Leesfragment: Wees onzichtbaar

31 mei 2017 , door Murat Isik
|

14 juni gaat Jeroen Vullings in gesprek met Murat Isik over zijn nieuwe roman Wees onzichtbaar. Wij brengen de eerste pagina's van het boek. [Update: na de NRC Boekenwedstrijd en de Boekhandelsprijs won Isik 7 mei 2018 de Libris Literatuurprijs met Wees onzichtbaar.]

Wees onzichtbaar van Murat Isik is een grootse epische roman over de wanhopige strijd van een gezin tegen een tirannieke vader en een prachtige coming of age van een sensitieve jongen die opgroeit in een onveilige wereld, gebaseerd op Murat Isiks eigen jeugd. Maar het is ook een schitterende en kleurrijke ode aan de Bijlmer.  

De Bijlmermeer, begin jaren tachtig. De vijfjarige Turkse Metin komt met zijn ouders en zus naar Nederland. Het gezin gaat in de flat Fleerde wonen. Vader is een werkloze communist die overdag boeken van Marx leest en zich ’s avonds bezat met vrienden. Thuis is hij vaak gewelddadig en dan siddert het hele gezin. Metin vreest hem en maakt zich onzichtbaar. Maar langzaam – als de kinderen ouder worden en de moeder emancipeert – groeit het verzet tegen de vader. 

Ondertussen verandert de Bijlmer ook. Bedoeld als vooruitstrevende wijk verwordt het tot een gevreesd getto met veel criminaliteit en hordes junks. Op een zondagavond in 1992 boort een Boeing 747 zich in de flat Kruitberg. Tientallen bewoners komen om. In de weken daarna lopen op Metins middelbare school de raciale spanningen op. De Bijlmer verandert in de jaren daarna definitief: ondanks fysiek verzet van activistische bewoners worden veel flats gesloopt, waaronder die van Metin. 

N.B. We publiceerden destijds ook voor uit Isiks debuut, Verloren grond. Lees het fragment op Athenaeum.nl.

 

1

In de winter van 1983 reden we onze nieuwe toekomst tegemoet toen we de grens passeerden bij Nieuweschans, het meest oostelijke punt van Nederland. Voor in de auto riep Kadir ‘Hollanda!’ toen we na vele uren eindelijk de Duitse Autobahn achter ons lieten. Op de achterbank klapten mijn zus en ik in onze handjes. Mijn moeder zat aan het raam en keek onbewogen voor zich uit terwijl de snelwegverlichting haar magere gezicht bescheen.
Een paar maanden daarvoor was mijn vader vanuit Hamburg, waar we drie moeizame jaren hadden doorgebracht, halsoverkop naar Amsterdam vertrokken omdat zijn politiek asiel in Duitsland was afgewezen. Al op zijn tweede dag had hij woonruimte gevonden in een flat in de Bijlmermeer, iets wat hem in Duitsland in al die jaren niet was gelukt waardoor we steeds afhankelijk waren geweest van de welwillendheid van familie en vrienden en van adres naar adres trokken, tot er geen adres meer over was en mijn vader uit wanhoop een tochtig appartement kraakte. Dezelfde dag nog trotseerde hij de Duitse politie. ‘Waar moet ik verdomme heen met mijn gezin?’ had hij vertwijfeld geroepen. ‘Moeten we soms op straat slapen?’ De agenten hadden bedremmeld geknikt en liepen toen weg.
Van Hollanda kon ik me als vijfjarige geen voorstelling maken. Ik dacht alleen maar aan het weerzien met mijn vader die ik al zo lang niet had gezien dat ik me zijn stem nauwelijks kon herinneren. Maar eerst wilde ik op de Autobahn achter het stuur zitten van de grote Mercedes Benz, want dat hadden ze me beloofd.
Mijn moeder had vergeefs geprotesteerd. ‘Hij is nog maar vijf, dat is veel te gevaarlijk.’
Maar Kadir had gegrijnsd en daarna een diepe trek van zijn Camel genomen. ‘Dan is hij al ouder dan ik dacht.’ Hij had zijn sigaret dreigend in de lucht gehouden. ‘In het dorp bestuurde ik op mijn vijfde al een tractor. Wind je dus niet zo op, zuster, anders maak je nog een mietje van Metin.’
Kadir was de man die mij mijn eerste trek van een sigaret had gegeven. Het was op de wc van een buurtcentrum in Hamburg waar Turkse communisten regelmatig vergaderden over de rechten van de onderdrukte arbeiders en de bedroevende staat van Turkije na de staatsgreep van 1980. Ik nam gretig een trek van de peuk zoals ik mijn vader dat zo vaak had zien doen, maar een paar tellen later vlogen mijn longen in brand en begon ik onbedaarlijk te hoesten. Ik kreeg geen lucht meer en zakte door mijn knieën, maar het enige wat Kadir deed, was zijn makker Erol lachend op zijn schouder slaan. Sindsdien was ik een beetje bang van Kadir.
‘Kadir amca,’ zei ik nauwelijks hoorbaar. ‘Oom Kadir, zou ik nu alsjeblieft mogen rijden?’
‘Hé, die kleine roept wat,’ zei Erol, die op de passagiersstoel zat.
‘Dat is waar ook, je moet nog een stukje rijden voordat we in Amsterdam zijn,’ zei Kadir waarna hij zijn neus luid ophaalde. ‘Erol, neem het stuur even over.’ Zonder de reactie van Erol af te wachten, draaide Kadir zich om en reikte met zijn grote handen naar me. Van schrik deinsde ik achteruit terwijl de auto even zigzagde over de weg. Kadir sleurde me van mijn plek, zette me op zijn schoot en nam het stuur met een ferme beweging weer over van Erol. Daarna bracht hij zijn mond dicht bij mijn oor. ‘Pak het stuur met twee handen vast aan de zijkanten, en kijk goed voor je.’ Rookwalmen vertroebelden als mist mijn blikveld. Ik wapperde met mijn handen om mijn moment niet door een hoestbui te laten verpesten. ‘Stel je niet zo aan,’ riep Kadir met zijn raspende stem. ‘Let nou maar op de weg.’ De Mercedes schoot over de Autobahn. ‘Maak geen plotselinge bewegingen anders zul je je vader nooit meer zien.’
Mijn kleine handen klemden zich stevig om het met leer omklede stuur. Ik zou ons naar mijn vader rijden. ‘Jaaaaa!’ riep ik met een Duitse tongval. ‘Das ist super!’
Kadir begon te lachen en woelde met zijn hand door mijn haar. ‘Nu heb je je vader straks een spannend verhaal te vertellen.’
Na een paar minuten was het afgelopen en werd ik weer op de achterbank geplaatst, maar ik was zo blij dat ik op mijn plek bleef huppelen. Na een klein uur stopten we bij een wegrestaurant in de buurt van Groningen. Het was ijskoud. Op het parkeerterrein stonden tientallen vrachtwagens. Binnen zaten forse mannen achter dampende borden terwijl ze naar het televisietoestel staarden dat in het midden van de zaak op een verhoging stond. Er was voetbal op televisie. Zonder een moment weg te kijken van het scherm, schepten de mannen het eten van hun bord.
‘Kijk, Cruijff is weer terug bij Ajax,’ zei Kadir tegen Erol. ‘Er is geen betere dan die magere.’ Hij keek om zich heen. ‘Er komt zo wel een tafel vrij.’ Mijn moeder drukte mij tegen zich aan. ‘We moeten even wachten,’ zei ze. Het waren de eerste woorden die ze sprak sinds we in Nederland waren.
‘Ik ben jarig,’ fluisterde mijn zus in mijn oor. ‘Misschien krijgen we wel taart.’
Toen we eindelijk aan tafel mochten, bekeek Kadir de menukaart met een afkeurende blik en bestelde iets wat ik niet kende. Even later kregen mijn zus en ik allebei een groot bord friet met mayonaise en een glas cola. Ik had nooit eerder friet gegeten, maar de eerste hap beviel me zo goed dat ik me er als een uitgehongerde op wierp. Kadir en Erol aten niets. Ze dronken koffie en keken rokend naar de wedstrijd. Mijn moeder nam een paar frietjes van mijn bord, zuchtte diep en staarde zwijgend voor zich uit.
Toen we alweer een tijdje onderweg waren, zei Erol dat het nog maar een uur rijden was. Ik keek uit het raam, maar zag weinig anders dan blauwe borden en lichten langs de snelweg. Mijn oogleden werden steeds zwaarder. Ik schrok wakker toen mijn hoofd tegen het raam klapte. Toen ik versuft opkeek, zag ik oplichtende flatgebouwen opdoemen als kolossale ruimteschepen. Ik had nog nooit zoiets wonderlijks gezien.
‘Dit moet de Bijlmermeer zijn,’ zei Kadir.
We parkeerden in een donkere garage die we vanaf de verhoogde weg inreden. Kadir en Erol droegen de koffers, mijn moeder, zus en ik liepen verdwaasd achter hen aan. Vlak voordat we de garage uit waren, hoorden we een schreeuw, een ijzige en langgerekte schreeuw die van de begane grond leek te komen. Ik keek verschrikt om.
‘Doorlopen,’ bromde Kadir.
Via een overdekte luchtbrug bereikten we de binnenstraat van de flat. We passeerden een lift waar een donkere man voor stond en even later een ruimte met overvolle vuilcontainers. De binnenstraat was bijna net zo donker als de garage. De met plastic kapjes overdekte lampen aan het plafond flikkerden of brandden in sommige gevallen helemaal niet. Aan onze rechterhand wisselden betonnen pilaren en brede stenen zuilen elkaar om de paar meter af. Ik was iets achterop geraakt en ineens werd ik bang dat een duister wezen achter zo’n zuil vandaan zou springen en mij zou grijpen. Ik zette een sprint in en pakte mijn zus bij de hand.
‘Baba heeft vast een cadeautje voor mijn verjaardag,’ fluisterde ze opgewonden.
‘En voor mij,’ zei ik.
De binnenstraat liep over in een tweede luchtbrug die de flat met een ander flatgebouw verbond. Dit deel van de flat leek beter verlicht, maar ook hier waren de vuilcontainers overvol en verspreidden een doordringende geur. Toen ik opkeek zag ik dat twee donkere mannen ons passeerden.
‘Het stikt hier van de negers,’ zei Kadir. ‘Het lijkt Afrika wel.’
‘Die Harun,’ zei Erol lachend. ‘Nu begrijp ik waarom hij binnen twee dagen een woning heeft gevonden.’
Even later stopten we voor een lift. Erol drukte op de knop. Terwijl ik naar de uitbundige graffiti op de liftdeur en muren staarde, hoorde ik ineens glasgerinkel, alsof ergens vlakbij een raam werd ingegooid. ‘Wat is dat?’ riep mijn moeder.
‘Ach, dat zijn vast kwajongens,’ zei Kadir kalm, alsof hij de flat en zijn bewoners door en door kende.
De lift arriveerde en Erol trok de deur haastig open. Drie zwarte mannen keken ons vragend aan. ‘Binnenstraat?’ vroeg een van hen.
‘Ja,’ zei Kadir. ‘Das stimmt.’
De mannen liepen de lift uit. In Hamburg had ik geen enkele zwarte man gezien, maar in Amsterdam was ik alleen nog maar negers tegengekomen, zoals Kadir ze noemde. Erol wees afkeurend naar een plas midden op de liftvloer. ‘Ik hoop maar dat het water is en geen pis.’ Terwijl we ons met vertrokken gezichten tegen de wand drukten, kwam de lift schuddend in beweging en stopte bij de tweede verdieping. We stapten uit in een klein halletje met houten lambrisering. Kadir en Erol liepen de galerij op en riepen gelijktijdig: ‘We zijn er!’
Ik keek naar het brede raam waar vitrage voor hing. Kadir belde aan. Er klonk geroezemoes dat overging in luide mannenstemmen, deuren sloegen dicht. Mijn moeder leek naar de grond te staren, maar vanonder haar wimpers keek ze afwachtend omhoog. Mijn zus liet mijn hand los, veegde het haar uit haar gezicht en zette een glimlach op. Ik verwachtte elk moment het lachende gezicht van mijn vader in de deuropening te zien. Hij zou me oppakken en in de lucht houden.
Een sleutel draaide in het slot. Er klonk een klik en de deur ging met een zwaai open. Mijn vader stond in de deuropening en keek ons vragend aan, alsof hij ons niet verwacht had. Ik herkende hem nauwelijks: hij had zijn grote snor afgeschoren waardoor hij er tien jaar jonger uitzag. Hij schudde eerst Kadir en Erol zakelijk de hand. Daarna keek hij mijn moeder onbewogen aan, maakte een uitnodigend gebaar met zijn arm en klopte haar op de rug zoals ik mannen in het buurtcentrum in Hamburg bij elkaar had zien doen. Mijn zus en ik kregen een korte aai over ons hoofd.
‘Waar bleven jullie?’ vroeg mijn vader.
Drie voor mij onbekende mannen stonden in de woonkamer. Ze begroetten ons afstandelijk. Mijn oog viel op de grote zwart-witte buffetkast die bijna een halve muur besloeg en het bruine behang met motiefjes van gedroogde bloemen. Mijn zus en ik renden meteen kirrend door het huis dat groter leek dan elk ander huis dat we ooit hadden betreden. Ik struikelde telkens over de houten drempel tussen de deuropeningen. ‘Dit wordt mijn kamer!’ riep mijn zus toen we de slaapkamer aan de kant van de galerij betraden. Het was de enige kamer met een bed. In de andere kamers lagen matrassen op de grond.
In de woonkamer vertelden Kadir en Erol over onze lange reis. Mijn moeder zat op de hoek van de bank.
‘Baba!’ riep ik. ‘Baba, ik heb autogereden!’
Mijn vader reageerde niet. Hij luisterde naar Kadir en keek er ernstig bij.
‘Baba!’
Kadir knikte in mijn richting. Mijn vader draaide zich om. ‘Wat is er?’
Ik schrok van zijn blik en mompelde: ‘Ik heb autogereden.’
‘Ga maar bij je moeder zitten,’ zei hij terwijl hij in haar richting gebaarde.
Met gebogen hoofd liep ik naar mijn moeder.
‘Kom maar,’ zei ze.
De bank voelde zacht aan. Even wilde ik toegeven aan mijn vermoeidheid en mijn ogen sluiten, maar ik schoot overeind toen ik aan de cadeaus dacht. Ik keek snel om me heen, maar zag ze nergens liggen. Mijn moeder stond op en zei dat ze thee ging zetten. Ik keek mijn zus verheugd aan. Dit was natuurlijk het moment dat haar verjaardagstaart met negen brandende kaarsjes op tafel zou komen en we onze cadeaus zouden krijgen. Ik stootte haar aan. Ze glimlachte naar me. Mijn moeder kwam terug met een dienblad met daarop tot de rand gevulde theekopjes en een pot suiker. Er was geen taart of andere zoetigheid.
Mijn vader nam een slok thee en stak een sigaret op. Alle mannen volgden zijn voorbeeld alsof ze al die tijd op zijn commando hadden gewacht. In de verstikkende blauwe walm die de woonkamer vulde, begon mijn vader te vertellen over Nederland. Ik moest nog steeds wennen aan zijn snorloze gezicht en jongensachtige uiterlijk, maar zijn stem klonk warm en vertrouwd. Hij keek mijn zus en mij niet één keer aan tijdens het vertellen. En ook mijn moeder gunde hij geen blik waardig. Hij richtte zich uitsluitend tot Kadir en Erol, alsof hij lang naar hun komst had uitgekeken. De drie andere mannen keek hij af en toe vluchtig aan.
‘Zo, laten we overgaan op het zwaardere werk,’ zei mijn vader toen hij zijn thee op had. ‘Ik heb vanmiddag speciaal voor jullie een fles raki en wat versnaperingen gehaald in de stad.’
‘Harun, fijne kameraad!’ riep Kadir. ‘Ik wist dat we deze lange reis niet voor niets hadden gemaakt.’
Mijn vader liep met grote passen naar de keuken en kwam terug met een dienblad vol lange dunne glazen, een fles raki en schalen met blokjes fetakaas en stukjes suikermeloen. Hij zette het op tafel. ‘Tast toe, mannen!’ riep hij met gespreide armen.
Mijn moeder tikte mij aan. ‘Kom, ik breng jullie naar bed.’ Ze keek mijn vader aan. ‘Waar slapen de kinderen?’
Hij had net een hap fetakaas genomen die hij wegspoelde met raki. Zonder op te kijken wees mijn vader met zijn vork in de richting van de door mijn zus geclaimde kamer.
Mijn zus stond als eerste op. Ze zette een paar stappen richting mijn vader en keek hem net zo lang aan tot hij opkeek. ‘Wat is er?’
‘Baba, ik ben vandaag jarig.’
Hij keek haar een paar seconden zwijgend aan en wreef toen even met de rug van zijn hand over haar wang. ‘Dat weet ik.’
Waarom had hij dan niets voor haar?
Mijn zus mocht alleen in het bed slapen. Ik moest op een matras op de grond. Mijn moeder kuste ons op ons voorhoofd en zei: ‘Gute Nacht.’

 

© Murat Isik

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum