Leesfragment: De mirreberg

06 november 2018 , door Guido Snel
|

Vrijdag 16 november (17.00) organiseert Spui25 een bijeenkomst over feit en fictie, echt en vals, waarheid en leugen in de schilderkunst en de literatuur, naar aanleiding van het verschijnen van De mirreberg, de nieuwe roman van Guido Snel. Lees hier alvast de eerste pagina's!

Drie luiken, drie lagen, drie tijden. In 1944, twee weken na D-Day, steekt kunsthistoricus Edgar Auerbach in het kielzog van de geallieerde troepen het Kanaal over, op zoek naar door de nazi’s geroofde kunst. In 1500 monstert een jonge schilder uit de Nederlanden aan op het schip van een Osmaanse kapitein met de opdracht de kusten van de Middellandse Zee zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. En in Los Angeles anno nu twijfelt schilderes Karen Christiansen aan de zin van een heel leven gewijd aan de kunst. De mirreberg is een roman over een triptiek, geschreven in de vorm van een triptiek.

 

1.

Dat zij dood zijn. Dat hij, Auerbach, nog leeft.
Twee weken geleden golfde de eerste lichting over het Kanaal. Er wordt gezegd dat het een hel was. Op Omaha Beach. Nu is er geen vuiltje aan de lucht. Nu, 20 juni 1944.
Onder water de gezichten van zijn vrienden, naast de boeg van het landingsvaartuig dat moeiteloos door de rimpelloze zee snijdt. Carlo. Hij is bleek, zijn aderen leeggelopen in een badkuip in een Zürichs pension. Voor hem blijft het altijd 1941, 1942.
Emilia zwemt als een meermin naast hem. Haar heeft hij voor het laatst in 1938 gezien.
Niet iedereen is dood. Een neef dient aan boord van een kruiser in de Stille Zuidzee. Een andere neef, Erich, schreef hem laatst uit Istanbul, of hij, Edgar, zijn sollicitatie aan een aantal Amerikaanse universiteiten kan bespoedigen.
Sommigen redden zichzelf, anderen klampten zich aan weer anderen vast, sommigen grepen mis. Emilia miste de trein. Dachau, dat is het laatste wat hij over haar heeft gehoord. Hij ziet haar over het perron ijlen: haar ranke benen dragen haar, de trein wint vaart, haar koffer klapt open, haar hele intieme leven, haar kousen, haar lippenstift, die zijden blouse die hij op vakantie in Lissabon voor haar kocht, die laffe brief van hem (‘we zijn uit elkaar gegroeid’), ze vertraagt – een fatale aarzeling, maar moet ze alles hier dan zomaar achterlaten?
Nachtenlang lag ze wakker, verstijfd van angst bij de gedachte dat hij, Edgar, weg zou gaan. Zij had de kracht niet om te vluchten, vertelde ze hem in de ochtenden, met roodomrande ogen. Hij merkte al die nachten niets van haar gewoel. Hij droomde van een andere, vitalere Emilia; van de zeebries in Lissabon door het open raam van hun hotelkamer, die haar naakte rug streelde. Lissabon in een andere tijd, een andere wereld.
Hij ziet nog een gezicht in de golven. Dat van Edgar Auerbach. Autarkisch wezen. Een overlever. Een wilskrachtig mens, wordt er gezegd. Een veertiger – de eerste lichting van deze eeuw. Het jaar 0. Hij herkent zichzelf nauwelijks. Zijn gedachten altijd bij de volgende halte van een reis die hij nooit echt heeft gepland.

Het is donderdag, de zon schijnt, het water voor de kust deint zacht, de golfslag wekt ‘Der Wegweiser’, lied nummer 20 uit de Winterreise. De gestage tred van de eenzame ziel die zingend zijn einde tegemoet gaat. Auerbach is op Sommerreise: het wordt nog een schitterende zomer, de zon breekt zo verder door. Misschien zijn hij en Emilia destijds, in die zomer van ’36 toen ze de Atlantische kust afzakten, ook al op Omaha Beach geweest. In een van de havens in de buurt zaten vissers op de basaltblokken. Ze hadden tientallen mosselen op een vlak stuk steen in het gelid geplaatst, als Romeinse legionairs in carré. De vissers legden er krantenpapier overheen en staken dat in brand. In de hitte van het vuur gaarden de dieren in hun schelp. Auerbach weet nog wat de krant kopte: Jesse Owens voltooit trilogie. Emilia lachte toen ze dit las. Alles zou goed komen.

Al sinds zijn studietijd heeft Auerbach dezelfde droom. Hij is nerveus, een smoking snijdt in zijn hals, klemt onder zijn schouders en nog voor hij het podium op moet is hij al drijfnat. De zaal, Herr Auerbach, zegt de toneelknecht, die een hazenlip en een bloemkooloor heeft, zit afgeladen vol. Zijn grijns verraadt dat hij geen tand meer in zijn smoel heeft. Het gênante is niet dat Auerbach geen noten kan lezen, ook niet dat hij niet kan zingen. En die set grammofoonplaten met de integrale Winterreise, de uitvoering van Gerhard Hüsch, heeft hij stukgespeeld, en hij is redelijk tekstvast. Het gênante is dat de pianist zich ziek heeft gemeld. Als Auerbach schoorvoetend uit de coulissen treedt, ziet hij het monsterlijke klavier waarop hij zichzelf zal moeten begeleiden. En hij speelt helemaal geen piano.
Een aarzelend applaus klinkt.

Sinds hij in Philadelphia aankwam, is de droom wat milder: er staat nu een gammele pianola, de pianorol draait al als hij uit de coulissen komt. De eerste maten van ‘Gute Nacht’.

Op de basis in Essex kregen ze kaarten en plattegronden te zien. Na de landing zouden ze doorrijden naar Caen. Het terrein was schoongeveegd. In de officiersmess zag hij de cover van Life, het onscherpe beeld van een soldaat in de branding, zijn helm scheef op zijn hoofd. Dat was op 6 juni.
Het werd 20 juni, de dag van de overtocht.
20 juli.
Augustus.
Hun troepen stoten door, zonder noemenswaardige tegenstand. Parijs in de nazomer, wordt er gezegd. Hún troepen: naast Auerbach op het landingsvaartuig stond Craig Phillips, uit Columbus, Ohio. Craig is geoloog, maar raakte onder bekoring van de Vlaamse schilderkunst. Toen Auerbach in het Museum of Art in Philadelphia werd aangesteld was Craig net als conservator aangenomen. Met feilloze kennis van Van Eyck. En van elke bodem waar hij gaat en staat. Huisvriend. Craig stelde Auerbach voor aan Susan. Edgar, zei hij, het wordt tijd dat je je Europese leven achter je laat. Susan is een goede vriendin. Ze is belezen, ze voltooit binnenkort een proefschrift over de impressionisten. Ze wil je graag ontmoeten. Het wordt tijd, Edgar, dat je de emigrantenblues achter je laat. Teruggaan is een idiote gedachte. Hier in het museum hebben we je nodig. Na de oorlog. We zijn hier iets aan het opbouwen. Europa is afbraak, het is een moeras. En Susan staat niet afwijzend tegenover de gedachte van kinderen.
Dat zei Phillips. En Auerbach antwoordde: misschien heb je gelijk, Craig. Goed. En ze dineerden met zijn allen. Craig en zijn vrouw Sally en hij, Auerbach, en Susan. Hij vroeg Susan mee uit, een week later zagen ze The Philadelphia Story met een tergend Amerikaanse Katharine Hepburn, en de volgende ochtend werd hij wakker in het stemmig ingerichte appartement van miss Susan Heimbach aan Ridge Avenue, betaald door haar vader die zijn fortuin met lucifers en tandenstokers heeft verdiend. Aan de muur reproducties van de impressionisten. Ze sliep nog, hij keek naar de Mont Saint-Victoire, naar haar rug, de kwetsbare lijn van haar schouders. Toen ze ontwaakte vroeg hij haar ten huwelijk. Voorjaar '42.
En inmiddels is Parijs bevrijd, ze treffen er niets, helemaal niets meer aan: de wanden van het Louvre staren hen aan, generen zich om hun naaktheid. De roof is geslaagd.
Het is dan al eind augustus 1944.
Susan schrijft dat ze de baby in haar buik voelt schoppen. Volgens haar een teken van ongeduld; volgens hem een teken van haar ongeduld. Edgar, vroeg ze, beloof me dat je met kerst thuis bent. Ik wil dat je er bent als het kind geboren wordt. Die brief moet hij nog beantwoorden.
Hij trekt in het zog van de troepen naar het noorden. In Gent is het Lam Gods verdwenen, in Brugge de Madonna met kind. Hij schrijft Susan ten slotte dat de kans steeds geringer is dat hij met kerst thuis zal zijn, het is per slot van rekening al september. Oktober. November. Hij schrijft het woord thuis, home, en hij voelt zich bezwaard, een leugenaar zelfs. Hij zou het nooit tegenover haar toegeven, hij zou het zelfs nooit aan haar kunnen uitleggen, maar zijn Heim is niet waar zijn home is. Fremd bin ich eingezogen, fremd zieh’ ich wieder aus. Craig keerde lijkbleek terug uit de Onze-Lieve-Vrouwekerk en schreef dezelfde avond nog aan Sally dat hij er met kerst niet zou zijn, dat hij had gezworen pas terug te keren als de Madonna terecht was. En als we je Madonna niet vinden, vroeg Auerbach. Craig antwoordde kalm: dan gaan we nooit meer naar huis, we’ll never go home.

In Essex kregen ze behalve landkaarten ook eindeloze reeksen foto’s te zien. Van vermiste doeken, beeldhouwwerken, tapijten. Duizelingwekkend. De Führer en de Reichsmarschall zijn plunderend en rovend als Vandalen en Visigoten door Europa getrokken. Waar wilden ze alles laten? De Vermeers in de slaapkamer? De Tintoretto’s en Caravaggio’s in de salon? De middeleeuwse wandtapijten op de vloer? Ze slobberen hun bordeaux uit geroofd Boheems kristal, likken het vet van Venetiaanse porseleinen borden. Wakker worden met De astronoom, je minnares kussen bij een met kaarslicht verlichte Judith en Holofernes. Schijten bij De pest in Florence, het doek van Makart dat Hitler na veel zeuren van Mussolini aftroggelde. En je kont afvegen met de expressionisten, de fauvisten.
Eind november valt de eerste sneeuw. Die wandtapijten zullen nu wel van pas komen in de bunkers. Auerbach ligt op een houten brits, rillend van de kou. Straatsburg is nabij.
In Philadelphia is zijn zoon geboren, leest hij op kerstavond in een telegram. Philip, is hij genoemd. Naar de vader van Susan. Philip Auerbach. Hij voelt vreugde, gelooft hij, al is de kou hevig hier in de Elzas. Nun ist die Welt so trübe, der Weg gehüllt in schnee.

Metz is gevallen, nog even en ze kunnen de stad in. De val van de stad geeft vreugde. Nu kunnen ze doorstoten. Naar zijn Heim. Susans brief, met foto’s, verwijt hem niets. Maar Auerbach voelt haar verwachting. Ze wil dat hij thuiskomt. Om vader te spelen. Elke vader wil toch zijn eerstgeborene zien? Op de foto een slapende baby, een wit kapje over zijn hoofdje als een patriciërskind op een doek van Frans Hals.

Edgar, pak een stoel, luister naar me, zegt Craig, het is geen goed nieuws.
Auerbach heeft al geruchten gehoord, over de Führerbau in München. München kan elk moment vallen, en in het Führergebouw heeft de operettekorporaal uit Oostenrijk vele waardevolle stukken ondergebracht. Dat vertelt Inlichtingen. En nu zouden de burgers van München het gebouw hebben geplunderd. Vooral Hollandse meesters.
Edgar, zegt Craig. Hij zoekt naar woorden, terwijl Craig nooit naar woorden hoeft te zoeken. Het is Dachau, we hebben Dachau bevrijd en het is niet goed. Het is veel erger dan we allemaal dachten.
Craig weet niet van Emilia. Niemand weet van Emilia; dat wil zeggen: velen wisten van haar, maar die velen zijn er niet meer. Verdwenen. Omgekomen. In Dachau, of elders. Verhongerd, verzopen, verhangen, doodgemarteld, op de vlucht neergeschoten. Craig weet alleen dat Auerbach nog dierbaren heeft in Duitsland, en zo af en toe, als hij doorvraagt en Auerbach zich zo min mogelijk laat ontvallen, is de naam Dachau genoemd.
Het is veel erger dan we allemaal dachten.
Terwijl Emilia voor niemand een gesloten boek was. Hij en Carlo leerden haar tegelijk kennen. Auerbach was sterker, hij was altijd al sterker dan Carlo, het was onvermijdelijk dat ze Carlo op een zeker moment zou verlaten. Misschien maakte hem dat overmoedig. Hij dacht al die jaren dat hij haar niet nodig had. Niet echt. Dat ze een prettige toevoeging was aan zijn dagelijkse leven, het best denkbare intermezzo in zijn werkzaamheden.
De Normandische kust; Bretagne; Biarritz, San Sebastián, uiteindelijk Lissabon. Emilia gaf zich aan Auerbach, niet als geschenk, maar als een geliefde, in de verwachting dat hij zich ook aan haar zou geven. Het zweet op haar rug, het geduld in haar blik. Craig, zelfs al zou hij weet hebben van haar bestaan, heeft geen idee. Geen idee.
Lente breekt aan. April 1945. Auerbach zou kunnen zeggen: het jaar des Heren 1945. Maar een rottende, stinkende vitaliteit is in de bodem ontwaakt. In dit universum zijn geen goden, enkel mensen, en ze zullen elkaar uitroeien. Tot er enkel ratten resten.

[...]

 

© 2018, Guido Snel

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum