Leesfragment: De reiziger

12 september 2018 , door Ulrich Alexander Boschwitz
|

Vandaag verschijnt van Ulrich Alexander Boschwitz De reiziger, met een nawoord van Peter Graf, in de vertaling van Izaak Hilhorst en Irene Dirkes. Wij brengen een fragment!

De reiziger is een aangrijpende roman over een joodse man, Otto Silbermann, die in 1938 weet te ontsnappen aan de pogroms van de nazi's. Met een koffer vol geld komt hij op straat te staan, maar hij kan geen kant op. Al zijn familieleden en vrienden zijn al gearresteerd of verdwenen. Silbermann probeert onzichtbaar te blijven, neemt trein na trein, in het midden van de noodtoestand. In eerste instantie gelooft hij nog dat hij naar het buitenland kan vluchten, maar zijn poging om de grens met België illegaal over te steken mislukt.
Hij vlucht van stad naar stad om aan zijn belagers te ontsnappen - van Berlijn naar Hamburg naar Nürnberg naar Aken - en verblijft wekenlang in treinen, op platforms, in stationsrestaurants. Hij ontmoet vluchtelingen en nazi's, goede en slechte mensen. Hij observeert de onverschilligheid van de menigte, de compassie van enkelen. En ook zijn eigen angst. 
Nooit eerder was iemand in staat zich zo direct in te leven in de sfeer van Duitsland vlak vóór de oorlog uitbrak. In de gesprekken die Silbermann voert en hoort, wordt de angstaanjagende werkelijkheid van het leven in die tijd op indrukwekkende wijze weerspiegeld. Zelfs wanneer Silbermann, gek geworden van angst, opgesloten wordt in een inrichting, blijft hij geloven in het goede van de mens.

 

Hij kocht een kaartje derde klas naar Aken.
Is het Lilienfeld die me dit influistert, vroeg hij zich verbaasd af toen hij zichzelf om een kaartje derde klas hoorde vragen. Maar hij geloofde wel dat zijn beslissing juist was, aangezien je in de tweede klas gladgeschoren moest zijn om geen aandacht te trekken.
Hij haalde zijn koffer op, informeerde wanneer de trein vertrok en ging naar de Wachtkamer Derde Klasse. Zonder iets te bestellen nam hij plaats aan een van de houten tafels. Een paar minuten staarde hij gedachteloos voor zich uit.
‘Tenminste…’ deed hij toen mompelend meneer Susig na. ‘Tenminste…’
Dat woord leek zijn stemming het best weer te geven. Hij zei het een keer of drie, vier zachtjes voor zich uit.
Nu ben ik klaar voor het avontuur, vond hij. Ik ga die grens over, dat moet toch kunnen…
Maar binnen in hem zat de onuitroeibare overtuiging dat er weer iets tussen kon komen, dat hij op geen enkele manier tegen de situatie was opgewassen en uiteindelijk het onderspit zou delven.
‘Welnee,’ bromde hij. ‘Anderen doen het ook. Anderen lukt het ook!’
Hij steunde met zijn ellebogen op tafel en begroef zijn hoofd tussen zijn handen. Ik kan niets, dacht hij zonder hoop, ik kan alleen nog maar piekeren.
Somber staarde hij naar het tafelblad.
Wat ziet het eruit, smerig en vol krassen, dacht hij, waarom knappen ze het niet op? Dat loont de moeite zeker niet voor de derde klas.
Hij keek naar de andere mensen in de wachtkamer. Aan de bar stonden een paar arbeiders bier te drinken, wat met nogal veel lawaai gepaard ging, zoals Silbermann misprijzend vaststelde.
Als ik ieder van hen honderd mark zou geven, overwoog hij, zou ik dan vrienden hebben? Misschien voor een paar dagen, honderd mark is zo op.
Hij stond op en sjokte meer dan dat hij liep naar het perron.
Reizen, dacht hij, steeds maar weer reizen, terwijl ik hondsmoe ben. Heen en weer en weer terug, ik ben het helemaal beu.
Hij ging op zijn koffer zitten en wachtte op de trein.
Wie of wat ben ik eigenlijk nog, vroeg hij zich af. Ben ik nog steeds Silbermann, de zakenman Silbermann? Zeker, maar hoe ben ik dan in deze situatie verzeild geraakt?
Hij haalde diep adem. ‘Ik leef met verlies,’ zei hij zachtjes. Toen maakte hij een onhandige beweging en de koffer begon te wankelen. Moeizaam hervond hij zijn evenwicht en stond op. Hij hoorde de trein naderen. Silbermann pakte zijn koffer.
Eigenlijk hoef ik alleen maar naar voren te springen, me gewoon voor de trein te laten vallen, dacht hij. Dan is alles voorbij en is niets meer belangrijk.
De trein kwam dichterbij.
Silbermann ging op de rand van het perron staan.
Laten vallen, dacht hij, gewoon laten vallen…
‘Achteruit,’ brulde een stem naast hem.
Hij schrok en deed drie stappen naar achteren. Toen stond de trein voor hem.
Ben ik volslagen krankzinnig geworden, dacht hij angstig, verrast door zijn eigen zwakheid. Wil ik me van het leven beroven? Ik, Otto Silbermann? Vanwege de nazi’s? Dat zou een goeie grap zijn! Ik heb zesendertigduizend mark bij me. Welk verstandig mens met zesendertigduizend mark op zak berooft zich van het leven? Uit angst voor moeilijkheden, uit angst voor de grens, vanwege een belachelijke grens die je binnen twee minuten gepasseerd bent, als je je tenminste vermant. Het is werkelijk godsonmogelijk, dat kun je gewoon niet doen! Hoe kun je zelfmoord plegen als je een tas vol leven bij je hebt?
Nee, ik zal geen tweede keer aan deze zwakheid toegeven! Binnen vierentwintig uur ben ik misschien gered, en zo niet, dan reis ik verder, kriskras door Duitsland, net zolang tot het me lukt. Zolang ik nog geld heb, al is het maar één biljet van duizend, zolang heb ik levenskracht en kan ik teren op de energie die ik heb verzameld. En in een rokerige derdeklascoupé in de trein van Dortmund naar Aken nam Silbermann zich heilig voor te blijven leven, wat er ook zou gebeuren, ondanks alles.
Hij bezwoer het zichzelf nogmaals en voelde zich daarna veel rustiger. Hij meende zelfs dat hij de dingen naar zijn hand kon zetten. Hij opende zijn koffer, haalde er na langdurig rommelen zijn scheergerei uit en ging naar het toilet om zich van zijn inmiddels flinke baard te ontdoen. Toen hij zijn plaats weer innam, viel de verandering die zich had voltrokken zijn medepassagiers meteen op.
‘Hebt u zich mooi gemaakt?’ vroeg de arbeider tegenover hem spottend, en uit zijn toon bleek dat hij geen hoge dunk had van zulke fratsen en zelf niet ijdel was.
‘Vermenselijkt,’ grapte Silbermann.
Er werd gelachen. Silbermann bekeek de andere reizigers, een jonge arbeider, een tamelijk dikke man die, vond Silbermann, heel erg zijn best deed er belangrijk uit te zien door gewichtig om zich heen te kijken, en een jong, onopvallend meisje van een jaar of tweeëntwintig dat met een handwerkje bezig was.
Uiteindelijk bleef Silbermanns blik op de jonge arbeider rusten. Wat een ingevallen gezicht en wat een hangende schouders, stelde Silbermann vast. Waarschijnlijk een mijnwerker. Die worden snel oud. Veel hebben ze niet aan hun leven. Integendeel, ze maken veel mee, maar dat dringt waarschijnlijk niet tot hen door. Ze voeren een permanente strijd voor werk, voor hoger loon, voor het naakte bestaan en merken niet dat de tijd verstrijkt. Die mensen hebben geen jeugd. Hun strijd begint al als ze veertien zijn en ze moeten alles op alles zetten om te overleven.
Dat geldt ook voor mij. Nu zie ik pas hoe dicht de dood me op de hielen zit. Je moet altijd sneller zijn dan de dood. Als je blijft staan ben je er geweest, dan stomp je af. Je moet rennen, rennen, rennen. Eigenlijk ren ik al mijn hele leven. Waarom valt me dat juist nu zo zwaar, terwijl het noodzakelijker is dan ooit? Meer levensgevaar zou een mens juist meer kracht moeten geven, maar in plaats daarvan raak je verlamd als de eerste reddingspogingen zijn mislukt.
Hij schudde zijn hoofd bij deze gedachten. Ik moet praten, besloot hij, niet denken en tobben.
‘Het weer is wat opgeknapt,’ merkte hij op terwijl hij zich tot zijn medepassagiers wendde.
Wat zit ik hier gezellig en behaaglijk, probeerde hij zichzelf wijs te maken. Het is bijna altijd gezellig met andere mensen om je heen, bijna altijd… In elk geval is de warmte van een groep rustgevend, zelfs die van een volstrekt willekeurige groep in een coupé.
‘Het zal wel weer gaan regenen,’ zei de arbeider tegenover hem chagrijnig. Met een knikje accepteerde hij de sigaret die Silbermann hem aanbood.
‘Integendeel, zou ik denken,’ zei de dikke man, die zich tot Silbermann richtte als tot een gelijke, ‘en volgens mij voel ik het weer beter aan dan menigeen. Volgens mij’ – dat ‘volgens mij’ klonk buitengewoon zelfbewust, vond Silbermann – ‘krijgen we morgen een echt mooie dag of ik zou me sterk moeten vergissen.’ Nee, als je hem hoorde praten, geloofde je niet dat hij zich kon vergissen.
Met een ‘dank u’ sloeg hij Silbermanns aanbod van een sigaret af. ‘Ik rook sigaren, dat is gezonder.’
‘Ja, hopelijk wordt het mooi weer,’ zei Silbermann toonloos.
‘U bent handelsreiziger?’ vroeg de dikke man geïnteresseerd.
‘Zakenman,’ antwoordde Silbermann verstrooid.
‘In mijn jonge jaren was ik handelsreiziger,’ deelde de dikke man mee. ‘Later heb ik de zaak van mijn zus overgenomen.’
‘Aha,’ reageerde Silbermann beleefd.
De dikke man sloeg een krant open en begon te lezen.
‘Veel werk?’ vroeg Silbermann aan de oude arbeider.
‘Gaat wel,’ kwam het weinig toeschietelijke antwoord. Ook hij haalde een krant tevoorschijn.
Ik wil praten, dacht Silbermann. Aan één stuk door praten. Hij leunde met zijn hoofd tegen zijn jas, die hij had opgehangen, en deed zijn ogen dicht. Hij luisterde naar het ratelen van de wielen.
Berlijn – Hamburg, dacht hij.
Hamburg – Berlijn
Berlijn – Dortmund
Dortmund – Aken
Aken – Dortmund
En zo gaat het misschien altijd door. Ik ben nu een reiziger, voor altijd een reiziger.
Ik ben eigenlijk al geëmigreerd.
Ik ben naar de spoorwegen geëmigreerd.
Ik ben niet meer in Duitsland.
Ik zit in treinen die door Duitsland rijden. Dat maakt een groot verschil. Hij luisterde weer naar het denderen van de wielen, de muziek van het reizen.
Ik ben veilig, dacht hij, ik ben in beweging.
Ja, en het is bijna gezellig.
Wielen ratelen, deuren gaan open en dicht, het zou bijna plezierig zijn als ik niet zoveel zou piekeren.
Toen glimlachte hij. Vroeger organiseerden de Rijksspoorwegen reizen met onbekende bestemming, herinnerde hij zich. Nu deed de Rijksregering dat. Er zijn tijden geweest dat veel mensen bijna te gronde gingen aan het trage levenstempo en zich daarom wanhopig in avontuurlijke affaires stortten en voor hun eigen vermaak gevaarlijk begonnen te wiebelen op de stoelen waar ze al te comfortabel op zaten. Hun emoties zochten ze op de beurs. Nu krijg je die overal cadeau. Als kind droomde ik van treinen. Wat was ik graag meegegaan, steeds verder weg.
Nu ga ik mee. Nu ga ik mee.
Treinen schieten langs elkaar heen. Ver weg klinkt getoeter en belgerinkel en in de naastgelegen coupé lachen onbekende stemmen. In de draaiende wielen klinkt steeds hetzelfde lied: de-ene-paal-is-alsde- andere, de-ene-paal-is-als-de-andere, op-de-vlucht, op-de-vlucht.
Ben ik op reis? Welnee! Ik zit steeds op dezelfde plaats, ik ben als iemand die naar de bioscoop vlucht waar de films aan hem voorbijflitsen, maar die zelf onbeweeglijk blijft zitten waar hij zit, terwijl zijn problemen hem bij de uitgang weer opwachten.
Toen we klein waren speelden we dat we met de trein gingen. We zetten drie stoelen achter elkaar, deden onze ogen dicht en stelden ons voor dat we in razend tempo door het land vlogen. Toen reisden we in ons hoofd. We waren overal en nergens en toch gewoon in onze kinderkamer. Nu wordt er niet meer gereisd, er wordt gereden.
Hij kromp ineen van schrik.
Ik zak weer weg in somberheid, dacht hij geïrriteerd, in loze fantasieën.
Ik moet me vastklampen aan de werkelijkheid, die is onwerkelijk genoeg.
‘Zijn we al bijna in Aken?’ vroeg hij.

[...]

 

© Vertaling uit het Duits: Izaak Hilhorst en Irene Dirkes, 2018
© Nederlandse uitgave: Lebowski Publishers, Amsterdam 2018

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum