Leesfragment: Schittering

30 juli 2017 , door Margaret Mazzantini
| |

Margaret Mazzantini's Schittering staat op de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2017. Lees hier een fragment uit de vertaling van Miriam Bunnik en Mara Schepers.

Twee jonge mannen, twee dubbellevens. Guido groeit op in een welgesteld gezin, zijn vriend Costantino is de zoon van de portier. Ze zijn van jongs af aan bevriend en voelen zich op een verwarrende manier tot elkaar aangetrokken. Tijdens een schoolreis naar Griekenland vindt er een eerste aarzelende toenadering tussen hen plaats, maar ze ontkennen allebei hun gevoelens. Daarna scheiden hun wegen en beiden beginnen aan een doorsneeleven. Costantino blijft in Rome, trouwt en krijgt twee kinderen. Guido komt in Londen terecht en trouwt met een vrouw die al een dochter heeft. Maar ze blijven een moeizame affaire in stand houden, die zich veelal afspeelt in hotels rond de luchthaven van Rome. Juist als ze allebei zeker weten dat ze niet langer zonder elkaar willen leven, slaat het noodlot toe. 
Schittering is een aangrijpende roman over het zoeken naar identiteit, over schoonheid en schaamte, over zoeken naar de kern van je bestaan en anders durven zijn - en daarin de echte schittering van het leven ontdekken.

N.B. Lees ook Miriam Bunnink en Mara Schepers' toelichting op de eerste zin van de vertaling

 

Hij was de zoon van de conciërge. Zijn vader had de sleutels van ons huis, wanneer we op vakantie gingen gaf hij mijn moeders planten water. Een tijdlang hingen er twee blauwe linten op de voordeur van ons flatgebouw, het zijne iets verbleekter dan het mijne omdat hij een paar maanden ouder was dan ik. Onze hele kindertijd kwamen we elkaar tegen. Hij ging naar beneden, ik naar boven. We mochten niet op de binnenplaats spelen, waar een grote palmboom de stilte van de oude bewoners wegwuifde. Een flatgebouw langs de Tiber, uit de fascistische tijd. Ik kon hem zien vanuit mijn raam, wanneer hij met een bal onder zijn arm de rietkraag langs de rivier insloop.
Zijn moeder maakte ’s ochtends vroeg kantoren schoon. Hij zorgde voor zichzelf. Hij zette zijn wekker, deed de koelkast open en schonk melk in zijn beker. Hij zette zijn muts goed op en deed zijn jas dicht. We kwamen elkaar elke dag min of meer op hetzelfde punt tegen. Ik was veel slaperiger dan hij. Mijn moeder hield mijn hand vast, hij was altijd alleen. ‘Hoi.’ Hij rook naar kelders, naar stadse souterrains. Hij zette drie stappen en maakte een hupje. Drie stappen en een hupje.

Ik heb nooit een broertje of zusje gehad, ik heb mijn tijd alleen doorgebracht. Liggend op een tapijt met een poppetje in mijn hand, dat ik liet vechten en schieten. Op zaterdagmiddag nam mijn moeder me mee naar de boekhandel of het theater. Alleen op zondag waren allebei mijn ouders er. Mijn vader kocht de krant en las die op de leren bank van de club waar we altijd lunchten. Soms gingenwe fietsen. Dan stopte hij bij de rivier en liet hij me de vogels zien die op de stroming richting zee dobberden.
Ik at in de keuken. Voedsel zonder voedingswaarde en zonder smaak, in het bijzijn van een huishoudster die met haar rug naar me toe de afwas deed. We hadden heel vaak een andere, maar voor mij was het steeds dezelfde zachtaardige maar vijandige figuur die mijn moeder de kans gaf mij tijdens mijn gehele jeugd alleen te laten. Georgette was architect, maar oefende haar beroep niet uit. Ze was actief binnen Italia Nostra en ten prooi aan een krampachtige passie voor elke vorm van cultureel vrijwilligerswerk, waardoor ze geen vaste werktijden had.
Wanneer ze thuiskwam trok ze haar schoenen uit en sprak met mijn vader over haar sprankelende ontmoetingen, over haar strijd tegen de kaalslag in de oude binnenstad. Ze was een Belgische van nederige komaf, dochter van Italiaanse emigranten. Nu ze een volwassen vrouw was, had ze haar honger dan ook volledig gericht op het heerlijke intellectuele brood dat ze als kind bij haar thuis, in het gezin van een bescheiden tolbeambte, zo had gemist.
Mijn vader was juist een stille man, eentonig in zijn bezigheden. Voor mij een onaantrekkelijke rivaal met een stomp zwaard. Hij hield intens veel van mijn moeder, hij keek op dezelfde manier naar haar als ik, totdat het pijn deed. Een exotisch vogeltje dat per ongeluk dat huis was binnengevlogen, dat alleen even tussen die muren kwam fladderen, ons de adem kwam benemen.

Het trapportaal was ovaalvormig, met groen-zwart geruit marmer en een sierlijke bronzen balustrade, de lift een chique cabine van glas en kersenhout, die in het zicht door de trapkoker omhoogging. De zwarte kabels van het raderwerk gleden langzaam en gesmeerd voorbij. Bezoekers bekeken zichzelf in de spiegel. Ze deden hun kraag goed en zetten hun juiste gezicht op, tijdens de weg omhoog die hen van de wereld optilde en hen met zichzelf confronteerde, in die majestueuze cabine die met haar zwakke licht en haar geur van boenwas wel een biechtstoel leek. Het gerechtsgebouw lag een paar blokken verderop, op onze verdieping zat het kantoor van een notaris en daarboven dat van een gerenommeerde advocaat. Mijn hele kindertijd lang maakte ik me een voorstelling van de mensen die omhooggingen, van hun gezichten, hun kleding, hun gevoelens.
Ik sta even stil bij deze lift, want die symboliseert het mechanische element dat beneden met boven verbindt, de straat met ons appartement, het geluid met de stilte van een lege plek. Het gezin van de conciërge had geen reden om hem te gebruiken. Zij waren de enige bewoners van de onderlaag, een donkere trap daalde af naar de kelders waar de ingang van hun woning zat. Ik zag hen nooit naar binnen gaan of naar buiten komen. Zo nu en dan kwam ik hen op zaterdagmiddag tegen wanneer ze terugkwamen van de groothandel waar ze hun boodschappen voor de hele maand deden. De vader droeg de blikken gepelde tomaten en de flessen plantaardige olie op zijn schouder. De kinderen waren fatsoenlijk gekleed, met gevoerde jassen tegen de kou, het meisje droeg witte bonten oorwarmers. In tegenstelling tot haar broertje sloeg zij wel haar ogen op om me aan te kijken, zij leek wel een andere wereld te willen trotseren. Een nieuwsgierig konijn dat aan een toekomst buiten zijn kooi snuffelt. Costantino niet, ik kan me niet herinneren dat ik zijn gezicht ooit heb gezien. Alleen die gebogen, zachte en stevige rug. Hij verdween. Hij wilde zo snel mogelijk verdwijnen. Dit was waarschijnlijk hun dagje uit, hun bron van vreugde.
Ik beeldde me dat vochtige huis in, dat goedkope eten, verspreid over dat plastic tafelkleed in de blauwe ruis van de televisie. De vader een roker, met een psoriasisplek op zijn voorhoofd, de moeder zo klein als een kurkentrekker, met altijd de geur van het bleekmiddel om zich heen waarmee ze de trappen van ons gebouw schoonmaakte en dat inmiddels vanaf haar rode handen tot aan haar gekloofde ellebogen in haar huid moest zijn gaan zitten. Maar ze zaten wel elke dag om zes uur ’s avonds, als het portiershokje dichtging, allemaal onder hetzelfde tl-licht, het huiswerk op de keukentafel.
Ik maakte mijn huiswerk op de grond met mijn rug tegen de muur naast de voordeur, ik denk dat ik daar een afdruk heb achtergelaten, zoals in een stal waar het paard met zijn kont tegen de muur stoot. Het was simpelweg de plek die het dichtst bij de wereld lag, bij de geluiden van het leven. Dat lege huis, met slechts één verlichte kamer achter in de gang waar de huishoudster stond te strijken. Het silhouet van een vrouw die niet mijn moeder was. Zoals de poppen die over wijngaarden waken. Ik was liever alleen geweest, ik accepteerde liever de wreedheid van de verlating dan dat bedrog. Emigrantenland Italië begon in die jaren de eerste stroom migranten te verwelkomen. Toen de oude Sardijnse huishoudster naar huis terugkeerde, opende Georgette de deur voor Somalische, Noord-Afrikaanse, Eritrese vrouwen. Ze leverde me over aan hun geur, hun glimlach van Afrikaanse maskers. Ik was het ideale kind voor een buitenlandse huishoudster: een stille, bijna onzichtbare gedaante. Diepbedroefd door hun sombere heimwee gingen ze naar de wasserette. Dat was mijn eerste oefening in menselijk contact. Ik verdween onder die geruite schorten, bewaarde een zekere afstand, in het gezelschap van die levens die een hele beschaving van mij af stonden. Ik leerde dat de strijkplank hun magische koninkrijk was. Door de combinatie van warmte en de herhaling van die handeling konden ze zich volledig onttrekken aan de werkelijkheid en teruggrijpen op hun onderbroken lot, een woning op palen, een smerige markt vol zaden en geiten. Soms lieten ze me foto’s van hun kinderen zien en keek ik naar die geposeerde, van armoede vereelte snoetjes.
Onverzettelijk aan de vloer naast de deur gekleefd werd ik gekweld door de schaduwen, overstelpt door de duisternis. Ik wachtte tot mijn moeder thuiskwam, haar ranke kuiten, de zomen van haar jas, de stem van de enige vrouw die het recht had om in dat huis te wonen en die mijn hart volledig in beslag nam. En zelfs al was ik boos, dan nog deed de behoefte aan haar, het idee haar weer te zien, me uitbarsten in tranen, in de meest tedere en deprimerende liefdevolle gedachten. Als een lege huls lag ik naast die deur, leeggezogen door lugubere vermoedens, er stellig van overtuigd dat haar iets zou overkomen. Elk plotseling geluid van de lift die in beweging kwam kondigde een lange pauze aan, een pijnlijke schok gevolgd door een tijdelijke ademstilstand. Ik werd een smekende tamme muis in afwachting van een stukje kaas. O, dat geluid van staal dat tot stilstand komt, van hout dat krachteloos weer dichtgaat, ken ik toch zo goed! Dat smachtende geluid van het wachten, en dat recht op haar dat mij werd geweigerd en ontnomen, zal me tot aan het einde van mijn dagen blijven achtervolgen. Voetstappen die dichterbij lijken te komen en zich dan onverbiddelijk verwijderen, een andere plek binnenglippen, een ander gezin.
Mijn vader trof me in die opgevouwen houding aan en dacht dat mijn manier van huiswerk maken, op de grond met mijn boeken op mijn opgetrokken benen, mijn geestelijke aanpak was. Hij was dermatoloog. Bleek en grauw kwam hij thuis, als een stuk gekookt vlees zonder voedingswaarde dat dreef in de bouillon van de plekken die hij kende. Hij knipte een lamp aan, hing zijn regenjas op.
‘Vertel eens, Guido, wat heb je vandaag gedaan?’
Het maakte niet uit dat ik geen antwoord gaf. Opgebeurd door zijn aanwezigheid liep ik achter hem aan, maar het was alsof we samen een rouwstoet volgden, haar afwezigheid liep voor onze levens uit. Dikwijls aten we met z’n tweeën, wanneer Georgettes afspraken tot laat in de avond uitliepen.
Ik vocht zo goed mogelijk tegen de slaap. Vervolgens viel ik om als een neergeschoten strijder. Ik wist dat ze zelfs midden in de nacht altijd over mijn bed heen boog om me een kus te geven, haar neus in mijn haar te wrijven, de vingers van mijn gespreide hand te tellen. Levend begraven in de slaap droomde ik over haar liefde die te laat kwam, wanneer ik al niet meer wakker werd, en ik huilde van verdriet omdat ik er niet helder en bewust van kon genieten.

Haar broer Zeno woonde twee verdiepingen boven ons, in een penthouse dat deed denken aan een goudkleurig moeras, een laat-Romeins rijk.
Hij was kunstcriticus. Een lange, robuuste man, hartstochtelijk maar zwaarmoedig. Zijn ogen glanzend als twee stalen knikkers, een vurige blik. Zijn huis, waar de gordijnen altijd dichtzaten, was een reliekschrijn vol oude catalogi en verzamelde doeken dat alleen werd bewoond door beeldhouwwerken en hun schaduwen. Hij ontving er handelaren, kunstenaars die uitzinnig uit hun ogen keken, zompige kerkelijke figuren. Het Vaticaan zat daar hemelsbreed maar een paar meter vandaan, vanaf het balkon van zijn werkkamer kon je de koepel van de Sint-Pieter zien, de oculi in de lichtgekleurde bolkap, de vogels die eromheen vlogen.
Dat was een van de eerste lessen kunstgeschiedenis die hij me gaf. Op een ijskoude winderige dag hield hij me zo lang buiten bezig dat mijn neus begon te lopen, zonder weg terug naar de warmte in het huis. Druk gebarend in de grauwe hemel vertelde hij me over het oorspronkelijke ontwerp van Bramante, vervolgens over het armzalige project van Sangallo met zijn banale pendentieven, die Michelangelo afbrak om terug te keren naar de centraalbouw van de basiliek. Hij was vrijgezel en had een hekel aan kinderen, maar die dag, ik was ongeveer acht, vond hij me kennelijk oud genoeg voor een intellectueel relaas. Hij wilde me boetseren, zoals mijn moeder altijd had gewild.
Hij had een lang en graatmager liefje, dat om hem heen hing als een gewonde giraf, en dat hij nooit meenam naar onze familielunches. Georgette was degene die zich over hem ontfermde. Ik ken het verhaal van die broer en zus niet echt, bij mij thuis werd niet veel gepraat. Ik weet dat ze heel jong hun ouders hebben verloren, dat Zeno een goede deal sloot door een schilderij te verkopen dat uit een pastorie in Wallonië kwam, en dat hij in een Porsche 550 cabrio, zo een als waarmee James Dean zichzelf te pletter heeft gereden, bij zijn zus voor de deur stond. Ze verlieten België en gingen naar Italië. Mijn moeder trouwde, maar ze bleven hecht, hun onverbrekelijke band voedde zich in de duisternis van hun herinneringen. Georgette handelde zijn post af, hield zijn agenda bij, volgde hemnaar de lezingen die hij hield in veilinghuizen, scholen, hotels in de bergen of aan zee. Ze deed de deur open voor in ongenade gevallen adel met in kranten verpakte familiestukken onder hun arm, voor galeriehouders uit het centrum die kwamen voor een echtheidsonderzoek. Zeno zette zijn bril af en keek met het blote oog naar het werk. Hij liep eromheen, snoof er letterlijk aan. Hij fixeerde altijd op iets wat uit het midden lag, een detail aan de zijkant, een verloren penseelstreek op de achtergrond. Van schoonheid raakte hij ontroerd, maar hij was heel opvliegend. Hij verafschuwde de sneden van Fontana en het hele spatialisme. Soms steeg er uit die groezelige kamers dwingend geschreeuw op, mensen deinsden achteruit en strompelden de trap af.
Behalve een onbeholpen hand op mijn hoofd een keer met kerst kan ik me geen enkele uiting van genegenheid naar mij, zijn enige neefje, herinneren. Het feit dat mijn moeder zo veel van hem hield riep in mij een angstige fascinatie en een stilzwijgende jaloezie op. Ook mijn vader had een broer gehad, maar die was heel jong gestorven. Hij had alleen nog een zus, Eugenia, die grijzend kort haar had en zich kleedde als een man. Getrouwd en kinderloos. Onze familie bestond uit stijve en excentrieke volwassenen en oneindig veel oude mensen. Omdat ik het enige kind was, werd ik angstvallig bekeken als een soort kafkaiaans insect dat enorme proporties kon aannemen en hen zou kunnen verslinden. Ik kreeg deprimerende cadeaus als dominospellen en paraplu’s. Oom Zeno had me eens een doos steentjes gegeven om een mozaïek mee te maken. Op het hoogtepunt van een middag vol droefheid tilde ik die loodzware doos op en smeet hem uit het raam. Door de latjes van het luik volgde ik die val. Ik zag hoe de doos opensloeg, de stukjes eruit vielen en zich over de binnenplaats verspreidden. Ik zag hoe de conciërge bij de bloemperken omhoogkeek en ik deinsde achteruit. In die jaren fantaseerde ik over zelfmoord. Ik heb mezelf nooit zo graag van kant willen maken als tijdens mijn kindertijd. Door het mozaïek naar beneden te gooien wilde ik die dodelijke smak uitproberen. De bel ging.
De zoon van de conciërge stond in de deuropening. Zijn slome, vierkante gezicht verscheen boven de doos met het bij elkaar geraapte mozaïek.
‘Mijn vader zegt dat dit uit jullie raam is gevallen.’
De zwarte stalen liftkooi achter hem was leeg, de cabine stond niet op de verdieping. Hij had de trap genomen, hij was buiten adem. Hij keek me aan, zichtbaar gelukkig met die opdracht, zo’n vlijtig en bangelijk kind was hij wel. Hangende schouders, stevige bovenbenen, stoffige schoenen. Een kleine conciërge. Ik was broodmager, in die jaren ontleedde ik mijn eten. Ik sneed altijd de vetrandjes weg en maakte steeds kleinere hapjes. Ik stond daar maar, helder en opgefokt. Hij was het wezen dat het verst van mij af stond op deze wereld, een kind zonder enige aantrekkingskracht. Gebeeldhouwd uit zwaar materiaal, onregelmatig, maar inwendig ademend als een amfibie. Hij wierp een blik op de gang, op het zwarte gat van het huis achter me. Ik zag dat hij bloosde. Ik kwam in de verleiding om hem mee te sleuren naar de keuken, om de bekers op de grond te gooien. Hij was in elk geval een kind, hoe onaantrekkelijk en uitdrukkingsloos ook. Een verzetje op die loodzware middag. Ik kon hem een van mijn soldaatjes in de hand drukken, hem oneindig vaak verslaan, met dolksteken, met bajonetschoten. Ik keek naar het mozaïek dat hij voor mij bij elkaar had geraapt, dat hij vasthield als een schat.
‘Het is niet gevallen, ik heb het naar beneden gegooid.’
Hij trok een onnozel, onthutst gezicht.
‘Waarom?’
Ik duwde tegen de deur om hem weg te jagen.
‘Ik heb het niet nodig, ik moet ruimte maken. Je mag het hebben als je wilt.’
Hij keek alsof hij niet wist of hij moest huilen van wanhoop of moest schreeuwen van geluk. Ik zag hem door die opengesperde zee lopen, maar ik zag hem ook snel weer dichtklappen, keurig en onderdanig. Hij bedankte me en zei dat hij het mozaïek meteen zouteruggeven als ik me bedacht. Hij struikelde op de trap, precies op het moment dat ik erover dacht om hem een schop te geven, en het was net alsof hij die ook echt kreeg.
‘Waarom ga je niet met de lift?’
Hij schudde zijn hoofd en deinsde achteruit in het goedkope licht van het trappenhuis. Ik wilde hem om hulp vragen.

Ik kwam terug van pianoles. De huishoudster mocht mijn hand niet meer vasthouden, ik liep een paar passen voor haar uit (en wat had ik een vurige hekel aan die ellendige gevangenisbewaarster die me op de hielen zat!). Ik bleef staan om door het traliewerk, dat donzig was geworden van het straatvuil en het plantaardige stof, in het raam op straatniveau van de woning van de conciërge te gluren. Dat souterrain naast de donkere luchtgaten van de kelders, naast het magazijn van de kopieerwinkel, bezorgde me kippenvel. Ik wist dat daarbeneden muizen zaten, die door de conciërge met een muizenval werden onthoofd.
Door het traliewerk zag ik hoe Costantino aan een houten tafel met de stukjes marmer mijn mozaïek in elkaar legde. Ik ging op mijn knieën zitten om hem beter te bekijken. Hij had een pincet en een soort tampon waarmee hij de overtollige lijm wegveegde. Hij ging nauwkeurig te werk, hij probeerde elk steentje meerdere keren uit voordat hij het vastlijmde. Hij waste het in een teiltje en droogde het af. Het irriteerde me dat hij zo veel plezier beleefde aan dat nutteloze vermaak, ik wilde naar beneden gaan en het uit zijn handen rukken. Ik schopte tegen het traliewerk.
Hij hief zijn hoofd op. Abrupt stond hij op en klom op een stoel om het raam open te doen. Tussen ons in zat dat smerige ijzeren raster waar honden tegenaan pisten. Hij schreeuwde om de geluiden van de straat te overstemmen.
‘Wil je je mozaïek terug?’
Ik schudde mijn hoofd en sprong achteruit.
‘Als je wilt kunnen we het samen doen, kom maar…’
Hij was minder verlegen dan gebruikelijk, misschien voelde hij zich veilig omdat hij met zijn voeten in die diepe plek verankerd stond. Ik gluurde naar zijn moeder, die achter hem stond. Ze wenkte me en nodigde me bij hen thuis uit. Ze was frietjes aan het bakken, ze liet ze uitlekken op het bruine papier van het brood.
‘Kom je bij ons eten?’
Er steeg een heerlijke geur op, mijn ingewanden en mijn hart wentelden zich erin en ik begon bijna te huilen. Ik stond op, bleef nog even staan, met mijn voeten voor hun gezichten, en ging er toen vandoor.

Hij legde het mozaïek te drogen op de binnenplaats, op een afbladderende stoel. Hij legde het in de hoek waar de winterzon een paar uur scheen. Misschien wilde hij het me laten zien. Het was een Achaeïsche krijger, er ontbrak een deel van het gezicht en van het schild. Sommige steentjes waren bij de val waarschijnlijk kwijtgeraakt of gebroken. Ik keek naar dat ene oog, naar de leegte van het andere. Toen schoot me een beeld te binnen, naar voren gesprongen op de tijdbalk, een vooruitblik die al weg was voordat ik hem kon bereiken of ontcijferen. Er bleef alleen leegte over, het gevoel van een duik zonder armen, wind die langs me heen waaide om vervolgens woedend weg te vliegen.
Twee dagen later gooide ik mijn tent naar beneden. Dat was het enige cadeau waar ik echt gek op was. Het zoveelste bedrog. Niemand zou ooit met me gaan kamperen. Ik had de tent in mijn slaapkamer opgezet, hij was er maanden blijven staan. Het werd een huis in een huis, de huishoudster bukte en zette een bord voor me neer. In die tent maakte ik mijn huiswerk, speelde ik op mijn keyboard, sliep ik. Ik werd bezweet wakker in die dichtgeritste plastic buik, ik kleedde me helemaal uit onder die oranje hemel. Op een avond besloot ik dat ik ervanaf wilde en gooide hem naar beneden, op de binnenplaats. Waarom weet ik niet. Aan dat ding was ik het meest gehecht.
Costantino raapte hem op en keek omhoog. Ik wachtte tot hij naar boven kwam om hem terug te brengen, maar hij kwam niet. Ik liep naar beneden, de binnenplaats op, de tent lag er niet meer, ik vroeg er niet naar.
Waarschijnlijk had hij hem meegenomen naar de Tiber, naar dat blubberige rivierstrand waar hij met zijn vriendjes speelde, kinderen van andere conciërges, van garagehouders, van kleine winkeliers uit de buurt. Mijn tent zou de basis worden voor hun vertier dat in de zomer tot na zonsondergang duurde. Ze maakten blaaspijpen, visten op voorns. Op een dag zag ik hem ezeltje spelen, zijn benen gebogen, zijn handen op zijn knieën. De anderen sprongen op zijn rug, een toren van bezweet vlees die wankelde onder het gewicht van de lachbuien.

 

© 2013 Margaret Mazzantini
© 2016 Nederlandse vertaling Miriam Bunnik en Mara Schepers / Uitgeverij Wereldbibliotheek

MINDBOOKSATH : athenaeum