Leesfragment: De moord op de commendatore II. Metaforen verschuiven

15 januari 2018 , door Haruki Murakami
|

Deel twee is verschenen! Haruki Murakami's De moord op commendatore is compleet in de vertaling van Elbrich Fennema en Luk Van Haute. Lees nu een fragment uit deel 2: Metaforen verschuiven op Athenaeum.nl - en bestel uw exemplaar.

In De moord op Commendatore van Haruki Murakami had een portretschilder gehoopt tot rust te komen en zijn inspiratie terug te vinden in het huis van de beroemde schilder Tomohiko Amada. Maar in plaats daarvan is hij een wereld vol raadselen in gezogen. Het geluid van een bel houdt hem ’s nachts wakker, er gaat een mysterieuze kracht uit van een holte in het bos, voorwerpen in het huis worden door een onzichtbare hand verplaatst. Het schilderij De moord op Commendatore lijkt de sleutel te bevatten. Maar eerst moet de portretschilder meer over de schepper Amada te weten komen. Wat speelde zich precies af in diens studentenjaren in Wenen, eind jaren dertig? Ondertussen boekt de verteller eindelijk weer eens vooruitgang aan een portret, ditmaal van een dertienjarig meisje. Totdat zij spoorloos verdwijnt, en hij de opdracht krijgt om haar te redden.

‘Een roman die je bij de lurven grijpt.’ **** – de Volkskrant

N.B. Ter ere van de publicatie zal er een Murakami Weekend plaats vinden. Meer informatie vindt u hier. En natuurlijk besteedden we eerder aandacht aan de auteur. We publiceerden voor uit deel 1, Idea verschijnt, en uit 1q84 en Luisteren naar de wind, en Jacques Westerhoven vertelde over het vertalen van Kangoeroecorrespondentie.

33
Ik houd evenveel van zichtbare dingen als van onzichtbare dingen

Ook zondag was een prachtige, heldere dag. Het waaide niet noemenswaardig en de herfstzon liet de bladeren van de bomen tussen de bergen oplichten in al hun kleurenpracht. Vogeltjes met een wit befje vlogen van tak naar tak en deden zich tegoed aan rode bessen. Ik zat op het terras en kreeg er geen genoeg van naar dit tafereel te kijken. De schoonheid van de natuur presenteert zich, zonder onderscheid, in gelijke mate aan de rijke en aan de arme. Net zoals de tijd... Nee, met de tijd is dat misschien niet het geval. Misschien kopen rijke mensen extra tijd met hun geld.
Precies om tien uur kwam de helderblauwe Toyota Prius de heuvel op rijden. Shoko Akigawa droeg een dunne, beige coltrui en een lichtgroene katoenen broek met smalle pijpen. Om haar hals glinsterde een bescheiden schakelketting. Haar haar zat net als de vorige keer bijna perfect in model. Als het bewoog, was een glimp van haar mooie hals zichtbaar. Vandaag had ze geen handtas bij zich, maar hing er een suède tas over haar schouder. Ze droeg bruine bootschoenen. Haar kleding was nonchalant, maar tot in de puntjes verzorgd. Ze had beslist mooi gevormde borsten. Afgaand op de voorkennis die haar nichtje me had verstrekt, was het een boezem ‘zonder vulling’. Haar borsten fascineerden me – maar uitsluitend in de esthetische betekenis.
Marie Akigawa zag er in haar vale jeans met rechte pijpen en witte All Stars een stuk meer casual uit dan de vorige keer. Haar jeans vertoonde hier en daar gaten (uiteraard ging het om bewust en met zorg aangebrachte gaten). Ze droeg een dunne, grijze schipperstrui en daaroverheen een geruit houthakkershemd. Ze had nog altijd geen welving van borsten. En ze keek nog altijd humeurig. Als een kat die halverwege het eten bij haar etensbakje was opgepakt en meegenomen.
Net als de vorige keer zette ik thee in de keuken en bracht die naar de woonkamer. Ik liet hun de drie voorstudies zien die ik de week ervoor had getekend. Shoko Akigawa leek deze schetsen te waarderen. ‘Ze zijn stuk voor stuk heel levendig. Ze lijken wel meer op de echte Mari-chan dan foto’s.’
‘Mag ik ze hebben?’ vroeg Marie Akigawa aan mij.
‘Natuurlijk, dat is goed,’ zei ik. ‘Als het schilderij af is. Tot die tijd heb ik ze misschien nog nodig.’
‘Maar zoiets... mag ze ze werkelijk van u hebben?’ vroeg haar tante bezorgd aan mij.
‘Ik vind het prima,’ zei ik. ‘Als het schilderij eenmaal af is, heb ik ze niet meer nodig.’
‘Welke van deze drie voorstudies gaat u gebruiken als uitgangspunt voor het schilderij?’ vroeg Marie.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Geen van drieën. Ik heb deze voorstudies gemaakt om jou zogezegd driedimensionaal te begrijpen. Ik denk dat ik op het doek weer een andere versie van jou zal schilderen.’
‘Hebt u dat beeld al concreet in uw hoofd, meester?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, nog niet. Daar ga ik straks als we met zijn tweeën zijn over nadenken.’
‘Mij driedimensionaal begrijpen?’ zei Marie.
‘Inderdaad,’ zei ik. ‘Het doek is fysiek gesproken plat, maar een schilderij moet altijd driedimensionaal worden geschilderd. Begrijp je dat?’
Marie keek moeilijk. Ik stelde me voor dat ze bij het woord ‘driedimensionaal’ waarschijnlijk aan de welving van haar borsten dacht. Inderdaad wierp ze, voor ze mij aankeek, een vluchtige blik op de borsten van haar tante, die mooi opbolden onder haar dunne trui.
‘Hoe komt het dat u zo goed bent in tekenen?’
‘De voorstudies, bedoel je?’
Marie Akigawa knikte. ‘Voorstudies, schetsen.’
‘Dat is een kwestie van oefening. Naarmate je meer oefent, word je er steeds beter in.’
‘Maar volgens mij zijn er ook veel mensen die er niet goed in worden, hoeveel ze ook oefenen.’
Het klopte wat ze zei. Ik had op de kunstacademie talloze klasgenoten gezien die totaal niet goed konden tekenen, hoe ze ook oefenden. Hoe ze ook ploeterden, er waren nu eenmaal grote aangeboren verschillen tussen mensen. Maar als ik daarover begon, zou het gesprek een heel andere wending nemen.
‘Maar dat is geen reden om niet te oefenen. Iedereen heeft immers talenten en kwaliteiten die zonder oefening niet zo makkelijk naar buiten komen.’
Shoko Akigawa knikte hevig bij mijn woorden. Marie Akigawa trok alleen haar lippen een beetje scheef opzij. Zo licht dat je twijfelde of het echt zo was.
‘Je wilt toch goed worden in tekenen?’ vroeg ik aan Marie. Marie knikte. ‘Ik hou van dingen die je kunt zien. Ongeveer evenveel als van dingen die je niet kunt zien.’
Ik keek naar Maries ogen. In haar ogen dreef een speciaal soort licht. Ik begreep niet goed waar ze concreet op doelde. Maar ik was niet zozeer gefascineerd door wat ze had gezegd als wel door het licht achter in haar ogen.
‘Dat is een behoorlijk wonderlijke opvatting,’ zei Shoko Akigawa. ‘Het lijkt wel een raadsel.’
Zonder antwoord te geven keek Marie naar haar handen. Toen ze even later opkeek, was het speciale licht alweer uit haar ogen verdwenen. Het was er maar een ogenblik geweest.

Marie Akigawa en ik gingen het atelier in. Shoko Akigawa haalde dezelfde dikke pocket uit haar tas tevoorschijn als de week tevoren – op het oog leek het in ieder geval dezelfde – en begon daar op de bank al snel in te lezen. Ze leek behoorlijk gegrepen te zijn door het boek. Ik werd steeds nieuwsgieriger welk boek het was, maar toch had ik ervan afgezien naar de titel te vragen.
Net als de vorige week zaten Marie en ik op ongeveer twee meter afstand tegenover elkaar. In tegenstelling tot de vorige week stond dit keer echter een ezel voor me met een doek erop. Maar ik had nog geen penseel en verf in mijn handen. Ik keek afwisselend naar Marie en naar het lege doek. Ik liet mijn gedachten gaan over hoe ik haar vorm ‘driedimensionaal’ op het doek moest overbrengen. Dat vereiste een soort ‘verhaal’. Het was niet simpelweg een kwestie van zonder meer haar vorm afbeelden. Daarmee werd het nog geen kunstwerk. Dan zou het hooguit een goed gelijkend portret worden. Het belangrijkste vertrekpunt voor mij was het verhaal te ontdekken dat hierin moest worden uitgebeeld.

 

© 2017 Haruki Murakami
© 2018 Nederlandse vertaling Elbrich Fennema en Luk Van Haute

MINDBOOKSATH : athenaeum