Leesfragment: De polyglotte geliefden

20 april 2018 , door Lina Wolff
|

Vandaag, vrijdag 20 april, verschijnt De polyglotte geliefden van Lina Wolff (vertaling Janny Middelbeek-Oortgiesen). Wij brengen een fragment!

De polyglotte geliefden van Lina Wolff (1973) gaat over drie mensen en drie soorten onvervulde verlangens. Ellinor, 36 jaar oud, afkomstig uit een klein dorp in het zuiden van Zweden, plaatst een contactadvertentie, op zoek naar een ‘tedere, maar niet al te tedere man’. De ongelukkige schrijver Max wil een minnares die hem in alle talen kan toespreken die hij beheerst. Zijn zoektocht voert hem van Stockholm naar Italië, waar hij Lucrezia ontmoet, de kleindochter van een rijke markiezin. Ellinor, Max en Lucrezia hebben meer gemeen dan zij zelf beseffen, onder andere een verloren gewaand manuscript.

De polyglotte geliefden is een buitengewoon originele, prikkelende verkenning van machtsverhoudingen, van de ‘male gaze’, en van de manipulatieve eigenschappen van de literatuur. Voor De polyglotte geliefden ontving Lina Wolff in 2016 de Augustprijs, de belangrijkste literatuurprijs in Zweden.

 

Dat het internet mijn ding zou zijn om de ware te vinden had ik nooit gedacht. Ik vond het iets marketingachtigs hebben, bovendien had ik nog nooit een contactadvertentie geschreven, iets anders ook niet trouwens, en ik wist niet hoe je je schriftelijk moest verkopen. Mijn vriendjes waren altijd doodgewone jongens uit mijn dorp. De eerste heette bijvoorbeeld ‘Johnny’ en er was helemaal niets bijzonders aan hem, in elk geval zo op het eerste gezicht niet en in elk geval niet totdat je in de gaten kreeg dat hij echt ziek was. We zaten bij elkaar in de klas en het begon ermee dat hij zei: ‘Is er iets waar je altijd van gedroomd hebt dat een man het voor je zou doen?’
Ik neem aan dat hij dit iemand in een fi lm had horen zeggen en dat hij zichzelf toen al echt serieus als een man beschouwde. Ik neem ook aan dat het antwoord dat hij kreeg heel anders was dan hij had verwacht. Iets als ‘Ja, ik heb altijd verlangd naar een man die me in bed in extase weet te brengen’. Of een concrete wens die hem een handje zou helpen. Maar in plaats daarvan zei ik: ‘Ik heb altijd gewild dat iemand me zou leren vechten.’
Toen ik zag dat hij niet zo verbaasd keek als ik had verwacht, voegde ik eraan toe: ‘Maar dan ook echt als iemand die erop los beukt.’
Johnny knikte bedachtzaam, spuugde op de grond en zei: ‘Als dat is wat je wilt, meid, dan zal ik het je leren.’
Nog diezelfde avond nam hij me mee naar wat hij de ‘faiterclub’ noemde. Dat was een groepje dat Fight Club had gezien en de smaak te pakken had gekregen, maar anders dan in die fi lm beheersten deze lui echt verschillende vechtsporten en ze kwamen drie keer in de week in een zaal bijeen om die te beoefenen. Iedereen kwam tegen iedereen uit. Je ging een trap af onder een school en dan liep je een kelder in. Overal zaten tegels in een kleur tussen bruin en oranje in, maar het waren rare, matte tegels die in tegenstelling tot hoe tegels normaal werken, alle geluiden leken te absorberen. Je liep daarbeneden ver door onderaardse gangen. Iedereen was doodstil, had blote voeten en droeg een tas met sportkleding over de schouder. Het enige wat je hoorde, waren de ventilators. Dan kwam je de zaal binnen en daar waren ze, degenen uit het dorp die wilden vechten. Er werd een provisorische leider aangewezen en daarna begon iedereen samen aan de warming-up. Ze waren allemaal lenig, zelfs de jongens, en niemand schaamde zich ervoor om te laten zien dat hij een spagaat of een split in huis had. Wanneer ze zo in spreidstand stonden, lieten mensen hoorbaar scheten maar het was een ongeschreven regel dat je niet lachte, integendeel. Daarna gingen we vechten. Ik was de enige beginneling, maar ik had één ding en dat was dat ik doodsbang was. Als je doodsbang bent, ben je in het voordeel, zei Johnny. Als je echt fokking bang was, kreeg je een heleboel cadeau, je lijf was wijzer dan je dacht en als je het op de automatische piloot zette, kon het bijna alles. Maar daarna moest je wel de controle pakken.
‘De meeste mensen worden niet kwaad omdat ze worden aangevallen maar omdat ze zich niet kunnen verdedigen,’zei Johnny.
Johnny kon niet alleen vechten, hij kon ook schieten, en soms reden we naar een schietbaan die aan de weg lag tussen ons dorp en het volgende. We liepen rond met oranje gehoorbescherming op en gingen een kijkje nemen bij degenen die met een pistool schoten en daarna bij degenen die met een geweer schoten. Johnny deed voor hoe je wijdbeens stond en je buks aanlegde om de kleiduiven te raken. Eerst in de simulator, daarna in het echt. Op een dag zei hij dat hij me nu mee op jacht kon nemen. Voordat we vertrokken praatte hij veel over die jacht, dat je er ’s nachts op uit moest, je nachtkijker moest gebruiken en de hele tijd doodstil moest zijn.
De enige keer dat ze schoten toen ik erbij was, was het een wild zwijn. Het schot knalde in de stilte, maar je kon het zwijn nog horen rennen, alleen nu niet zoals eerst, maar onhandig, met rondom takken die afb raken, en uiteindelijk zwoegend en verward, alsof het wist dat het ging sterven en zich in paniek door het kreupelhout voortsleepte. We liepen ernaartoe, maar opeens scheen Johnny met zijn zaklamp omhoog. Ik zag hoe de naakte takken van de beuken zich als lange, donkere botten naar de nachthemel uitstrekten. Johnny pakte mijn hand beet, stopte zijn zaklamp tussen zijn benen en ging met zijn andere hand over het stekelhaar op zijn schedel heen en weer, en ik wilde vragen waarom hij dat deed, maar ik hield mijn mond. Hij stond op het punt iets in mijn oor te fluisteren, en ik denk dat het iets opmerkelijks was dat met onszelf te maken had, maar we werden onderbroken door een van de jagers die kwam vertellen dat hij het zwijn had gevonden.Hij scheen er met een zaklamp op. Het schot was perfect in de schouder geplaatst, het bloed pulseerde over het donkere borstelhaar naar buiten. Het was een grote zeug, en iedereen moest meehelpen om haar aan een stang naar de pick-up te dragen. De volgende dag zou het beest op het erf van Johnny’s maat worden geslacht. We reden er na het ontbijt naartoe en toen we aankwamen lag er overal bloed en borstelhaar, want er was eigenlijk niemand die iets van slachten wist. Iedereen hakte er maar een beetje op los en ze zeiden de hele tijd dat het snel moest. Ik ben daarna nooit meer meegegaan om te stropen.
Op een avond zei Johnny dat als hij er klaar voor was, ik er ook klaar voor was. Hij lachte naar me en ik realiseerde me dat dit de eerste keer was dat ik zijn tanden echt zag, en die waren groot en wit als suikerklontjes en zaten perfect in zijn mond geplakt, wat een raar contrast vormde met zijn gezicht, dat onregelmatig was en onder de acnelittekens zat. We deden het op de laadbak van zijn pick-up en het jack dat hij onder mijn billen had geschoven werd helemaal plakkerig van het bloed.
‘Normaal gesproken bloeden meisjes tegenwoordig de eerste keer niet,’ had de schoolverpleegkundige tegen ons gezegd toen we seksuele voorlichting kregen. ‘Omdat ze paardrijden en fietsen en springen en stuiteren, hebben ze normaal gesproken meestal geen maagdenvlies meer.’
Ik moet een enorm rustige jeugd hebben gehad, want mijn maagdenvlies zat er absoluut nog. Toen Johnny al dat bloed zag, vond hij dat helemaal niet walgelijk; hij kwam juist binnen een paar tellen klaar. Ik wist niet wat ik moest zeggen toen hij klaar was. Maar ik voelde op dat moment al dat Johnny iemand was voor wie je moest oppassen. Natuurlijk was hij net als de meeste jongens waar wij wonen gewelddadig, ongepolijst en geil, en dat zou hij zijn hele leven blijven. Maar er was ook iets anders met hem.
‘Ik wist niet dat je het nog nooit gedaan had,’ zei hij.
‘Jij dan?’ zei ik.
‘Nee hoor,’ zei hij. ‘Ik ook niet.’ Daarna keek hij naar zijn smerige jack en toen zei hij: ‘Nou ja. Een mens moet ergens beginnen.’
De volgende keer ging het al veel beter. Om over de derde, vierde en vijfde keer nog maar te zwijgen. Toen zei Johnny dat hij vond dat we allebei neukten als een pornoster.

[...]

 

© 2018 Lina Wolff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum