Leesfragment: De lange droogte

25 mei 2018 , door Cynan Jones
|

Deze week verscheen het romandebuut van Cynan Jones in de vertaling van Jona Hoek: De lange droogte. Wij brengen een fragment.

Wanneer Gareth 's ochtends vroeg wakker wordt, kan hij de opkomende warmte van de dag al voelen en de stilte van zijn vrouw die zwaar in de lucht hangt. Terwijl hij over de verschroeide velden op zoek gaat naar een verdwenen koe begint zijn geest te malen over de dromen die hij heeft, de zorgen die hij en zijn vrouw allebei dragen, en het ongemakkelijke gevoel dat er iets gaat veranderen. De lange droogte is een mokerslag van een roman over de kwetsbaarheid van het leven en de kleine onopgemerkte momenten waarop het noodlot toeslaat.

N.B. eerder publiceerden we al voor uit Jones' nieuwe roman Inham en plaatsten we een toelichting van de vertaler over Jones' roman De burcht. 

 

De koe

Ze vindt dat hij naar koffie smaakt. ’s Ochtends, als hij haar wakker komt maken.

‘De koe is weg,’ zegt hij. ‘De roan met de zware uier. Ze is weg. Ik ga haar zoeken.’

Hij loopt naar buiten en hoewel het nog vroeg is zit er een belofte van hitte in de zon. Zo is het nu al weken.

Ze denkt aan hoe hij het pad afloopt, langs de heg, het lange veld in, de vliegen zoemen en tikken terwijl hij snel over de verdorde grond loopt, de kiezels knarsen onder zijn schoenen.

Hij klimt over het eerste hek en ze hoort het zachtjes rammelen door het open raam in de kamer. Ze stelt zich voor hoe hij stilhoudt; kijkend en luisterend, en het enige wat hij hoort zijn de vliegen en het vlakke gemekker van de schapen als ze naar hem opkijken.

Ze kijkt op het horloge op het nachtkastje naast het bed en het is maar net na zessen.

 

Het kalf

Hij was eerder wakker geworden en naar buiten gegaan om bij de koeien te kijken. De nacht was stil geweest en hij had weer niet kunnen slapen door alle gedachten die de stilte van de bewegingloze nacht vulden; dus was hij opgestaan en de heldere, stille ochtend in gelopen. Een hele tijd lang was het heel stil geweest. Dat was voordat het licht werd.

Met het licht van de zaklamp vond hij het doodgeboren kalf in het stro van de stal. Hij wreef over het stompje van zijn ontbrekende vinger. Hij kon de adem van de koeien zien in de ochtendlucht – die zelfs toen koud was – en de warme damp die van sommige lichamen af sloeg. De moeder van het doodgeboren kalf was ernaast neergeknield en loeide zacht en treurig. De andere dieren sisten en briesten en kauwden stro.

Hij pakte het dode kalf bij de enkels en tilde het uit het stro dat bebloed was geraakt door de geboorte, niet door de dood van het kalf. Het was vreemd omdat de moeder het kalf had schoongelikt. Hij dacht aan hoe de moeder haar kalf likte en maar niet begreep waarom het niet onhandig opstond, de poten buiten proportie, de ogen wijd. Waarom het ongelooflijke wankele nieuwe leven ervan uitbleef.

Hij droeg het kalf de stal uit, telde ondertussen de koeien binnen, en ging het veld in. Kate zou verdriet hebben om het kalf. Er stierven maar zelden kalveren bij hen.

 

Boven de heuvels achter de boerderij begon het langzaam licht te worden. Het was slechts een dunner worden van de erg zwarte nacht waardoor de sterren meer schitterden, vibreerden als de hals van een vogel en een licht verspreidden dat schreeuwerig was vergeleken met hun nietigheid. Hij had gezien dat er een koe ontbrak.

Hij hoopte dat ze de stal uit was geglipt en het veld in was gegaan, waar andere koeien met oudere kalveren stonden. Ze stond op het punt te kalven en was zwaar en was mogelijk vertrokken vanwege de verschrikking van het doodgeboren kalf.

In het donker kon hij de koe nergens zien en hij droeg het dode kalf over het veld, zwaar begraasd omdat het niet had geregend. Ergens, in de buurt van het land waar hij zijn oog op had laten vallen, ging een grote vrachtwagen grommend over de weg. Hij liet het kalf in de put achter in het veld vallen omdat hij niet wilde dat Kate het zou zien en omdat het duur was dode kalveren op te sturen om te laten uitzoeken waaraan ze gestorven waren. Je raakt er altijd een paar kwijt, wist hij. Er is geen reden voor. Je raakt er gewoon een paar kwijt. Hij hoopte dat de koe niet verdwenen was.

 

 

De boerderij

De boerderij staat op een lage helling een paar kilometer landinwaarts van de zee. Gareths vader had de boerderij na de oorlog gekocht omdat hij niet meer voor de bank wilde werken. De boerderij was van een excentriek oud vrouwtje geweest dat op een ochtend door de postbode ontdekt werd terwijl ze in haar pyjama de kippen voerde. Ze had geen kippen. Drie zonen en haar echtgenoot waren ten strijde getrokken en een voor een in de oorlog omgekomen, op volgorde van leeftijd. Toen ze haar aantroffen terwijl ze niet-bestaande kippen aan het voeren was, werd ze meegenomen en in een tehuis gestopt waar ze stierf aan een zware beroerte, alsof ze niet buiten de boerderij kon leven. Toen Gareths vader hem kocht, stond de boerderij op instorten.

Het gezin trok erin met de bedoeling de boerderij te herstellen, op te knappen; maar na de eerste paar hectische maanden deden ze nog maar weinig en begonnen er zich thuis te voelen. Dingen kregen namen – de kamers en de velden.

In het nieuwe huis, nadat de vloeren waren hersteld en de muren geplamuurd en gestuukt, in een heldere kleur geverfd, werden dingen her en der neergezet – ornamenten en schaaltjes. Het was te overdacht, alsof er geposeerd werd voor een foto, en Gareth, die toen nog jong was, vond het maar vreemd.

Toen het huis rondom zijn nieuwe bewoners tot leven kwam, leken de dingen een natuurlijkere plek voor zichzelf te vinden – als aarde die tot rust komt – lukraak en op een bepaalde manier juist, als de mengelmoes van dingen in een heg. Ze ontspanden en liepen met hun schoenen aan in huis rond. Daarvoor hadden de kinderen een tijdlang het gevoel gehad dat het huis de kluts kwijt was door alle aandacht – het was een beetje zoals zij waren nadat hun moeder hun gezicht had schoongewreven met een doek.

 

‘Ik wilde hem vannacht,’ denkt ze. ‘Echt. En toen, ik weet niet. Ging het weer weg. Ik verstarde, alsof ik geen gevoel meer had, toen hij me begon aan te raken, en ik probeerde geduldig te zijn en aanmoedigend, maar hij had het door, dus stopte hij en zei helemaal niets. Ik voelde dat hij boos was. Niet echt op mij, gewoon, het is goed van hem geweest dat hij de laatste tijd niets geprobeerd heeft en toen begon ik ermee. En toen wist hij dat ik het niet wilde; en ik weet niet waarom. Ik mis zijn handen. God, ik mis zijn handen.’

Hier is zij nu mee begonnen. Deze manier van denken – alsof ze hardop met zichzelf praat, alsof ze een in een spiegel gevangen gezicht is dat terugpraat. Een manier om zich te beheersen, of om af te tasten. Om te begrijpen. Vrouwen worden snel oud, als ze eenmaal oud worden.

Ze voelt haar lichaam bewegen onder de grove stof van zijn hemd, dat ze aangetrokken had om maar het bed uit te zijn. In de spiegel, achter haar, het onopgemaakte bed. Ze voelt dat haar lichaam zacht is en gevuld met water en met de jaren verder uitzakt, en er is geen mogelijkheid dat hij nu naar haar kan kijken en dezelfde dingen voelt die hij in het verleden voor haar voelde. Hij zal haar willen omdat hij nu om haar geeft, niet uit verlangen. Het is alsof iemand je laat winnen met een spelletje. Hij kan onmogelijk haar lichaam willen. Ze vraagt zich af of ze haar haar weer kort moet knippen.

 

Soms worden ze raar. Als ze zwaar zijn van dracht. Ze worden raar en ze doen dan iets, en het is onmogelijk te raden wat ze hebben gedaan door te proberen te denken zoals zij. Omdat ze niet denken als ze dit doen. Als ze besluiten te vertrekken, kunnen ze een grote afstand afleggen. Gewoon ronddwalend en rauzend en het slaat nergens op. Het enige wat je kunt doen is ze proberen te vinden en hopen dat ze het goed maken en doen wat je kunt. Bij ze in de buurt blijven. Ze in de gaten houden. Meestal gaat het weer beter als het kalf eenmaal geboren is.

 

Ze was een dairy shorthorn – de enige roan, een mix van rode en witte haren waardoor ze er voornamelijk rood uitzien, de kleur van baksteen. De andere shorthorns waren wit, of rood, of wit met rood, maar ze hadden er niet veel. De meeste koeien waren Holstein-Friesians – de zwart-witte koeien van kinderprogramma’s waarvan Emmy vindt dat ze eruitzien als puzzelstukjes. Ze houden nu nog maar enkele koeien, na de quota’s. Ze hadden er veel gemolken, maar toen de quota’s werden geïntroduceerd stopten ze na een paar jaar omdat het te duur was om de quota te kopen. Daarbij hadden ze koeien met melk waar goede karnemelk van gemaakt kon worden en het was moeilijk om de productie laag te houden, en je moest veel bijbetalen als je te veel produceerde. Veel van de kleinere boeren om hen heen waren ook gestopt met zuivel en lieten het aan de grote boerderijen, die begunstigd werden door de quota’s. Ze hielden voornamelijk schapen. Ze verkochten de meeste van hun koeien en hielden er een paar voor het vlees en, in eerste instantie, voor hun eigen melk, maar later toch vooral om door te verkopen. Gareth was blij dat ze een paar shorthorns hadden gehouden omdat ze minder gulzig waren dan de Friesians en sneller tevreden met het voer. Zonder gras was het moeilijk om de Friesians goed doorvoed te houden.

 

Curly

Hij kijkt omlaag naar de droge aarde en hij weet dat het nu al weken te droog is voor sporen – voor hoef- of pootafdrukken. Zijn beste kans zullen verse koeienvlaaien zijn, of een geplet deel heg waar ze haar enorme gewicht doorheen gedrongen heeft. Je zou denken dat bewegen moeilijk voor hen is met zulke grote uiers en zo’n gewicht, maar het zijn grote koppige beesten, en ze gaan dwars door dingen heen als ze willen.

Hij raapt een kleine scherpe steen op en gebruikt hem om een stukje touw door te snijden dat hij niet los kan krijgen zonder zijn vinger. Zijn Leatherman kan hij niet vinden. Emmy had de Leatherman helemaal zelf voor hem gekocht (zij had hem uitgekozen), op de verjaardag nadat hij zijn vinger verloren was – ze zei: je kunt er van alles mee dus misschien kan hij op een bepaalde manier je vinger vervangen. Hij hield hij van zijn dochter om dit soort dingen – de manier waarop ze tragedies kleiner maakte, op een charmante manier een oplossing vond.

Het kost hem moeite om het touw door te krijgen en hij denkt: geleidelijk aan zal ik steeds minder sterk worden. Als hij het hek wil verplaatsen stort het in elkaar en buigt met veel gepiep door. Hij wordt niet boos op het hek en hij kijkt uit over zee.

Die morgen had hij naar het ochtendgloren gekeken. Het gloren dat opsteeg vanuit de grond. Een enkele vogel was aan het zingen, als een kind dat in zichzelf praat terwijl het speelt. Hij had aan de nacht gedacht die op zijn einde liep, en aan het stille dode kalf en de vermiste koe, aan zijn vaders memoires die hij aan het lezen is om hem te helpen in slaap te vallen of om te voorkomen dat hij aan andere dingen denkt, zoals aan het land dat hij wil kopen, of aan het lichaam van zijn vrouw; en hij bedacht dat het verschrikkelijk was hoezeer hij gisteravond naar het lichaam van zijn vrouw verlangde. Het verlangen zal niet minder worden. Het is iets vreemds om geheim te houden – hoezeer we naar elkaars lichaam verlangen.

De grilligere bergen in het noorden staken op dat moment scherp af, als knokkels op armlengte voor je ogen, en de nevel liep van ze af en rolde de lange zee op totdat hij in wolken veranderde en ten hemel steeg. De zee was als nat glas in de zon.

Een ogenblik, bij dit aanbreken van de dag, was er een kilheid – als een laatste ademstoot, daarna kwam de warmte. Hij kwam geleidelijk en vol en zonder weifelen, zoals al weken het geval was.

Nu, nog vroeg, voelt hij de warmte op zijn schouders en begint de glooiende helling af te lopen. Hier is de koe niet.

Zwaluwen schieten omlaag in een hoek van het veld waar het gras dik en vol is door een natuurlijke bron en drinken de dauw van de weelderige halmen.

Hij steekt het veld over en gaat onder de stokoude sleedoorn door, kronkelig en paars, vastgeklampt aan de droge aarde van de wal. Het stroompje staat droog. Her en der komt het water vanuit de diepe grond omhoog en veroorzaakt kleine modderige plekken, bespikkeld met helder groen onkruid en pootafdrukken van vogels. Maar het water stroomt niet. Verscheidene gebroken slakkenhuisjes liggen rond een scherpe steen waar een lijster slakken mee naartoe neemt om zich mee te voeden. Hij houdt ervan het te horen, het scherpe heldere getik van de slakkenhuisjes die gekraakt worden op de steen. Het fascineert hem, de kleine vindingrijkheid van vogels.

Hij volgt het spoor van het stroompje en gaat onder het hek door dat nutteloos boven de bedding hangt. In het volgende veld, waar de vijver is, drinken zwaluwen van het water en vangen de kleine vliegjes die daar rondzwermen zolang het nog niet te heet is. Hij bedenkt dat hij vergeten is dat hij vandaag de eenden moet gaan ophalen. Misschien dat hij het begin van een briesje voelt, heel voorzichtig. Dit jaar waren de zwaluwen er al vroeg.

Een tijdlang is hij gegrepen door de schoonheid van de vijver en de zwaluwen. Dan, in de wetenschap dat de koe ook daar niet is, draait hij zich om en loopt terug naar het huis.

 

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum