Leesfragment: Ongeziene blikken

| | |

17 januari verschijnt Ongeziene blikken van Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom. Lees bij ons het eerste hoofdstuk 'Geschiedenis'!

Sinds kort is de reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur compleet. De Nederlandstalige letterkunde wordt erin beschreven vanaf het begin tot 2005, in negen delen van de hand van elf gezaghebbende auteurs. In Ongeziene blikken kijken de beide hoofdredacteuren terug op de geschiedenis van het project. Waarom duurde het zo lang totdat het verouderde handboek van Knuvelder een volwassen opvolger kreeg? Welke concrete voorwaarden maakten de plannen voor een nieuwe literatuurgeschiedenis toch levensvatbaar, na jaren van aarzeling en scepsis? Welke wetenschappelijke uitgangspunten waren bepalend voor de aanpak, en hoe zijn die in de afzonderlijke delen gerealiseerd?

Vanaf de eerste plannen tot nu zijn ruim twintig jaar verstreken. De te volgen koers is al vroeg uitgezet, maar hoe werd die in praktijk gebracht? Deze nabeschouwing gaat over de theoretische aanloop tot de serie én over de concrete uitvoering; over inhoudelijke keuzes én over praktische resultaten; over gaandeweg veranderende inzichten én over internationale inbedding en uitstraling. Hoogtepunten én marginale verschijnselen worden vanuit verschillende invalshoeken belicht en in hun context geplaatst. Ongeziene blikken gaat over de achtergronden van deze monumentale serie, waarin de literaire cultuur van de Lage Landen in haar volle rijkdom tevoorschijn komt.

 

Geschiedenis

'Geschiedenis' is waarschijnlijk van de drie termen de lastigste. Een historisch relaas berust altijd op een narratieve constructie, met een opgelegd patroon van begin, ontwikkeling en afronding, dat nooit volledig recht kan doen aan de diversiteit en de toevalligheden van het verleden. Dikwijls wordt de lezer bovendien bewust of onbewust naar een bepaalde interpretatie gestuurd. In de tweede helft van de twintigste eeuw groeide daarom de ideologische kritiek op geschiedschrijving, zeker wanneer die zich bezighield met onderwerpen waarvan het belang en waarvoor de waardering voortdurend fluctueerden, zoals literatuur. Hoe moesten historici binnen één verhaal bovendien continuiteit én verandering of samenhang én veelvormigheid met elkaar verzoenen?
'A kind of necessary failure,' zo omschreef Mario J. Valdés in 2002 het gemeenschappelijke element van alle recente pogingen om literatuurgeschiedenis te schrijven. Nog nooit eerder was het debat 'zo divers geweest in oriëntatie en in doelstellingen, gaande van openlijk pres criptieve geschiedenissen die proberen te beinvloeden wat geschreven moet worden, tot een in hoge mate utopische, soms selectieve constructie van het verleden'. De kritiek op literatuurgeschiedenissen en de lange periode van weerstand ertegen hadden te maken met een duidelijk waarneembare verschuiving in de benadering van literatuur in de westerse wereld. Ging het in de literatuurstudie vóór de Tweede Wereldoorlog hoofdzakelijk om de auteur (de 'zender'), rond 1950 verschoof de blikrichting naar het literaire werk zélf en zijn interne samenhang (de 'tekst' en de 'structuur'), onder invloed van de zogenoemde autonomiebewegingen als het Russische formalisme, het Praagse structuralisme en het New Criticism in de Verenigde Staten. Het handboek Theory of Literature van René Wellek en Austin Warren uit 1949 werd het invloedrijkste en duurzaamste resultaat van het New Criticism. De auteurs propageerden een 'intrinsieke', 'autonome' of 'ergocentrische' benadering van literatuur, dat wil zeggen een analyse vanuit het concrete werk en zijn organisch opgevatte structuur. De mogelijke inbedding van de literaire tekst in een nationale traditie of maatschappelijke context deed daarbij niet ter zake. Wellek zelf schreef verder onder meer een monumentale geschiedenis van de literaire kritiek en de literatuurwetenschap in acht volumineuze delen. Maar diezelfde Wellek heeft het ook over de 'ondergang van de literatuurgeschiedenis' in een opstel getiteld 'The Fall of Literary History' (1973, gebundeld in The Attack on Literature, 1982). Hij neemt daarin onder meer de onkritische pretenties van sommige literatuurgeschiedenissen op de korrel, die alleen maar parallellen zagen en verbanden opsomden tussen biografische gegevens van de auteur en personages uit het werk. Wellek verzette zich daarmee tegen een in zijn tijd nog altijd bestaande negentiende-eeuwse biografische benadering. Hij verzette zich ook tegen de sociologie, die in de literatuur een eenvoudige afspiegeling zag van sociale en economische veranderingen, of tegen een kunsthistorische interpretatie die in alle vormen van kunst, de literaire én de beeldende, een gemeenschappelijke manifestatie wilde herkennen van een 'tijdgeest' of een 'volksgeest'. Voor Wellek moest de literatuurhistoricus altijd weer en in de eerste plaats een criticus zijn die het individuele werk beoordeelt.
In de jaren zestig van de twintigste eeuw raakte dit ergocentrische model van literatuurbenadering uit de gratie. Wellek en Warren hadden nooit veel belangstelling voor de lezer (de 'ontvanger' van de boodschap) gehad, of voor zijn of haar leeservaringen. Nieuwe generaties studenten aan de universiteiten wilden in de revolutionaire jaren rond 1968 juist dát: aandacht voor hun eigen beleving van literaire teksten. Vrouwen voorop. Naast de - als mannelijk ervaren - traditionele waardering voor erkende meesterwerken uit de canon moest er ruimte komen voor 'reading as a woman', om de woorden van Jonathan Culler te gebruiken. In Duitsland werden in deze jaren benaderingen vanuit de receptie van literatuur ontwikkeld die rekening hielden met de verwachtingen van de lezer (door Hans Robert Jauss en Wolfgang Iser). In de Franse literatuurkritiek werd de auteur in de jaren zestig doodverklaard, en was de aandacht voor de ontvangst van het werk en voor de betekenistoekenning door de lezer vanzelfsprekend geworden. Roland Barthes, de intellectuele vrijbuiter die garant stond voor snel opeenvolgende nieuwe standpunten en ontwikkelingen, stelt in 'La mort de l'auteur' (1968): 'La naissance du lecteur doit se payer de la mort de l'auteur.' ('De geboorte van de lezer wordt betaald met de dood van de auteur.') Zijn redenering was dat een (literaire of andere) tekst een weefsel of web is van citaten die voort komen uit duizenden diverse haarden van cultuur en dat in de schriftuur de stem van de auteur vernietigd is. Mede gevoed door Franse voorbeelden zagen Amerikaanse literatuurtheoretici steeds meer de literatuurkritiek als cultuur- en ideologiekritiek, met speciale aandacht voor symptomen van onderdrukking en ongelijkheid op basis van afkomst, gender, huidskleur of seksuele geaardheid.
Volgens de opvattingen van vandaag ligt de bron van de betekenis nog steeds bij de waarnemer van de tekst en niet in de tekst zelf. Dat geldt voor literaire teksten én voor geschiedschrijving. Elke (re)constructie van het verleden is een verhaal dat gekleurd wordt door onze eigen, hedendaagse visie. Ook bij de historici is dit een leidraad geworden, onder meer door de invloedrijke studies van Hayden White en Dominick LaCapra uit de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw. Ook al is er altijd een 'constructie', dat betekent niet dat er geen 'verhaal' mag zijn. In de Nederlanden wordt deze 'narrativistische' richting onder meer vertegenwoordigd door de historicus Frank Ankersmit. Maar inmiddels is er ook weer een duidelijke tendens te signaleren tot een terugkeer naar de auteur, met in binnen- en buitenland een explosie van literaire biografieën en aan de universiteiten een door Stephen Green blatt geëntameerde fascinatie voor de selffashioning van de schrijver.

De overgang naar deze nieuwe aandachtspunten is sterk bepalend geweest voor de literaire geschiedschrijving. Ondanks het huidige accent op de lezer - en wellicht binnenkort weer op de auteur - is de aandacht voor het literaire werk zélf nooit echt in het gedrang gekomen. De belangrijkste, meest prominente en stimulerende stem in dit opzicht is wel David Perkins, die met zijn boek Is Literary History Possible? (1992) een nieuw oriëntatiepunt heeft gegeven. Perkins wijst literatuurgeschiedenis niet langer af; het antwoord op de vraag die hij in de titel stelt is dus positief, maar hij blijft erbij dat elke poging om een verklaring te vinden voor de ontwikkeling in de literatuur telkens weer faalt. Er is geen wetmatigheid en voorspelbaarheid, maar dat doet niets af aan de relevantie van literaire geschiedschrijving. Perkins analyseert een duizelingwekkend aantal literatuurgeschiedenissen uit de westerse wereld en constateert, met instemming, dat nieuwe generaties terugkeren naar de literatuurgeschiedenis. Dat kan een reactie zijn op de lange tijd van voorafgaande 'repressie' (wat dan een interne of immanente verklaring zou zijn voor de hernieuwde populariteit van het genre), maar Perkins laat zien dat de recente belangstelling en herwaardering vooral verband houden met externe, contextuele overwegingen. Perkins zelf, overigens de auteur van een tweedelige geschiedenis van de moderne poëzie, schort zijn scepticisme weliswaar niet helemaal op, maar hanteert de inzichten van het moderne denken over wetenschap: het verhaal van de literatuur geschiedenis kan nooit definitief zijn, omdat onze representatie van het verleden samenhangt met tal van veranderende – ‘contingente’, zegt de Amerikaanse filosoof Richard Rorty – factoren. Geschiedenis als wetenschap is een open, zich ontwikkelend proces dat zijn betekenis ontleent aan de zich wijzigende, evoluerende consensus van de wetenschappers van vandaag. Het is de blik van de historicus die de betekenis bepaalt (de ‘ontvanger’) en het is zijn of haar opdracht om de reconstructie van het verleden zodanig uit te voeren dat het ‘verhaal’ aannemelijk of geloofwaardig is. Dat laatste, de geloofwaardigheid van de representatie, is de toetssteen voor de hedendaagse historiografie. De plausibele verklaringen waar we naar streven, veronderstellen een sociale consensus onder de wetenschappers. En vrijwel alle wetenschapper-historiografen zijn het erover eens: zogenaamd ‘losgeslagen’ of ‘doorgeslagen’ interpretaties, zoals die van de deconstructivisten, kunnen nooit een consensus bieden, omdat ze de semantische wortels van de tekst verlaten. Het voornaamste punt voor Perkins en de meeste huidige wetenschapper-historiografen is dat de geschiedschrijver, vanuit zijn eigen hedendaagse bewustzijn en kennis, de context reconstrueert waarin het literaire werk is ontstaan én functioneert. We hebben het dan over de functionalistische of functionele benadering, die een belangrijke methodologische basis van de GNL is geworden.
Met deze ‘cultural turn’ (het functioneren van literatuur in een culturele context) evolueert de literatuurgeschiedenis naar een geschiedenis van de literaire cultuur. Dat is geen onveranderlijk begrip. De verhalen die we daarover vertellen zijn noodzakelijkerwijze tijdelijk en beweeglijk: ze ontstaan in dialoog met betrokkenen en vakgenoten, bij voorkeur zelfs als meervoudige uit wisselingen in teamverband, ze zijn aan ontwikkeling onderhevig en zullen ook herhaaldelijk bijgestuurd moeten worden. Deze zichzelf corrigerende en nooit eindigende dialoog onder wetenschappers kan door de literatuurgeschiedschrijving probleemloos gehanteerd worden en laat ook alle ruimte voor komende generaties.
In de Verenigde Staten had hoofdredacteur Denis Hollier in 1989 een concrete stap gezet door bij Harvard University Press A New History of French Literature te publiceren, niet als een chronologisch overzicht, maar als een serie van 164 essays van de hand van vele individuele specialisten, die telkens een of andere belangrijke gebeurtenis (ervaren als ‘evenement’) behandelen. Het boek werd aangeboden als ‘A panorama of literature in its cultural context – music, paint ing, politics, and monuments public and private’ en de literatuur werd er behandeld als ‘a historical and cultural field viewed from a wide array of contemporary critical perspectives’ (aldus Hollier in zijn inleiding). Het boek gebruikt de ‘brede’ blik van de contextualisering die over alle mogelijke grenzen heen laat kijken. In de praktijk blijken de bijdragen aan Holliers handboek vooral een sterk comparatistisch gefundeerde, internationale invalshoek te hebben, wat spoort met de academische praktijk in de Verenigde Staten. Amerikaanse literatuurhistorici en vooral veel theoretici – zoals Stephen Greenblatt en Linda Hutcheon – staan afwijzend tegenover een verhaal dat beperkt is tot één nationale letterkunde: niet alleen omdat ze de oorspronkelijke, sinds de Romantiek zo vanzelfsprekende band met een nationaal discours volkomen achterhaald achten, maar vooral omdat literatuur geschreven in het Engels nu eenmaal niet aan geografische grenzen gebonden is. De Engelstalige literatuur is net als de Franstalige en de Spaanstalige een global phenomenon geworden en al helemaal niet beperkt tot één natie.

En in de Nederlanden

Ook in de Lage Landen stonden wetenschappers in de jaren tachtig van de vorige eeuw zeer argwanend tegenover de literatuurhistorie. Internationalisering, interdisciplinaire benadering en de roep om meer theorie waren moeilijk te verenigen met een traditioneel genre als de literatuurgeschiedschrijving, zeker als dat zich beperkte tot het eigen taalgebied. Het genre als zodanig, ontstaan in de negentiende eeuw, werd bovendien nog geassocieerd met een nationalistische en dus verwerpelijk geachte wijze van denken. Postmoderne kritiek op narrativiteit en op geconstrueerde causaliteit in de historiografie deed de rest. Niemand dacht er nog aan een vervolg te maken op het inmiddels verouderde, vierdelige Handboek tot de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde van Gerard Knuvelder, begonnen in 1948 en herdrukt tot in de jaren zeventig. Knuvelder, die de gehele literatuur beschreef van het begin tot de eigen tijd, was daarmee de laatste vertegenwoordiger geweest van een rijke traditie. Een eenling als hij zou het nooit meer kunnen volbrengen, indien zo iemand al te vinden was; uitgeverijen hadden er geen geld voor over en universiteiten geen belangstelling. Het leek voor altijd gedaan met de literatuurgeschiedenis.
Het tijdschrift Merlyn (1962-1966), met zijn nadruk op close reading en de 'werkimmanente methode' in het voetspoor van de New Critics, bleef in onze streken lang toonaangevend op het terrein van de literaire analyse. Hoogtepunten van de structuralistische aanpak vormden de 'academische' roman- en poëzieanalyses van Wouter Blok en A.L. Sötemann in de vroege jaren zestig. Nog in 1970, toen het structuralisme elders al evolueerde naar poststructuralisme of semiotiek, kwam naast het handboek van Wellek en Warren in het Nederlandstalige academische onderwijs het structuralistische handboek Literatuurwetenschap van Frank C. Maatje in gebruik. Er waren tot in de jaren tachtig academici, zoals Hendrik van Gorp (in 1985) en Eddy Grootes (in 1988), die uitlegden hoe een omvattende literatuurgeschiedenis utopisch zou blijven, 'hoe het zou moeten kunnen en toch niet echt kan' (in de woorden van Van Gorp). Maar inmiddels werd door anderen het belang van de literatuurgeschiedschrijving steeds minder in twijfel getrokken en waren er al voorbeelden genoeg van 'geordende, samenhangende verhalen', zowel receptiegerichte als functiegerichte, systeemgerichte of interactiegerichte. Van Gorp concludeerde hierbij (in het voetspoor van de Duitse literatuurhistoricus Fritz Martini) dat men zich ervan bewust moest blijven dat al die ondernemingen 'ontoereikend' zouden zijn. Het besef van de necessary failure was ook hier dus al vroeg aanwezig. Maar eveneens in 1985, in het themanummer over 'Geschiedschrijving van de 19e-eeuwse Nederlandse literatuur' van Spiegel der Letteren waarin ook de genoemde bijdrage van Van Gorp verscheen, liet zowel Walter Gobbers als Margaretha H. Schenkeveld weten dat een nieuw handboek voor de letterkunde van de negentiende eeuw zeer welkom zou zijn. De beoefening van de literatuurgeschiedenis in de neerlandistiek vond toen al, in de woorden van Margaretha Schenkeveld, erkenning 'als een respectabel en noodzakelijk vakonderdeel'. E.K. Grootes reflecteerde verder op de overwegingen van Van Gorp en concludeerde uit zijn onderzoek van de Duitse theorievorming dat de literatuurhistoricus 'veroordeeld' blijft 'tot het leveren van een onbevredigend compromis'. Maar met deze belangrijke slotbedenking: 'Dit is echter geen reden om het na te laten.' Douwe Fokkema, die de beschrijving van het literaire verleden 'een hybride aangelegenheid' noemt in Literatuurwetenschap & cultuuroverdracht (1992), zette nog een volgende stap in het debat. Hij signaleerde de 'wijdverbreide opvatting' dat een literatuurgeschiedenis 'een algemeen vormende, culturele functie heeft'. Dat van het geschiedverhaal wordt verwacht dat het 'goed leesbaar' is en 'daardoor een groter publiek bereikt dan dat van de vakgenoten alleen', geeft aan 'het product' weliswaar een tweeslachtig of 'hybride' karakter door de 'paring van educatieve en wetenschappelijke motieven', maar het volstaat volgens Fokkema dat de historicus zich bewust is van de wetenschappelijke kritiek. Hij erkende dat er verschillende vormen van reconstructie van de gebeurtenissen in het verleden mogelijk zijn en liet deze bedenking nog volgen door een expliciete 'Apologie van de literatuurgeschiedenis', mét enkele methodologische voorstellen.
In de late jaren tachtig en de jaren negentig begon voor de literatuurgeschiedenis het tij dus te keren, aansluitend bij de internationale ontwikkeling. In Nederland en Vlaanderen werd aanvankelijk vooral nog nagedacht over alle problemen die er aan literatuurgeschiedschrijving kleefden, maar met zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985 bracht Ton Anbeek tóch al in 1990 een deeloverzicht op de markt, waarin hij een combinatie nastreefde tussen receptiegeschiedenis en poeticale vernieuwing (dat laatste in het verlengde van de inzichten van de Russische formalisten en de Praagse structuralisten). Anbeek beperkte zich overigens tot literatuur uit Nederland en liet Vlaanderen buiten beschouwing. Het duo Frans Ruiter en Wilbert Smulders publiceerde in 1996 een zeer breed uitgewerkte studie Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990. Ook zij bleven met hun materiaal binnen de staatsgrens van het Koninkrijk der Nederlanden. En inmiddels was in 1993 Nederlandse literatuur, een geschiedenis verschenen, geïnspireerd op het model van Denis Hollier. Hierover meer in een volgend hoofdstuk.

 

© Stichting Literatuurgeschiedenis

MINDBOOKSATH : athenaeum