Leesfragment: Niets is onmogelijk

26 december 2017 , door Elizabeth Strout
|

In de eindejaarslijstjes: Elizabeth Strouts nieuwe roman Niets is onmogelijk (Anything Is Possible, vertaald door Barbara de Lange)! Lees bij ons de eerste pagina's.

In Elizabeth Strouts alom geprezen roman Ik heet Lucy Barton roddelen Lucy en haar moeder in het ziekenhuis, bij wijze van toenaderingspoging, over de mensen uit hun dorp. De onsentimentele, diepmenselijke stem van Lucy kleurde hun herinneringen weemoedig en troostend tegelijk. In Niets is onmogelijk resoneert deze stem opnieuw, een aantal jaren later, en komende mensen uit Lucy’s verleden nog een keer aan bod. Hele levens in al hun complexiteit worden voor heel even opgeroepen en met elkaar verbonden in negen indringende verhalen.

N.B. We brachten eerder een fragment uit Ik heet Lucy Barton. Lees het fragment op Athenaeum.nl.

 

Het teken

Tommy Guptill had vroeger een zuivelboerderij, die hij van zijn vader had geërfd en die een paar kilometer van het stadje Amgash in Illinois lag. Intussen was dat al jaren geleden, maar nog steeds werd Tommy soms ’s nachts wakker met de angst die hij had gevoeld in de nacht dat zijn zuivelboerderij in vlammen was opgegaan. Ook hun huis was in vlammen opgegaan; door de wind waren de vonken overgewaaid naar het huis, dat niet ver van de stallen stond. Het was zijn schuld geweest – hij had altijd aangenomen dat het zijn schuld was – omdat hij die avond de melkmachines niet had gecontroleerd om te zien of ze wel goed waren afgesloten, en daar was de brand begonnen. En eenmaal begonnen greep het vuur als een razende om zich heen. Ze waren alles kwijtgeraakt, behalve de koperen lijst van de spiegel in de woonkamer, die hij de volgende dag tussen de resten was tegengekomen en daar had laten liggen. Er was een inzameling gehouden: een paar weken lang waren zijn kinderen in de kleren van klasgenoten naar school gegaan totdat hij weer enigszins tot zichzelf was gekomen en zijn weinige geld bijeen wist te rapen; hij verkocht het land aan de boer naast hem, maar het bracht niet veel op. Samen met zijn echtgenote Shirley, een kleine, knappe vrouw, kocht hij nieuwe kleren en ook een huisje, en bij dat alles bleef Shirley bewonderenswaardig opgewekt. Ze moesten een huis kopen in Amgash, een vervallen stadje, en zijn kinderen moesten daar naar school in plaats van in Carlisle, waar ze vroeger naartoe konden omdat zijn boerderij precies op de grens tussen de twee stadjes had gelegen. Tommy nam een baan als conciërge bij de scholengemeenschap van Amgash; het regelmatige werk trok hem aan en hij zou nooit op de boerderij van een ander kunnen gaan werken, daar had hij geen zin in. Hij was toen vijfendertig jaar.
Inmiddels waren de kinderen volwassen, hadden zelf al volwassen kinderen, en hij en Shirley woonden nog steeds in hun huisje; zij had rondom bloemen geplant, wat ongewoon was in dat stadje. In de tijd na de brand had Tommy erg over zijn kinderen ingezeten; eerst woonden ze in een huis waar leerlingen op schoolreisje naartoe gingen – elk voorjaar kwam groep zeven een dagje uit Carlisle en zat dan tussen de middag aan de houten tafels bij de stallen te eten, waarna de kinderen door de stallen stommelden en toekeken als de mannen de koeien molken en het witte schuimende vocht door de doorzichtige plastic buizen omhoog en boven hen stroomde – en nu moesten ze hun vader zien als de man die, in zijn grijze broek en het witte overhemd waarop in rood Tommy stond geborduurd, met zijn bezem het ‘wondermiddel’ opveegde dat over braaksel werd uitgestrooid wanneer een leerling op de gang had overgegeven.
Afijn. Ze hadden het allemaal overleefd.

*

Die ochtend reed Tommy langzaam naar Carlisle om een paar boodschappen te doen; het was een zonnige zaterdag in mei en een paar dagen later zou zijn vrouw haar tweeëntachtigste verjaardag vieren. Om hem heen lag het lege land; de maïs was net ingezaaid, net als de soja. Sommige akkers waren nog bruin omdat ze waren omgeploegd voor het zaaien, maar verder was er vooral de weidse blauwe lucht met een paar witte wolkjes her en der boven de horizon. Hij passeerde het bord, het teken dat dit de zijweg was naar het huis van de Bartons; er stond nog steeds Naai- en verstelwerk op, hoewel Lydia Barton, de vrouw die het naai- en verstelwerk had verricht, al jaren dood was. De Bartons waren paria’s geweest doordat ze uitzonderlijk arm en eigenaardig waren, zelfs voor een stadje als Amgash. Het oudste kind, een man die Pete heette, woonde er nu in zijn eentje, het middelste kind zat een paar stadjes verderop en de jongste, Lucy Barton, was jaren geleden gevlucht en was uiteindelijk in New York gaan wonen. Tommy moest vaak aan Lucy denken. Al die jaren dat ze na schooltijd alleen in een klaslokaal bleef zitten, vanaf de vierde klas tot en met haar eindexamenjaar op de middelbare school; het had een paar jaar geduurd voordat ze hem zelfs maar durfde aan te kijken.
Maar nu kwam Tommy langs het gebied waar zijn boerderij had gelegen – tegenwoordig waren er alleen nog maar akkers, er was geen spoor meer van een boerderij – en hij dacht, zoals wel vaker, aan zijn leven van toen. Het was een goed leven geweest; maar hij treurde niet om de dingen die gebeurd waren. Tommy was er de man niet naar om te treuren en in de nacht van de brand – te midden van zijn gierende angst – begreep hij dat het enige wat telde op de hele wereld zijn vrouw en zijn kinderen waren, en hij bedacht dat er mensen waren die daar hun leven lang niet zo duidelijk en aanhoudend van doordrongen waren als hij. Zelf beschouwde hij de brand als een teken van God om dat geschenk goed vast te houden. Alleen voor zichzelf, want hij wilde niet worden gezien als iemand die rechtvaardigingen verzon voor een ramp; en hij wilde niet dat iemand dacht dat hij dat deed – zelfs zijn innig geliefde vrouw niet. Maar die nacht, terwijl zijn vrouw met de kinderen bij de weg was blijven staan – hij had hen het huis uit gestuurd zodra hij zag dat de stal in brand stond – en hij naar de immense vlammen die in de nachtelijke hemel oplaaiden keek en daarna het verschrikkelijke gekrijs van de stervende koeien hoorde, waren er tal van gevoelens bij hem bovengekomen, maar op het moment dat het dak van zijn huis met geraas instortte, in het huis zelf terechtkwam, precies in hun slaapkamers en de woonkamer beneden met alle foto’s van de kinderen en zijn ouders, toen hij dat zag gebeuren voelde hij – ontegenzeggelijk – iets wat hij alleen kon beschouwen als de aanwezigheid van God, en hij begreep waarom engelen altijd met vleugels werden uitgebeeld, want die gewaarwording had hij gehad – van een geruis, misschien niet eens een geluid, en toen was het of God, die geen gezicht had maar wel God was, dicht bij hem kwam om – heel kortstondig, heel vluchtig – zonder woorden iets aan hem mee te delen wat Tommy opvatte als: Het is goed, Tommy. En toen had Tommy begrepen dat het goed was. Het ging zijn begrip te boven maar het was goed. En dat was het ook. Hij dacht vaak dat zijn kinderen meelevender waren geworden doordat ze naar een school moesten met kinderen die arm waren en niet uit dezelfde soort gezinnen kwamen als de kinderen die ze vroeger hadden gekend. Sindsdien had hij de aanwezigheid van God bij tijd en wijle gevoeld, alsof er een gouden kleur dicht bij hem kwam, maar hij had zich nooit meer zo door God bezocht gevoeld als die nacht, en hij wist maar al te goed wat anderen daarvan zouden denken en daarom zou hij het tot zijn dood toe voor zich houden – dat teken van God.
Toch, op een lenteochtend als deze, bracht de geur van de grond de geuren van de koeien terug, het nattige van hun neus, de warmte van hun buik en van zijn stallen – hij had twee stallen gehad – en hij liet zijn gedachten gaan over de flarden van taferelen die bovenkwamen. Misschien kwam het doordat hij net voorbij het huis van de Bartons was gekomen, dat hij moest denken aan die man, Ken Barton, die de vader van die arme, zielige kinderen was geweest en af en toe bij Tommy had gewerkt, en toen dacht hij – zoals wel vaker – aan Lucy, die ergens anders was gaan studeren en daarna in New York was gaan wonen. Ze was schrijfster geworden.
Lucy Barton.

 

© 2017 Elizabeth Strout
© 2017 Nederlandse vertaling Barbara de Lange

MINDBOOKSATH : athenaeum