Leesfragment: Oordeel zelf. Waarom niemand hetzelfde wil en iedereen hetzelfde doet

05 april 2017 , door Coen Simon
|

Op 19 april vindt bij Athenaeum Roeterseiland de presentatie van Coen Simons Oordeel zelf plaats. Lees bij ons alvast een fragment.

Tweehonderd jaar geleden riep de Duitse filosoof Immanuel Kant de mens op om zich te bevrijden uit de 'onmondigheid die hij aan zichzelf heeft te wijten'. 'Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!' schreef hij. En hup, de mening was geboren. Het is fijn dat die mening sindsdien alleen maar vrijer en individueler is geworden. Maar voordat het mondig geachte individu zelf grondig heeft kunnen nadenken, zijn er al vele wetenschappelijk onderbouwde meningen geproduceerd, gedeeld en geliket. En zelfs voordat hij zijn onderbuik kan laten spreken hebben tientallen satirische media zijn 'echte' gevoelens al voor hem geïroniseerd.

In Oordeel zelf toont Coen Simon op even geestige als scherpe wijze hoe we onze oordeelskracht kunnen behouden in een tijd waarin we liever een voetbalanalist napraten dan ons neerleggen bij het besluit van een scheidsrechter, een tijd waarin we ons kapot ergeren aan mensen die niet positief in het leven staan, en waarin we de origineelste mening willen hebben over trending topics. Kortom een tijd waarin niemand hetzelfde wil zijn en iedereen hetzelfde doet.

 

1

Heel gewoon

 

Waarom we bang zijn voor verwarde mannen

Toen ik eens met een volle boodschappenwagen en mijn jongste zoon in het zitje aansloot in de rij bij de kassa, stond voor mij een vrouw over een kinderwagen gebogen. Iets aan de situatie vond ik merkwaardig. Misschien kwam het doordat de moeder alleen een pak roze koeken op de band had gelegd.
Alles viel op zijn plek toen ze zich omdraaide. Ik keek in de vriendelijke ogen van een jonge vrouw met een verstandelijke beperking. In de kinderwagen lag een pop.
Luid begon ze tegen mijn zoontje te praten, die terugkeek maar niets zei. ‘Ik ben dol op kinderen,’ zei ze nu tegen mij. ‘Ja?’ glimlachte ik een beetje krampachtig. Mijn blik viel onbedoeld weer op de pop en ik probeerde te bedenken welk toneelstuk ik zou opvoeren zodra ze over haar ‘kind’ begon. ‘Maar ik heb zelf geen kinderen hoor,’ las ze mijn gedachten. ‘Dit is gewoon een pop.’
Waarom worden we vaak zo ongemakkelijk als we oog in oog staan met iemand wiens gedrag overduidelijk afwijkt van het normale? Welke vrees hebben we voor het in onze ogen irrationele? Zijn we bang voor gezichtsverlies omdat we niet weten wat we met de situatie aan moeten? Zijn we bang voor geweld? Vrezen we de ander, of worden we in de spiegel van het abnormale onzeker over hoe normaal we zelf eigenlijk zijn? In mijn geval was ík het die zich geen raad wist, voor de vrouw waren de pop en de roze koeken de gewoonste zaken van de wereld.

En zo gaat het natuurlijk meestal: wij zijn in verwarring door het gedrag van een ander, maar we noemen de ander verward, beperkt, of zelfs autistisch, psychotisch of waanzinnig. Een patroon dat we in de media uitvergroot zagen nadat Tarik Z. op 29 januari 2015 met een nepwapen het nos-gebouw was binnengedrongen, om zaken te verkondigen ‘die de huidige samenleving in twijfel trekken’.
De journalistiek zette meteen vol in op een psychologische duiding. ‘Ik vond het een verward verhaal en dus een warrige, onzekere man,’ zei forensisch psychiater Hjalmar van Marle daags na het incident tegen de NOS. Forensisch psycholoog Ernst Ameling, die ik die dagen in vrijwel alle programma’s zag langskomen, begon voorzichtig met zijn diagnose, omdat je op basis van een paar beelden geen conclusies kon trekken: ‘Hij heeft het uiterlijk van een kwetsbare jongeman die een beetje in de war is.’Maar het duurde niet lang voordat hij, na de bestudering van diezelfde beelden, alsnog vaststelde dat er mogelijk sprake was van een psychose en beginnende schizofrenie. ‘Hij spreekt in de wij-vorm, hij is erg bezig om ergens bij te willen horen, om te laten horen wie hij is en wat hij is, en als je dat overduidelijk wilt laten horen, dan heb je daar een probleem.’
De maatschappelijke verwarring werd zelfs alleen maar groter toen de politiebond ACP op 4 februari 2015 melding maakte van een toename van het aantal verwarde mensen op straat. Door bezuiniging in de zorg zou de politie steeds vaker hebben moeten uitrukken voor mensen met psychische problemen. Van 40.500 gevallen in 2011 tot 52.000 in 2013. In die berichtgeving werden Tarik Z., een messentrekker in het centrum van Groningen en de verdachte van de moord op oud-minister Els Borst op één hoop gegooid. Niet alleen door de journalistiek, ook door de psychiatrie: ‘Ik zie hierin een trend van verwarde mensen,’ aldus Van Marle. Verwarde mensen zijn er volgens hem weliswaar altijd al geweest, maar nu zijn er wel meer die ‘naar voren komen met agressieve acties’. Hij dacht dat het ‘te maken heeft met de sfeer in onze maatschappij’. En met die ‘sfeer’ had Van Marle blijkbaar een heel specifieke gebeurtenis voor ogen. ‘Iedereen is toch ontzet over wat er gebeurd is in Parijs,’ zei hij doelend op het bloedbad dat een paar weken eerder werd aangericht door twee Frans-Algerijnse broers op de redactie van het satirische weekblad Charlie Hebdo.
Ook mediapsychiater Bram Bakker liet van zich horen. Hij benadrukte in Metro dat patiënten die paranoïde of psychotisch zijn zich niet per se opgefokt gedragen. ‘De Noorse terrorist Anders Breivik ging heel rustig en koel te werk, maar is knettergek. Als je iets signaleert, moet je iets doen. Studiegenoten van Tarik Z. zeiden na zijn gijzelingsactie bij de NOS dat ze hem al drie weken niet hadden gezien en dat hij slechte studieresultaten haalde. Ik verwijt niemand iets, maar als je denkt “het zal wel”, dan gebeurt er ook niets.’
We zien hier (zeg ik op het gevaar af dat de ‘wij-vorm’ ook schrijver dezes pathologiseert) dat de psycholoog en de psychiater bij grote mediagebeurtenissen zich niet in de eerste plaats bekommeren om de psychiatrische patiënt, maar juist om de ‘gewone ’burger (lees: nieuwsconsument) die zich gerust normaal kan blijven voelen. We worden dan misschien door gevaarlijke gekken omringd, u bent het niet.
In Geschiedenis van de waanzin, het proefschrift uit 1961 waardoor hij bekend werd, ziet de Franse filosoof Michel Foucault de zeventiende en achttiende eeuw als de periode waarin een omslag plaatsvindt in het denken over waanzin. Gekte en irrationaliteit worden vanaf nu uit de maatschappij verbannen. Samen met de criminaliteit (zwervers, boeven en zedendelinquenten) wordt de waanzin achter de gesloten deuren van een inrichting gestopt.
Dit is het begin van de systematische bestudering van de waanzin en, volgens Foucault, het fundament voor de maatschappelijke tegenstelling tussen het normale en abnormale, het pathologische. Het denken over de mens wordt een denken in termen van aandoeningen. Hier ziet Foucault de classificaties ontstaan die de mens hebben kunnen etiketteren als ‘homofiel’, ‘landloper’ of ‘schizofreen’. De normale mens wordt steeds verder ontleed. Zo is in het huidige handboek voor psychiatrische aandoeningen, de dsm-5, ook de nieuwe conduct disorder opgenomen, een normoverschrijdende gedragsstoornis die zich kenmerkt door ‘gedrag dat de rechten van anderen schendt of belangrijke maatschappelijke normen overschrijdt’.

Volgens Wouter Kusters, schrijver van Filosofie van de waanzin, laat het werk van Foucault zien dat de betekenis van de waanzin sterk afhangt van de manier waarop de maatschappij ermee omgaat. De classificering van de waanzin en de professionalisering van de psychiatrie heeft het begrip voor het irrationele van de mens in zijn ogen niet dichterbij gebracht. ‘De psychiatrische zorg is niet geïnteresseerd in het verhaal van psychoten,’ zei hij hierover in een interview met Trouw.
En inderdaad, welke journalist heeft zich zonder gekkigheid afgevraagd wat Tarik Z. nu eigenlijk wilde zeggen? In plaats daarvan produceerden media en mediagenieke medici een waan van de dag die de nieuwsconsument een psychotisch verband voorhield tussen zeer uiteenlopende zaken. Een waan die op zijn manier ‘de huidige samenleving in twijfel trekt’.

Toen ik de leeftijd had van Tarik Z. maakte ik op een avond kennis met een studiegenote van een vriend met wie ik iedere maandag in de kroeg zat. Ze was het mooiste, grappigste en spitsvondigste meisje dat ik ooit had gezien – tenminste, dat vond ik toen.
Het was zeg maar liefde op het eerste gezicht. En het kwam niet in me op dat mijn vriend waarschijnlijk ook een oogje op haar had – hoe het tussen mij en die vriend afliep doet er niet toe. Het gaat me nu om die liefde. Die hevig was. ‘Het verlangen is overal,’ schrijft filosoof Roland Barthes, ‘maar als je verliefd bent wordt het verlangen dit heel bijzondere: smachten.’
Het geluk wilde dat ze bij mij om de hoek woonde. Dus nadat ik haar een keer naar de bushalte in mijn straat had zien rennen keek ik steeds als ik de piepende remmen van een terugkerende bus hoorde even uit mijn raam. Het is meer dan eens gebeurd dat ik ten slotte niets anders meer kon dan wachten en kijken. Ik liet mijn studieboeken liggen en draaide mijn bureaustoel naar het raam. Daar op die stoel voor het raam wachtte ik de hele avond – tot de laatste bus. En als die was geweest ging ik naar de kroeg waar ik haar voor het eerst had gezien.
Alcibiades, de verdediger van de liefde in Plato’s Symposium, heeft daar wel een verklaring voor. Verliefden, schrijft hij, lijken op mensen die door een slang zijn gebeten: ‘Ze zeggen toch dat iemand wie dat is overkomen niet bereid is te vertellen hoe het was, behalve aan mensen die gebeten zijn, omdat alleen zij hem in zo’n geval zouden begrijpen, en vergeven, dat hij zich volkomen liet gaan van pijn.’
Ik ben nog vele malen in mijn leven verliefd geweest en heb me dan ook nog vele malen als een dwaas gedragen. ‘Alle hartstochten laten ons vergissingen begaan,’ schreef La Rochefoucauld, ‘maar de liefde de meest lachwekkende.’ En al geef ik La Rochefoucauld graag gelijk, dit keer wil ik het toch opnemen voor de idiote strapatsen van de liefde. Want ook de liefde loopt het gevaar te worden geëtiketteerd als gedragsstoornis, als waan of dissociatie.
In het digitale dagblad Paper las ik een interview met de Belgische psycholoog en seksuoloog Ilse Reynders, die de romantische liefde een mythe noemt en pleit voor een pragmatischer kijk op relaties: ook al denken de vlinders in je buik er anders over, je kiest je partner het best op basis van rationele argumenten, is haar devies.
Het is een ouderwets geluid dat je vandaag de dag weer veel hoort. Gebruik je verstand, dat levert tenminste een duurzame relatie op.
Uit angst voor de waanzin en het irrationele zetten we zo steeds meer gedrag weg als abnormaal en gestoord. Zodra het irrationele een naam heeft is het op een bepaalde manier weer heel gewoon. Zelfs mijn kinderen gebruiken het begrip ADHD om het gedrag van hun klasgenootjes te kunnen plaatsen. Het zou me niets verbazen als ook verliefdheid op een dag in de DSM terechtkomt. Laten we dan tenminste hopen dat in de boekenkast van de psycholoog ook Nietzsche staat, die zei: ‘Er is altijd enige waanzin in liefde. Maar er is ook altijd een reden voor waanzin.’ Want dat is natuurlijk wat we vrezen als we oog in oog staan met het irrationele, dat we zelf in waanzin vervallen. Die angst is altijd terecht, niet omdat onze geestelijke vermogens ons ieder moment in de steek kunnen laten, maar omdat het bestaan zelf absurd is. Maar de pogingen deze waan te domesticeren door de rationalisaties van het liefdesleven en de classificaties van ons gedrag, kortom door de voorstellingen die we op het absurde bestaan projecteren, maken het ons alleen maar moeilijker om met de waan te leven. De absurde vraag waar ons leven zich afspeelt kan nooit worden beantwoord met een definitief antwoord, wel met de waanzin van de liefde.

 

© 2017 Coen Simon

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum