Leesfragment: Wormen en engelen

19 augustus 2017 , door Maarten van der Graaff
| |

Lees bij ons alvast een fragment uit Maarten van der Graaffs prozadebuut, Wormen en engelen, dat op 24 augustus zal verschijnen.

Wormen en engelen is een eigentijdse zoektocht naar de betekenis van geloof, geschreven in het kraakheldere proza van Maarten van der Graaff, een van de meest getalenteerde auteurs van nu. Mijn vader kruiste de armen voor de borst. De mannen in het wit pakten hem aan weerskanten vast: 'Wij dopen jou, Johannes Korteweg, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.' Ze lieten hem achterover zakken. Hij sloot zijn ogen. Bram Kortewegs gereformeerde jeugd op Goeree-Overflakkee lijkt ver weg in het Utrecht waar hij studeert. Maar dan laat zijn vader zich dopen en wordt zijn vriend Paul dominee op het eiland. Wat vinden zij in het geloof? En waarom houdt Wilfried hem zo bezig, een oudere man die in een katholieke woongemeenschap leeft? Bram besluit op zoek te gaan naar antwoorden. Niet om af te rekenen met het geloof, maar juist om er dichterbij te komen.

N.B. Kom ook naar de boekpresentatie op 24 augustus om 18.00 uur bij Athenaeum Boekhandel aan het Spui te Amsterdam.

 

22.

Menheerse, of Middelharnis: het dorp waar ik naar de middelbare school ben gegaan, in een hoek van de kroeg hing, Duvels dronk, sigaretten rookte. Ik rijd stapvoets door het centrum, op weg naar de pastorie. Een maand geleden had Paul me in de kantine van het kerkelijk dienstencentrum gevraagd hoe Flakkees ik me nog voelde. Nu ik hier rijd weet ik niet of het antwoord dat ik gaf wel klopte. Als ik aan mijn tienerjaren denk proef ik achter in mijn mond iets mufs. Ik wil er niet meer over nadenken, er zijn belangrijkere dingen.
Middelharnis is een van de weinige plaatsen op Flakkee die aanspraak kan maken op een vorm van beroemdheid. Ik zet de auto stil, zoek op mijn telefoon naar het schilderij en kijk er een tijdje naar. 103,5 bij 141 cm, olieverf op doek. Het laantje van Middelharnis werd in 1689 geschilderd door Meindert Hobbema en hangt tegenwoordig in de National Gallery in Londen. The Avenue at Middelharnis. Ik open de website van de National Gallery, waar staat dat het schilderij in kamer 21 hangt, en lees dat het uitzicht dat Hobbema in de zeventiende eeuw schilderde nauwelijks veranderd is. Heb ik ooit op de plek gestaan waar hij stond? Ik zou niet weten waar het is. Ik kan me niet herinneren dat ik er op het eiland ooit iemand over heb horen praten. Een studiegenoot van kunstgeschiedenis begon over het schilderij toen ik vertelde waar ik vandaan kwam. Ze was verbaasd dat ik de plek die door de enige leerling van Ruisdael was vereeuwigd niet kende. Wat een gebrek aan interesse! Ze was er nog eens op bedevaart geweest als echte Hobbema-freak. Bleek dat ze er net een Gamma hadden neergezet, midden in het verder onbedorven uitzicht. Ons beroemdste kunstwerk heeft geen enkele rol in mijn leven gespeeld. Het schilderij wordt ‘simple yet at the same time majestic’ genoemd. Eenvoud en grootsheid, is dat de centrale mythe van dit eiland? Het minimalistische toneel van de polder, het gebrek aan bomen, gebouwen, verhogingen in het algemeen, doordringen je voortdurend van het besef dat jij op de aarde staat, onder de lucht, op een sobere ondergrond waarop alles zo existentieel kan aanvoelen; de mens, voortstrompelend over een akker – ideale omstandigheden voor het protestantisme dat hier nog altijd bloeit, het individu naakt voor de Heer, afhankelijk van genade die van boven komt. Landschappen bepalen de nuances van je gemoed, de bijna onmerkbare buigingen van je stemming, wat zich chemisch in je voltrekt wanneer de zon er opeens is en precies dat adembenemende licht verspreidt.
Hobbema stopte op een gegeven moment met schilderen en werd wijnroeier. De laatste decennia van zijn leven maakte hij niets meer. Hoe zal het met mij gaan? Ik maak eindelijk mijn scriptie af, zoek heel lang naar een baan en schrijf geen verhalen meer. Ik probeer me de huiskamer voor te stellen waarin ik na mijn werk aan ontspanning doe (ik ben een jaar of vijfenveertig). Ben ik in dienst van de overheid? Ik zal hoe dan ook mijn communicatievaardigheden moeten verkopen, mijn humeur, de e-mails versturende eenheid die ik mijn lichaam noem.
Meindert Hobbema, zoeken op afbeeldingen: bomen,bomen, bijna allemaal vol in het blad, maar niet in Middelharnis, daar kijk je naar de einder, links en rechts wordt het laantje geflankeerd door pluimen op anorectische stammen. Rechts een boerderij – nee, een ‘stee’ zeggen wij – en aan de rechterkant van de weg, een eindje verderop, een figuur in een gele jas met een hond, half verscholen achter de jas. De wolkenlucht is bij een restauratie beschadigd, waardoor alles platter lijkt met uitzondering van de grote rechterwolk, die het overleefde.
Waar woont Paul precies? Ik had het adres moeten vragen. Ik zit in de Toyota en kijk naar het gebouw waar ik zes jaar lang naar school ben gegaan. Daar loopt De Vree. Ik zak onderuit in mijn stoel. Hij loopt recht op mijn auto af. Hoe verbergen detectives zich in auto’s, iedereen ziet je toch gewoon zitten? De Vree loopt langzaam langs mijn auto en lijkt richting de winkels te gaan of misschien naar huis. Ik parkeer, stap uit, richt de sleutel naar de auto en druk zonder om te kijken op het sloticoontje. Eerst houd ik mezelf voor dat ik gewoon even een rondje door de buurt van mijn oude school ga lopen, maar al snel moet ik toegeven dat ik De Vree volg.

Toen Hobbema zijn laantje schilderde bouwde Nederland aan een koloniaal rijk dat bijna vierhonderd jaar heeft bestaan. Heb ik op de middelbare school geleerd wat de voc en wic echt deden? De Vree was onze geschiedenisdocent op de Christelijke Scholengemeenschap Prins Maurits te Middelharnis. Hij was wethouder voor de sgp, een man met fonkelende ogen en vlezige wangen, altijd gekleed in driedelig zwart, ook wanneer de scholieren in korte broeken en hemdjes op het plein hingen; statig liep hij door de menigte, nam trekjes van zijn pijp, maakte grappen over brommers met de jongens die in groepjes in het fietsenhok stonden, en soms knipoogde hij, opende zijn volle lippen en lachte een kunstgebit bloot. Niemand wist precies hoe oud hij was.
Ik ben hier om Paul te interviewen, niet om een oude docent te schaduwen. Ik volg De Vree op een afstand. Hij groet een paar scholieren. De Vree was erg charismatisch, maar men was bang voor zijn woede-uitbarstingen, waarbij hij kleinerende dingen zei en tegen je tafeltje schopte. De grootste toewijding legde hij aan de dag wanneer hij zijn helden behandelde: Groen van Prinsterer, Bilderdijk, Willem van Oranje.
‘Kijk kinders,’ riep hij uit, toen hij de levensloop van de Vader des Vaderlands behandelde, ‘hier zien we hoe de Heere de geschiedenis bestuurt!’
Ik hou mijn blik strak op zijn rug gericht, het zwarte jasje dat langs de winkels loopt.
De Heere heeft mij vandaag op je pad gebracht. Ik zal je volgen. Misschien ga je op bezoek bij een minnares of – wie weet – misschien zelfs bij een minnaar.
Hij was lid van de gereformeerde gemeenten en ademde de spiritualiteit van het Reveil, een internationale religieuze beweging die in de negentiende eeuw ontstond en in Nederland een orthodox-gereformeerde aangelegenheid was, gekenmerkt door een nadruk op het gevoelsleven van de vromen en verzet tegen het vooruitgangsgeloof van verlichte denkers. Daarom werden de aanhangers van het Reveil ‘dompers’ genoemd. In dat politieke en religieuze universum is onvoorwaardelijke steun aan Israël vanzelfsprekend en worden nationalisme en uitverkiezing verbonden aan de bevrijding van de Joden uit de Egyptische slavernij. Isaäc da Costa schreef dat Nederland door God van de Spaanse, katholieke overheersing was bevrijd, zoals Hij ook ooit Zijn uitverkoren volk uit Egypte leidde.

O Nederland! God maakte u sterk,
om uw verdrukkers uit te roeien,
omdat Zijne uitverkoren Kerk
in uw moerassen moest herbloeien!

Dat hebben we geweten in onze moerassen. God, Nederland en Oranje, dat was de cocktail die wij van De Vree moesten drinken, een straffe combinatie, die voor ingewijden meteen het woord van de prediker oproept: ‘Een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.’
De Vree loopt een boekhandel in. Ik blijf voor de snackbar ernaast staan en wacht tot hij weer naar buiten komt. Ongeloof en revolutie dreigen het christelijke leven in de moerassen uit te hollen en daarom moet men zich bezinnen, vroom leven. Dit basale gevoel sprak uit alles wat De Vree zei, deed en hoe hij zich kleedde. Hij moest ons het verzet tegen de moderne tijdsgeest voorleven. Ik geloof dat hij ook aan jeugdwerk deed in zijn kerk. Hij wist wel iets van jongeren, dat kon je niet ontkennen. De Vree begreep het, de lamlendigheid, het gevoel van crisis. Hij hoorde nooit helemaal bij de gewone volwassenen, de andere docenten. Hij dacht te weten wat er daarbuiten was, een wereld vol geweld, leegte, onbevredigende ervaringen, en ik denk dat hij ons er oprecht voor wilde beschermen. Voor de Wereld.
Daar komt hij. Hij heeft een krant gekocht en draagt een plastic tasje met wat nieuwe boeken. Even overweeg ik een paar straten om te lopen en hem tegemoet te komen, verrast ‘Meneer De Vree!’ te roepen en een praatje te maken.
Vrouwen werden door hem op een voetstuk geplaatst, maar ze moesten wel rokken dragen. Ze mochten geen politiek bedrijven. Of is er meer? Heb ik hem niet eens les zien geven over Aletta Jacobs op een manier die niet strookte met dit beeld? Was zijn vrouw niet aanwezig bij de dagopening, die voorafging aan een excursie en vond ik toen niet dat ze op zo’n intieme, vrolijke manier met elkaar omgingen? Ik denk veel over deze man te weten, maar twijfel of ik hem wel recht doe. Maak ik geen karikatuur van hem? Mis ik niet waar het hier om gaat? Zijn bewegingen voeren me mee, ik moet wel achter hem aan. Voor sommigen komt de adem van het grootse en onbegrijpelijke altijd uit de poriën van een ding of een tafereel, ze conserveren zulke ervaringen in een geurloos sap dat in hun binnenste hardnekkig wordt aangemaakt, maar missen steeds de berichten die hun worden toegefluisterd door de huid van mensen en dieren, de grillige signalen die over ruggengraat en onderarm bewegen. Ik wil die signalen opvangen.
Hij loopt richting de Hema. De Hema is groot genoeg om er ongezien te blijven. Eerst rommel ik een beetje tussen de reisartikelen, dan pak ik een mandje en doe er een kaars in en een poncho. De Vree begeeft zich richting het restaurant. Ik leg de poncho weer terug en loop vastbesloten naar de steelpannen, die vlak bij het restaurant zijn uitgestald.
Met een zekere waardigheid sloft hij het Hema-restaurant in en zakt neer aan een tafeltje bij het raam dat uitkijkt op het winkelende publiek, een bushalte waar een vrouw een hondje op schoot neemt en de glasbak. Zijn rouwkostuum steekt af tegen de totalitaire friswitheid van de inrichting. Een minuut of twee staart hij uit het raam. Dan pakt hij een dik boek over de Golfoorlog uit zijn tas en begint te lezen. Ik kijk naar de steelpan en besef dat ik er al te lang mee in mijn handen sta. Ik zet de pan terug en concentreer me op de plooi in zijn nek, het vlees op het boord van zijn overhemd. De Vrees spiritualiteit is bevindelijk, een vorm van protestantisme waarin veel nadruk ligt op individuele geloofsbeleving. Wanneer ik aan dat rare woord bevindelijkheid denk, zie ik zijn blozende wangen voor me. De Vree leek vanuit deze traditie een heel specifiek soort warmte uit te stralen. Hij was theatraal, gul, doctrinair, pathologisch nederig, een masochist, een lokale beroemdheid. Voor iedereen in het dorp was hij de vleesgeworden gereformeerdheid. Als ik in boeken of films bevindelijk gereformeerde personages tegenkom die bitter en afgemeten zijn voelt het alsof dat niet klopt, omdat ik altijd zijn joviale gestalte voor me zie, een jongenslijf met dun, zorgvuldig gekamd haar, belegen tics: zowel vroegoud als puberaal. Onder dat driedelig pak zit een lijf, een stevig maar gespierd lijf, denk ik, met rode vlekken. Hij maakt een vouwtje in een pagina en klapt het boek dicht.
Over wat ons koloniale rijk precies is geweest, hoe het functioneerde en in het heden spookt, heb ik weinig gehoord. Het nationalistische, religieuze verhaal van De Vree verhulde andere mogelijke kennis en maakte ons vagelijk trots. Hij was een meesterlijke verteller en grifte de mythe van Nederland in onze hoofden: een klein, ingetogen, maar koppig landje, onschuldig en ondernemend.
Een man van een jaar of veertig loopt het restaurant binnen, schudt de hand van De Vree en bestelt twee koffie aan de balie. Iemand van de sgp misschien. Hij ziet er niet overdreven gereformeerd uit, maar dat kan misleidend zijn. De nieuwe vlotte garde? Een jongere vrouw loopt op het tweetal af.
‘Dag Elly,’ roept De Vree en mijn lichaam reageert op zijn stem. Heerlijke kleine kooltjes schroeien mijn rug. Ze praten wat, dan loopt Elly het restaurant uit. De Vree kijkt naar haar met die oogjes van hem in dat hartelijke boerengezicht. De mannen buigen zich over de koffie en pakken een gesprek op dat ze vaker hebben gevoerd. Ze beginnen kalm, maar na een tijdje zijn ze driftig aan het gebaren. De Vree doet alsof hij op zijn tafeltje slaat van woede, steekt in dezelfde beweging een didactische vinger omhoog en benadrukt grijnzend hoe belangrijk dit voor hem is. De jongere man verandert van houding, zet zijn ellebogen op tafel, vouwt even zijn handen in elkaar ter hoogte van zijn mond, houdt zijn hoofd iets schuin en maakt dan een open gebaar dat ‘luister’ betekent. De reactie van De Vree op het voorstel is een gespeelde diepe zucht. Ze schudden elkaar weer de hand en leunen wat achterover in hun plastic stoelen.

Ik volg hem tot aan zijn huis, een soort bungalow. Hout en baksteen, een tuin vol dichte naaldbomen. Aan de achterkant van het huis zit zijn vrouw bij het raam. Hij komt binnen en ze kussen elkaar. Daarna loopt hij de keuken in en komt niet veel later terug met twee mokken. De wind steekt op en maakt een diep, weids geluid tussen de bomen. Waarom De Vree ons tijdens een van zijn lessen over het Bois de Boulogne vertelde weet ik niet meer, maar ik hoorde de bomen ruisen, de wirwar van stemmen, en ik zag hoe het er langzaam donker werd. Dit kon iemand met zijn stem en lichaam teweegbrengen in een containergebouw aan de Voorstraat te Middelharnis. Het vertellen van een verhaal kan alles veranderen.

 

MINDBOOKSATH : athenaeum