Leesfragment: De goede zoon

15 december 2018 , door Rob van Essen
|

2 oktober verscheen De goede zoon van Rob van Essen. Lees hier een uitgebreid fragment!

In De goede zoon trekt Rob van Essen de lezer een omgeving in die dystopische trekken vertoont en tegelijk angstaanjagend herkenbaar is. In een wereld waar invoering van het basisinkomen heeft gezorgd voor lethargie en stijgend museumbezoek reizen twee mannen af naar het zuiden met een geheime opdracht. De een kent het echte doel van de reis. De ander heeft net zijn moeder begraven. Samen gaan ze op zoek naar verlossing en vergetelheid, bijgestaan door ironische robots en praatgrage zelfrijdende auto’s. De goede zoon is niet alleen een meeslepend verslag van een tocht door een labyrint vol vreemde gebeurtenissen, maar ook een verrassend autobiografische roman over een zoon die de balans opmaakt na de dood van zijn moeder.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Winter in Amerika en Hier wonen ook mensen en besprak Pieter Hoexum voor ons Kind van de verzorgingsstaat. Dat was ook een van de vijf boeken van Roos van Rijswijk.

 

I

Eerste en tweede dag

i

Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.
En daarna alles en iedereen doodschieten, te beginnen in de Albert Heijn. Dat zal natuurlijk niet gaan, zoveel munitie heb ik niet, ik heb niet eens een wapen. Ik ben ongewapend. Drie woorden die je de kou om het hart doen slaan. Ik loop al zestig jaar ongewapend op deze planeet rond. Vreedzame jaren grotendeels, ik geef het toe, maar opeens komt het me absurd voor, alsof ik zestig jaar naakt heb rondgelopen en iedereen heb uitgenodigd om zijn gang met mij te gaan. Niet langer! Ik zal pas innerlijke rust vinden als ik me kan bewapenen. Een pistool is genoeg, of een revolver, wat is het verschil ook weer, zie je wel, ik weet niets, en ik weet al helemaal niet hoe je aan zo’n ding komt. Ergens een louche café binnenlopen en dan aan de barman vragen of… Op de een of andere manier gaat dat niet werken, denk ik. Toen ik op het Archief werkte, had ik De Meester om een wapen kunnen vragen, De Meester had contacten, maar dat wisten we toen nog niet, ik niet tenminste, dus dat had ook niet gekund, en hoe lang is dat inmiddels al geleden, veertig jaar, als ik toen een wapen had gekocht was het allang weg geroest op zolder of in de keukenla, dan had ik nu sowieso een nieuwe moeten kopen. En om zomaar ergens iets te bestellen en thuis te laten bezorgen, dat zie ik mezelf ook niet zo gauw doen, als dat al lukt weet je nooit op wat voor lijsten je terechtkomt. En dus zal ik straks weer naakt de straat op gaan, als in een droom waaraan je ’s ochtends met schaamte terugdenkt. Schaamte! Daarvoor heb ik geen dromen nodig, een bezoek aan de Albert Heijn is genoeg.
Toen ik weer thuis was en de boodschappen had opgeruimd ging ik in de stoel van mijn moeder zitten, die sinds een week als een mastodont midden in mijn kamer staat, op de plek waar de mannen hem hebben neergezet, geen goede plek, ik weet nu al dat ik voortdurend over dat snoer ga struikelen, zet daar maar neer heren, zei ik, bedankt, en ik bedenk nu pas dat ik ze een fooi had moeten geven. Daar hebben ze op de terugweg vast nog over gemopperd. Of misschien ook niet, misschien hielden ze zich alleen maar bezig met de vraag waarom die man de oude sta-opstoel van zijn moeder wilde overnemen. Nou heren, ik kan u vertellen, dat weet die man zelf ook niet, zijn zus wilde het ding niet hebben en het verzorgingstehuis ook niet, het leek hem opeens een goed idee toen hij het kamertje van zijn moeder moest leeghalen, en zo werd hij ook hier weer het slachtoffer van zijn quasi-boeddhisme, volg je intuïtie, er zijn diepere bewustzijnslagen aan het werk, dat soort invallen wil iets zeggen, die stoel wil naar jou.
En dus zit ik hier in mijn woonkamer in een massieve gruwelijk lelijke met oranje en bruine stof overtrokken sta-opfauteuil met het bedieningspaneel te spelen. Op de icoontjes zijn de delen van de stoel die door de desbetreffende knop kunnen worden bewogen wit gemarkeerd, er zijn maar drie onderdelen en zes knoppen, per onderdeel een knop voor naar boven en een knop voor naar beneden, maar toch word ik steeds weer volkomen verrast door wat er gebeurt als ik een knop heb ingedrukt, nooit komt het deel van de stoel dat beweegt, of de richting waarin het beweegt, overeen met mijn verwachtingen. BZZZT. Ik wilde met mijn rug naar achteren. De voetsteun komt omhoog. BZZZZZZT. De zitting gaat omhoog en kiept naar voren. BZZZT. Ik wil dat de zitting weer omlaag gaat voor ik uit de stoel glij, maar nu gaat de voetsteun omlaag. BZZZZT. Nu gaat de rugleuning weer naar achteren. Twintig jaar geleden heb ik dit bedieningspaneel aan mijn moeder uitgelegd. Hoe ze het ding omklemde en elke knop met twee vingers indrukte, BZZZT, BZZZZT, BZZZT, en hoe de stoel elke keer niet deed wat ze wilde, niet alleen die eerste dag maar nooit, en hoe ik met steeds minder geduld uitlegde hoe het werkte – kijk, er staan zes stoeltjes afgebeeld, bij elke knop is het deel van de stoel wit gemaakt waar die knop voor bestemd is, zie je wel? Op dit plaatje is de rugleuning wit dus met deze knop…? Precies! En de volgende keer dat ik langskwam hetzelfde verhaal. Nooit ging het vanzelf, nooit nam ze de tijd. Haar hele leven bevroor ze altijd even voordat ze een handeling uitvoerde, alsof ze niet durfde, alsof ze bang was dat ze het verkeerd zou doen en gestraft zou worden, of uitgelachen, en als ze dan aan die handeling begon ging dat haastig, zonder overleg, alsof ze de verloren tijd wilde goedmaken, die fractie van een seconde waarin ze even in ijs was veranderd. En zo ging het ook met die stoel, als een kip zonder kop drukte ze op knoppen in de hoop dat het vanzelf goed ging. Hoe geïrriteerd ik daarvan werd. Jezus mens, neem nou eens rustig de tijd en kijk naar die plaatjes! En nu zit ik zelf met die knoppen te klooien. Misschien is daarom wel van hogerhand besloten dat ik me over deze stoel moest ontfermen, om me bescheidenheid bij te brengen, om me op mijn nummer te zetten. Toen ik nog met haar kon wandelen, toen ze nog in de aanleunwoning woonde, na de dood van mijn vader, hoe ze toen op de terugweg al ver voordat we haar voordeur in zicht hadden haar sleutel uit haar tasje pakte en als een klein steekwapen voor zich uit hield, en hoe me dat ergerde, we moeten nog minstens driehonderd meter, we zijn de hoek nog niet eens om mens, moet je echt nu al je sleutel pakken? En hoe ik als ik terugkom van de Albert Heijn mezelf er steeds weer op betrap dat ik nog voor ik in mijn eigen straat ben m’n sleutel al in m’n hand heb, als, inderdaad, een klein steekwapen; alsof het genetisch bepaald is. Altijd dat haastige gedoe, altijd de neiging om het laatste stukje over te slaan, nooit overal helemaal zijn. Alles wat ik met die meditatiecursussen had moeten afleren. Vooralsnog werkt die stoel beter dan al die cursussen en weekenden. BZZZT. Rugleuning naar beneden, kijk, in één keer goed nu.

[...]

 

© 2018 Rob van Essen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum