dompelen.
Sommige details zijn feiten, maar niet veel – waar ze gevonden was, wat ze droeg en bij zich had. Om 17.12 uur was ze voor het laatst in leven gezien, volgens Jimmy, mijn oudere broer. Hij herinnert zich die vier cijfers die knipperden op de klok in de auto nog goed. Al vertelde hij me later gefrustreerd en dronken dat hij zich misschien herinnerde wat de klok had aangegeven in de minuten vlak nadat ze was ingestapt. Het zou kunnen dat 17.12 uur het moment was waarop hij van huis was gegaan, zei hij, nog voordat hij haar had opgepikt. Ik begrijp waarom het hem zo dwarszat om niet te weten hoe de chronologie precies was. We geloven geen van beiden echt dat wat haar is overkomen een zuiver ongeluk was.

Even na één uur ’s middags, bijna twintig jaar na die dag in de auto, kreeg ik een telefoontje van een geest. Ik liep door een corridor van anonieme wolkenkrabbers op Fifth Avenue, die verstopt was met mannen in lange wollen jassen die collectief stekelig reageerden toen ik mijn pas vertraagde en mijn telefoon uit mijn zak haalde. Ik had een kater, een doffe knoop tussen mijn ogen, een gefladder in mijn hartslag. Toen ik het kengetal zag, 231, drukte ik op negeren. Ik leunde tegen het raam van een delicatessenwinkel en mijn borst verstrakte. Ik had niets meer met iemand in Noord-Michigan te maken: ma woonde in Ann Arbor met Roger, die ik zelfs tien jaar later nog beschouwde als haar nieuwe echtgenoot; Jimmy bevond zich op het Bovenschiereiland van Michigan en werkte voor een aannemersbedrijf dat veel te dure vakantiehuizen bouwde.
De beller liet een voicemailbericht achter.
Hoi, zei de stem, met in zijn klinkers een nasale tendens die me aan thuis deed denken. Sorry, zei hij, en vervolgens nogmaals. Dit is vreemd. Is dit de telefoon van de Cat, de Catherine, uit Silver Lake? Met mij, Sal.
Ik zag Sal de jongen voor me, de kabel van de vaste telefoonlijn als een kurkentrekker om zijn vingers, die als bij toverslag met de stem van een volwassen man praatte. Ik moest er bijna om lachen. Sal Joyner. Ik ben in New York. Hij zweeg even en zei toen de Big Apple, waarbij hij de woorden oprekte, alsof hij voor wie er ook luisterde wilde bewijzen dat hij het meende, dat het zowel ongelooflijk als echt was. Je weet waarschijnlijk niet eens meer wie ik ben, zei hij, en toen lachte ik wel degelijk, of iets wat in de buurt kwam van een lach, een scherpe inademing die aan het eind omhoog boog, een geluid dat niet ongelukkig was. Ik hoop dat het goed is dat ik bel. Ik vroeg me af of je even – een uur of zo – hebt om af te spreken. Om het met me over mijn zus te hebben.
En alles kwam natuurlijk terug, de randen scherper, duidelijker dan de stad om me heen, de stad die leek te vervagen en was weggevallen toen Sal zijn naam zei. Hoewel het er al was, hè? Een deel van mijn leven dat zo kort was dat het al bijna weer voorbij was zodra het begonnen was, en toch is er nog iets wat ik wil weten, een onontplofte mijn, een vraag die tikt in de diepte.
231. Heel even had ik gedacht dat zij het was.

 

© 2017 Julie Buntin
© 2017 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Dennis Keesmaat

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum