Leesfragment: De porseleinkast. Faxen aan Ger 2

30 mei 2018 , door Nicolien Mizee
|

Op 6 juni verschijnt De porseleinkast. Faxen aan Ger 2 van Nicolien Mizee. Wij publiceren voor.

Na het succesvolle De kennismaking, waarin Nicolien Mizee begint met haar faxen aan Ger Beukenkamp, verschijnt het vervolg: De porseleinkast (1997‒1998). Hierin maken we onder anderen kennis met het Orakel, dat in tegenstelling tot Ger wél met Nicolien in gesprek treedt en haar een zekere mate van geestelijke gezondheid helpt te bewaren.

Volgens een beproefd recept van vrijwel dagelijks wederwaardigheden doorfaxen rijgt Nicolien Mizee in De porseleinkast opnieuw haar dagen verrassend veelzijdig aaneen. Aan de hand van allerhande geschiedenissen van vrienden, vragen over het wezen van seks, en droevige misverstanden laat Mizee de lezer beter kijken naar zijn vriendschappen in heden en verleden. De manier waarop zij ze met goed gevolg bevraagt, levert een verslavend proza op.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit De Kennismaking.

 

Haarlem, donderdag 10 juli 1997

Ger!

Ben je er eigenlijk wel? En wat belangrijker is: heb je mijn laatste fax wel volledig doorgekregen? Zit/zat je in Kassel? Was het leuk?

Haarlem, zaterdag 12 juli 1997

Alles is verschrikkelijk. Het is veel te warm. En ik ben ongesteld. Daarnet liep er een heel eng beest met veel te veel pootjes door mijn kamer. Ik moet zo helemaal naar Amsterdam.
En jij bent denk ik inmiddels opgeheven. Ik hoor niets meer van je. En dat terwijl je anders altijd zulke gezellige, lange faxen stuurt!
Ger! Doe iets! Treed handelend op! Begin ermee te bestaan en zorg ook verder dat alles weer in orde komt!

Haarlem, maandag 14 juli 1997

Beste Ger,

Het sloeg toe nadat ik je die laatste (langere) fax gestuurd had. Want nu heb ik alles gezegd wat ik al een half leven lang eens hardop had willen zeggen en nu is die eeuwige monoloog in mijn hoofd stilgevallen.
In de rust die daarop volgde, overzag ik de toekomst, zoals iemand die uitstapt in Zandvoort omdat de treinrails daar ophouden, ineens uitkijkt over de zee.
Het punt is, ik denk dat ik nooit kinderen zal krijgen. De omstandigheden zijn er niet naar.
Ik praat er met niemand over, zelfs niet met Louise, want dan krijg ik van die opbeurende praatjes en ze snappen het toch niet. Het is als met die relaties, die banen, die levens om me heen: ik sta erbij en ik kijk ernaar en ik weet dat het niet voor mij is weggelegd. Ik weet niet waarom, maar zo is het nu eenmaal.
God behoedt ons over het algemeen voor een werkelijk besef van een gemis, zodat het na al die jaren nog altijd beter voorstelbaar is dat mijn broer elk moment aan mijn tafel zou kunnen aanschuiven dan dat ik hem nooit meer zal zien. Maar toch.
Het enige wat overblijft is de wetenschap dat alles comedy is.
Uiteindelijk zal de eerste sitcom over Auschwitz gemaakt worden. Alles is een kwestie van tijd.

Haarlem, 15 juli 1997

De bloedzuigers van de depressie komen maar met moeite door het schild van Seroxat heen – geen somberheid maar onverschilligheid. Ik heb vooral last van de fysieke verschijnselen: een grote vermoeidheid die als lood door de aderen vloeit.
Jouw woorden dringen echter door alles heen.
Laten we er ons maar bij neerleggen dat ik nooit meer van je zal genezen.

10 minuten later

Sorry, daar ben ik weer. Ik lig in bed moed te verzamelen voor een etentje straks, en ik denk na over je woorden. Inderdaad! Je hebt gelijk! Misschien heb ik mijn ommegangen en mijn gedachten daarover ook altijd wel als bijzonder gezien. Maar nu ik het allemaal opgeschreven heb is het bijzondere er ineens vanaf en slaat het verdriet om het gemis van al die andere dingen, die me eerst niet konden raken, alsnog toe.
Dat is de ellende: je breekt je eigen ivoren toren steen voor steen af en dan word je als beloning door de realiteit in elkaar geslagen.

Maar we verzinnen wel weer wat anders.

Haarlem, 16 juli 1997

Ger,

Toen ik vanochtend bij de pianozaak binnenliep om oom F.W. voor te stellen mij voor de avondmaaltijd uit te nodigen, zat daar ook Paul W. aan de koffietafel.
‘Kijken of ze het ziet!’, ‘Nee, niks zeggen!’, begonnen ze opgewonden te roepen.
‘Ze ziet het niet hoor, want ze kijkt nooit televisie,’ zei oom F.W.
‘En ergens anders ben ik niet waar te nemen,’ zei Paul.
Ik zag inderdaad niets, maar het bleek dat hij enig overbodig vel bij zijn ogen had laten weghalen.
‘O, dat vind ik juist wel charmant,’ zei ik.
‘Ik wil helemaal niet charmant zijn,’ beweerde Paul. Wat natuurlijk onzin is, anders ga je niet over tot dergelijke ingrepen. Later had ik hem trouwens mooi te pakken.
Het gesprek ging over Jiskefet, waar Paul fan van bleek te zijn.
‘Ik kan er nooit om lachen,’ zei ik, ‘volgens mij is het alleen leuk voor mensen die in de geparodieerde branche werkzaam zijn.’
Oom F.W. zat stilletjes mee te knikken, maar Paul zei dat dat niet waar was. ‘Ze hebben nou een serie, Skybox, en zoals Kees Prins een patserige tv-presentator nadoet... alleen dáárvoor kijk ik al!’
‘Dat bedoel ik nou!’ zei ik.
Hetgeen mij uitzicht bood op een zeldzaam verschijnsel: Paul W. met zijn mond vol tanden.

Alles gaat nog erg in de laagste versnelling en de computer blijft uit, maar niettemin ruim ik heel, heel langzaam mijn huis op.
Mijn gedachten gaan zo traag. Normaal schieten ze heen en weer als elektrische stroompjes, nu lijkt het meer op druipende honing.
Gisteren met Charlie een heel eind gelopen, Overveen in, even langs het graf van mijn broer, naast het kerkje.
Omdat zijn vrouw er niet was, bleef hij slapen (geheim).
Geen seks. Huid, Charlie, beetje warmte. Hoe zou dat nou toch komen? Zo verschillend zijn de lichamen van mannen en vrouwen niet, zou je denken: hoofd, armen, benen. Maar er is iets in mij dat ‘nee’ zegt als een man zich naar binnen wil schuiven, hoe aardig zo’n man verder ook is.
Even onmogelijk als vast werk, kaasfonduen, kamperen of niet faxen aan jou.

[...]

 

© 2018 Nicolien Mizee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum