Leesfragment: De verzuimcoördinator

26 mei 2018 , door Nicole Montagne
| |

Op 30 mei verschijnt De verzuimcoördinator van Nicole Montagne. Wij publiceren voor.

Dit is een boek over wat we niet kunnen zien.
Een man leidt een schaduwbestaan en verlaat zijn gezin. De achterblijvers krijgen geen nadere toelichting. Hoe vullen zij de lege plekken in? In de beeldende kunst geldt: ‘er staat niet wat er staat.’ Maar wat staat er dan wel? Praag voor de val van de Muur, maar wat wisten we nu eigenlijk van de mensen áchter de Muur?
Een boek over lege, oningevulde plekken. Zorgvuldig bijeengehouden door de verzuimcoördinator, een persoon die afwezigheid registreert.

N.B. Eerder publiceerden wij voor uit Een makelaar in Pruisen.

 

Geruisloos

Het was een wat druilerige dag. Grauw, af en toe regen. De lucht was wit noch grijs, maar iets ertussenin. Wanneer je niet zou weten welk jaargetijde het was, zou je het ook niet raden. Zo'n dag dus. Er reed een auto de straat in, ik signaleerde het terwijl ik doortypte. De auto stopte. Ik las over wat ik zo-even had geschreven.
Het portier van de auto ging open en dicht, aan het einde van de straat blafte een hond. Ik dacht aan een kleine vertelling over Albert Camus. Dat Camus in Algerije honden op zeer grote afstand kon horen blaffen en daardoor een idee van ruimte kreeg. Dit in tegenstelling tot de stad, een volgebouwd gebied, waar het geblaf van een hond drie straten verderop al niet meer tot ons doordringt. Ik nam een slok koffie, lauw inmiddels, en toen ging de bel. Kort. Afgemeten. Indringend. Ik keek op mijn horloge, het was nog geen tien uur. Gestommel beneden, er werd een stoel verschoven, daarna de voetstappen van O. door de kamer, door de gang. De voordeur werd opengedaan, er klonk een rustige stem, een mannenstem. O. liet hem binnen. Er kwamen wel vaker onaangekondigd mensen voor O. Ik zette mijn koffiekopje opzij en las een paar alinea's. O. liep met de binnenkomer zachtjes door de kamer, af en toe hoorde ik een gedempte uitroep. Ik nam aan dat beiden voor een van de boekenkasten stonden. O., die voor een uitgever werkte en zelf ook schreef, gaf mensen regelmatig boeken mee; 'Dit moet je lezen en kijk ook daar maar eens naar'. De binnenkomer kuchte, de twee liepen terug en even hoorde ik niets meer. Ik vroeg me af of ik de laatste zinnen die ik had geschreven zou laten staan of naar een volgend hoofdstuk moest verplaatsen. Beneden piepte de kamerdeur. De binnenkomer liep met O. door de gang en werd uitgelaten. Een kort 'dag' van O., een autodeur die open- en dichtging, een zacht zoeven in de straat en toen opnieuw stilte. Dezelfde druilerigheid, niet wit, niet grijs, maar iets ertussenin.
De gast bleek niemand in het bijzonder, dat wil zeggen, iemand van een incassobureau, een man die hier wel vaker kwam. De kwestie betrof een door O. tijdig en meermalen opgezegd krantenabonnement en een systeem dat dit maar niet accepteren wou. Een identieke zaak als die met zijn verzekering. Twee keer een geval van pech, vond O., veroorzaakt door een blind systeem. 'Kafka,' zei hij, en hij keek naar zijn boekenkast.

De dagen veranderden, langzaam maar zeker trok de grauwsluier weg, er vielen regens, soms was het zomaar strakblauw, dan weer stak de wind op en rook ik koffiebonen van de Douwe Egbertsfabriek, en op de mooiste ochtenden, dan mistte het, dan was het fris en rook het lekker en wenste ik dat dit de hele dag zo blijven kon. Maar ook de mist trok op, het ene seizoen veranderde in het andere, soms was het alsof de wereld door een kleurkoker ging en er volstrekt anders uitkwam dan dat zij er enkele weken eerder in was gegaan. Soms ook groeiden de kinderen heel snel, leek het alsof de tijd was kwijtgeraakt en moest ik tellen hoe oud ik was, de maanden en de jaren leken nu eens langzaam en dan weer razendsnel te gaan, grote en kleine problemen werden opgenomen in de draaikolk van de tijd, sommige verdwenen omdat de tijd ze als overtollig uit zijn baan sloeg, anderen werden door de tijdspanne verdund, en de meest hardnekkige bleven bestaan en daar wende je dan aan. Maar de aan O. geadresseerde incassobrieven bleven komen, het leek of de tijd daar geen vat op had en eeuwig aan het repeteren was. Heel af en toe stopte er nog zo'n auto in de straat en wanneer O. niet thuis was stuurde ik de bijbehorende man, die doorgaans geen vrolijk uiterlijk had, die daar op de drempel van het huis zowel nederig als opdringerig stond te wezen, soms stuurde ik zo'n man doodeenvoudig weg met de mededeling dat het betreffende bedrijf zijn zaken maar eens op orde moest zien te krijgen en geen onschuldige burgers lastigvallen. De man probeerde dan nog wat, wie bent u, bent u huisgenoot of partner van O., wat is uw betrekking tot hem? En ik gruwde van die man, wat moest hij van mij, hij wilde de woning in en dit iedere keer weer op grond van een langlopend en zeer vervelend misverstand.

De jaren verdwenen. En op een dag in het voorjaar verdween ook O.. Het was mooi weer, de bloesems sproten uit de bomen. Er hing een belofte in de lucht, er scheerde een zachte wind over het water, het regenwater was mild, was lauw en O. verdween. Hij was een weekend weg geweest met een rolkoffer vol boeken, opnieuw een weekend waarin hij volkomen onbereikbaar was. Thuis waren we ongerust. Die onrust veroorzaakte haarscheuren, de haarscheuren schiepen vragen. Een uur voor thuiskomst wierp ik voor het eerst een blik op zijn berichten. Er was vrijwel geen vrouw bij die ik kende. Nog voor de deur maakte hij rechtsomkeert. Nog voordat ik hem een vraag kon stellen, sloeg hij op de vlucht. Het geluid van de hobbelende koffer ging licht sputterend de hoek om.
Dat was de eerste barst, en een behoorlijke. Daarna volgde de rest en in een paar weken tijd lagen zestien jaren aan diggelen.

De man die zo zacht de straat in reed, verscheen opnieuw, of misschien was het een ander, ik weet het niet, ze begonnen nu allemaal op elkaar te lijken. Een onopvallend uiterlijk, een onopvallend pak, een bijna geruisloze auto en een onopvallende stem. Maar dit keer liet ik hem niet gaan. Ik sprak hem aan. De kwesties krant en verzekering vielen in tientallen andere kwesties uiteen, in zaken waar ik niet mee had te maken, gerechtelijke aangelegenheden die ik totaal niet kende. Ik ging zoeken, ik moest zoeken, en vond dagvaardingen achter kasten, onder planken, en legde ze met schrik op stapels. De postbode deed er nu dagelijks een schepje bovenop. Nooit eerder had ik zoveel documenten in zo'n korte tijd op de mat zien vallen. O. was op het juiste moment vertrokken. Aan eenieder die het horen wilde, bezwoer hij dat er helemaal niks loos was, maar hier in huis stortte zijn wereld in, of beter gezegd: hier in huis openbaarde zich zijn wereld, schoof er een werkelijkheid door de werkelijkheid heen die ik, die hij, die wij allemaal niet meer terug konden duwen.

En de deurwaarder, die stond daar maar. Ik zwaaide met een brief die ik kort na het vertrek van O. had gevonden. Ik verweet de man dat hij zonder mijn medeweten in mijn huis was geweest, zonder mijn toestemming naar mijn meubels had gekeken, en zonder dat ik het wist de boel in gedachten al aan de hoogste bieder had verkocht. 'Luistert u maar eens,' riep ik, en ik las hem voor: de met een zilveren lijst omrande spiegel, de stoffen zitbank, de houtkachel, twee kuipstoeltjes, het grote schilderij boven de eettafel, de tafel zelf, de televisie, geen boeken ('die zijn niks waard mevrouw,' interrumpeerde de deurwaarder mij), maar de stofzuiger en de staande schemerlamp weer wel. 'De stofzuiger,' snoof ik, 'de stofzuiger'. En ik ervoer een diep, diep medelijden met de man. Tegelijkertijd staarde ik me blind op dit door O. ondertekende executoriale schrijven dat - zonder mijn ingrijpen - aan het raam zou komen te hangen met de mededeling dat er in mijn huis binnenkort een open dag zou zijn, waarop de buurtbewoners naar hartenlust konden loven en bieden. En onder aan dit schrijven stond, in vette letters, alsof het leuk was, alsof het nota bene een uitstapje voor de hele wijk betrof: 'zegt het voort! zegt het voort!' 'Het is mijn inboedel,' zei ik tegen de zwijgende man, die daarvan meteen een aantekening maakte, 'het is mijn inboedel. Idioot!' Boos werd hij niet eens, hij knikte nadenkend, schreef alles op, behalve het woord idioot, en zei dat als dit inderdaad zo was, ik geen last meer van hem zou hebben maar dat O. dan wel zijn nieuwe adres moest doorgeven. Het leek mij een prima plan om de zacht zoevende auto van de deurwaarder een andere kant op te sturen, ware het niet dat ik geen idee had waar O. zich bevond, want ook zijn telefoon was afgesloten. De man keek me meewarig aan, wierp nog een laatste blik op mijn meubels die ik beschermde als een kloek haar kinderen, knoopte het bovenste knoopje van zijn regenjas dicht en verdween vervolgens uit mijn kamer, uit mijn huis.
Deurwaarders, dacht ik. Deurwaarders! Kennelijk hebben ze geen eigen leven en zijn ze voor altijd gedoemd om de schim van een ander te zijn. De auto van de man reed nu zacht en schaduwloos de straat uit, als uit een surrealistisch schilderij, en is nooit meer teruggekomen. Meteen hierna heroverde ik mijn ruimte. Ik nagelde klok, spiegel, tafel, bank en stoelen stevig aan de bodem en de muren vast en bond er voor de zekerheid een dik touw omheen.

Toch zie ik nog weleens iemand lopen, iemand die op hem lijkt en van wie er wel dertien in een dozijn gaan. Hij schuift door een drukke massa in de stad, banjert wat rond op het station, staat in zijn regenjas langs de kant van een voetbalveld zonder te juichen (juichen doet hij nooit) of posteert zich moederziel alleen op een hoek van de straat, terwijl hij wezenloos naar een vlekje in de hemel staart. Ik kijk hem niet aan, ik kijk hem nooit aan. En zo passeren we elkaar, ieder een andere kant op turend, maar ik weet dat hij me ziet en mijn bewegingen registreert. Ik onderken zijn aanwezigheid maar wil niets meer van hem weten. Ik doe niet eens een poging om door hem heen te lopen. Zoek maar een eigen leven jij, van wie ik de naam niet eens weet, wil weten, of vergeten ben. En vergeet ook mij en al mijn meubels maar. Zelfs in zijn gedachten weiger ik te wonen.

[...]

 

© 2018 Nicole Montagne

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum