Leesfragment: Revisor 14

11 maart 2017 , door Bert Natter
| |

Op 25 maart wordt De Revisor 14 gepresenteerd bij het Athenaeum Nieuwscentrum. Vandaag brengen we de bijdrage van Bert Natter: '1977'.

Deze week ligt de nieuwe Revisor in de boekhandel. Dit nieuwe nummer bevat werk van Florimond Wassenaar, Oscar Spaans, Rinske Kegel, Jens Meijen, Anne-Fleur van der Heiden en Joke Neylen. Zij hebben nog geen boek gepubliceerd. Dit nummer is een van hun eerste, veelbelovende stappen. Met nieuw werk van Naomi Rebekka Boekwijt, Anne Eekhout, Bert Natter, Richard de Nooy en Ariel Dorfman is het februarinummer 2017 compleet.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Bert Natters Goldberg en Remington. En uit Revisor-halfjaarboeken 13 (2016),  10 (2015)8 (2015)5 (2015)7 (2013-2)6 (2013-1)5 (2011-2)4 (2012-1)2 (2011-1) en Jaarboek 1 (2010).

 

1977

Ze gaat op een stoel voor het raam zitten om haar lippen te stiften. Ingespannen kijkt ze in het kleine ronde spiegeltje in de palm van haar hand.
'Ik ben al laat.'
'Het hoeft niet lang te duren.'
'Ik heb me net opgemaakt,' zegt ze.
'Daarom.'
'Laat eens zien,' zegt ze, terwijl ze zich opricht om uit het raam te kijken, 'hoe hard je me nodig hebt.'
Ik sla de deken open.
Ze staat op, buigt zich voorover en zegt: 'Wat is daar aan de hand?'
'Een erectie.'
'Nee, luister.' Ze steekt een vinger in de lucht en kijkt kort in mijn richting. Geluid van brekend glas.
'Kom bij me liggen,' zeg ik.
'Nee, schatje…' Ze gaat weer zitten.
Als ze eindelijk naar me kijkt, pak ik mezelf vast.
'O, niet doen,' zegt ze en ze zet haar voeten een stukje uit elkaar.
'Mag ik je likken?'
Ze schudt haar hoofd. 'Mmmisschien.'
Langzaam spreidt ze haar benen.
'Laat je hand maar in je broekje glijden,' zeg ik.
'Maniak,' zegt ze. Toch doet ze wat ik wil.
Ik kom bijna, dat zeg ik ook, maar zij antwoordt niet, want buiten klinkt gekrijs.
Stephanie stopt, haalt haar hand tevoorschijn, trekt haar rokje recht en doet het raam open. 'Dat is niet goed, helemaal niet goed.'
'Zeker een junk of zo,' zeg ik. 'Kom nou, dan…'
'Nee, nee. Dit is echt mis. Politie, ziekenwagens, brandweer. Een ongeluk. Brand!'
'Ach, het is altijd wat in deze stad.'
'Het is het hotel, denk ik. We moeten…' Ze draait zich naar mij en kijkt me met grote ogen aan. 'Weg hier. Kom.'
'Als je van me houdt,' zeg ik, 'pijp je me nu klaar.'
'Pijp jezelf maar, gek,' zegt ze. 'We moeten hier echt vandaan, ik meen het.'
Ze loopt de kamer uit.
'Krijg ik niet eens een zoentje?' vraag ik.
Ze zal zo wel weer terug zijn. En anders moet ze het vanavond dubbel goedmaken.
Door het open raam waait steeds meer lawaai binnen. Aan de symfonie van brekend glas en gegil voegt zich gebulder toe. Een huiveringwekkende brandlucht hangt in de kamer. Maar ik moet, ik moet, ik moet, ik draai me om, zittend op mijn knieën, mijn hoofd begraven in haar kussen, snuif ik haar geur op, ik moet, ik moet - tot ik kom.
Daarna val ik op mijn zij, met mijn rug naar het raam. Ondanks het kabaal van buiten voel ik verslagenheid over me komen. Slapen, kon ik mijn ogen maar sluiten en slapen. Ik zeg toch: het is altijd wat in deze stad.
Het tocht, ik huiver, het lawaai zwelt aan. Boven het gejank van sirenes uit klinkt een schreeuw.
Mijn naam.
Stephanie.
De voordeur slaat dicht.
Ik sta op en zie door het raam de vlammen metershoog uit de ramen van het hotel slaan. Het hotel waar Stephanie werkt. Ik schiet mijn kleren aan en storm de trappen af.
Op de eerste verdieping kom ik Stephanie tegen, die juist naar boven rent, rillend over haar hele lijf.
'Godzijdank,' zegt ze. 'We moeten wegwezen hier.'
Ze begint op de deur van haar onderbuurman te bonzen. Ze roept zijn naam.
De deur gaat open. 'Goedemorgen,' zegt de buurman, de bejaarde eigenaar van de winkel beneden, waar tropenuitrustingen worden verkocht.
'Er is brand,' zegt Stephanie. 'U moet meteen naar buiten.'
Gedwee daalt hij op zijn slippers de trap af.
Stephanie zucht. 'Mijn foto's, de brieven van mijn moeder, alles ligt boven.'
'Laat liggen,' zeg ik.
Ze zet haar voet op de trap naar boven, maar ik pak haar arm en trek haar terug op de overloop.
'Nee,' zeg ik. 'Zorg jij nou maar dat je moeder straks nog iemand heeft om brieven aan te schrijven.'
We lopen naar beneden. De buurman zie ik nergens, ik hoop niet dat hij in zijn winkel is. Overal liggen koffers, tassen, rugzakken, kledingstukken, schoenen en mensen. We rennen een steeg in en daar blijven we staan, omhelzen elkaar en kijken om.
Voor de ramen van het hotel staan gasten panisch te zwaaien. In de dakgoot wachten twee vrouwen op hulp. Aan een kozijn bungelt een man of een jongen met lang haar, zijn spijkerbroek afgezakt tot zijn enkels, de vlammen slaan uit het open raam boven zijn hoofd. Van twee kanten komen ambulances aangereden. Een groep brandweermannen rent in onze richting.
Op de derde verdieping versplintert een raam, het gerinkel van het glas is in het geraas van het vuur niet te horen. De silhouetten van een man en vrouw worden zichtbaar, hun haar brandende stralenkransen.
Stephanie zegt: 'Kamer 311.' Ze gilt: 'Niet springen, don't jump! Wait! Please!'
Ze springen toch, natuurlijk springen ze, in elkaars armen, als een fakkel de dood tegemoet. Met een doffe klap landt het paar vlak voor ons en hun lichamen zakken in elkaar tot iets dat lijkt op een smeulend bergje kleren.
De brandweermannen proberen een wit springzeil uit te vouwen en roepen een doodsbange man op de eerste verdieping nog even vol te houden.
Ik sleur Stephanie verder de steeg in. Op de Nieuwezijds houden we elkaar opnieuw stevig vast.
Ze zegt: 'Ik ga terug.'
'Niet doen,' zeg ik.
'Ik moet.'
Ze laat me los.
'Zie ik je nog?' vraag ik. 'Vanavond.'
Ze schudt haar hoofd en geeft me een zoen op mijn mond.
Ik kijk haar na, een smalle schaduw die door de nauwe steeg richting het vuur gaat, en ik besef dat ik haar kwijt ben, dat we niet verder kunnen, dat we verliefd waren en dat het voor ons niet is weggelegd samen te pletter te slaan.
Ik laat me door de tram ergens brengen waar niemand weet van ons en de doden.

MINDBOOKSATH : athenaeum