Leesfragment: De vluchtelingen

04 maart 2018 , door Viet Thanh Nguyen
| |

Het derde boek van Viet Thanh Nguyen, de verhalenbundel De vluchtelingen, verschijnt op 8 maart in de vertaling van Paul Bruijn. Lees bij ons alvast een deel van het verhaal 'De vervanger'.

 In De vluchtelingen geeft Viet Thanh Nguyen een stem aan alle mensen die zich tussen twee werelden bevinden, tussen het geadopteerde vaderland en het geboorteland. Nguyen vertelt ons onder meer over een jonge Vietnamese vluchteling die een ernstige cultuurschok oploopt als hij met twee homoseksuele mannen in San Francisco gaat wonen, over een vrouw wier man aan dementie lijdt en haar begint te verwarren met een vroegere geliefde en over een meisje in Ho Chi Minh Stad van wie het oudere halfzusje terugkomt uit Amerika en schijnbaar alles heeft bereikt wat zij nooit zal doen.

De vluchtelingen is een prachtig geschreven boek over de ambities van degenen die het ene land verlaten voor het andere, en over het verlangen naar zelf¬ontplooiing en nieuwe relaties, dingen die zo bepalend zijn voor ons leven.

N.B. We publiceerden eerder een recensie van en een fragment uit De sympathisant - en we vroegen de vertaler zijn werk toe te lichten

 

De vervanger

Er waren Arthur Arellano veel onverwachte dingen overkomen, maar de transformatie van zijn bescheiden garage in een magazijn vol met stapels kartonnen dozen met namaakproducten, was lang niet het verrassendste. Op de dozen stonden namen als Chanel, Versace en Givenchy, ontwerpers van luxegoederen die ver buiten het bereik van Arthur en zijn vrouw Norma lagen. De aanwezigheid van die spullen zat Arthur niet lekker, dus een week nadat Louis Vu de Arellano’s deze onverwachte rijkdom had bezorgd, glipte Arthur zijn huurhuis uit, sloop over het grind van de oprit langs de Chevy Nova en deed de garagedeur open om na te denken over de goederen waar hij nu zo innig mee samenwoonde.
Zelfs onder de dekking van de avond weerstond Arthur de drang om een Prada-portefeuille of een paar manchetknopen van Yves Saint Laurent achterover te drukken, ook al eindigde Louis bijna ieder telefoongesprek met de woorden: ‘En neem zelf ook wat.’ Maar Arthur kon dat niet, want hij werd gekweld door een sluimerend schuldgevoel en door angst voor de politie, onrustgevoelens die door Louis werden gesust tijdens hun wekelijkse lunch bij Brodard’s, waar Arthur onder begeleiding van Louis een fijne smaak voor de Vietnamese cuisine ontwikkelde. Volgens Louis was Brodard’s het beste voorbeeld van die keuken in het Little Saigon van Orange County. Toen Arthur tijdens hun laatste bezoek de eerste gang at, een sappige salade van flinterdun gesneden, in citroen en gembergras gemarineerd rundvlees, een broertje van de ceviche waar hij zo gek op was, vroeg hij zich af hoe dat gerecht in Vietnam zou smaken. Meestal vertelde Louis uitgebreid dat de gerechten bij Brodard’s nog lekkerder waren dan die in het vaderland, maar toen de ober de tafel afruimde, stapte Louis over op een ander onderwerp: waarom zijn bedrijf meer goed dan kwaad deed.
‘Het is net als met mooie mensen en lelijke mensen’, zei Louis. ‘Mooie mensen zullen niet gauw toegeven dat ze lelijke mensen nodig hebben. Maar zonder de lelijkerds zouden de mooie mensen er lang niet zo goed uitzien. Heb ik gelijk of niet? Ja toch?’
Arthur keek naar de volgende gang die de ober stilletjes op hun tafel zette, zes geroosterde jonge duifjes op een bedje van Romeinse sla. ‘Ik denk het wel’, zei Arthur, die niet zo veel begreep van het kapitalisme. ‘Die zien er heerlijk uit.’
‘De moraal van het verhaal is dit’, zei Louis, die een vogeltje voor zichzelf uitkoos. ‘Hoe meer namaakspullen er zijn, hoe meer de mensen die de echte niet kunnen kopen, ze willen hebben. En hoe meer mensen namaakspullen kopen, hoe meer de echte waard worden. Iedereen heeft er baat bij.’
‘Zo zie jij het’, zei Arthur, die een duifje optilde bij zijn broze pootje. ‘Maar vind je niet dat je gewoon iets verkondigt wat je zelf graag wil horen?’
‘Natuurlijk zeg ik dingen die ik zelf graag wil horen!’ Louis schudde geërgerd zijn hoofd, met wijd opengesperde ogen achter zijn fors uitgevallen Dolce & Gabbana-bril. ‘We verkondigen allemaal wat we graag willen horen. Maar waar het nu om gaat, Arthur: Wil jíj horen wat ik verkondig?’
Arthur had inderdaad de vele retorische vragen willen horen die Louis de afgelopen maanden had gesteld. Neem nou bijvoorbeeld zijn zonnebril, had Louis gezegd, gemaakt in dezelfde fabriek als waar de echte D&G-monturen werden geproduceerd, maar na werktijd, met clandestiene arbeiders die namaakproducten afleveren die tweehonderd dollar minder kosten. Woog het recht van mensen met een beperkt inkomen op het bezit van wat Italiaanse chique niet ruimschoots op tegen de verliezen die Dolce & Gabbana eventueel leed? Of denk eens aan Mont Blanc, ging Louis verder. Arthur had nog nooit aan Mont Blanc gedacht en wist pas dat het een pennenfirma was toen Louis het hem had verteld. Had dat bedrijf meer te lijden dan de arbeiders in Wengang in China, vroeg Louis, als die arbeiders hun replica’s van die ontzettend dure originele producten niet konden maken? Hoewel Arthur geen idee had hoe Wengang eruitzag, kon hij zich een wazig beeld van de verre Chinezen voor de geest halen: donker haar, smalle ogen en behendig, een beetje zoals Louis zelf.
‘Ik hoor wat je verkondigt’, zei Arthur, en hij zag hoe Louis zijn duifje at terwijl hij het vogeltje tussen zijn duimen en wijsvingers vasthield, pinken omhoog en opzij. ‘Anders zouden je spullen niet in onze garage staan.’
‘Hopelijk heb je ook naar me geluisterd en niet alleen gehoord wat ik zei. Er valt geld te verdienen, Arthur. Veel geld’, zei Louis.
Ondanks alles wat Louis had gezegd over geldelijk gewin, hadden Arthur en Norma de tien procent commissie die Louis had aangeboden geweigerd. Dat ze hun garage beschikbaar stelden aan Louis, kwam voort uit het medelijden dat ze met hem hadden gekregen toen ze zijn benauwde tweekamerappartement
hadden gezien dat tevens dienstdeed als magazijn. Dat gebaar was een manier om Louis’ vader terug te betalen, die vorig jaar Arthurs leven had gered, zij het onbedoeld. Terwijl Louis rustig doorknabbelde aan het duifje, werd Arthur weer ontroerd door de herinnering aan Men Vu, een man die hij nooit had ontmoet.
‘Laat die dozen gewoon in onze garage staan’, zei Arthur. ‘Zoals ik al had gezegd, het is een cadeau van ons.’
Voor Louis kon reageren, zoemde Arthurs telefoon. Een sms’je van Norma: neem was mee van stomerij. Toen Louis naar voren gebogen het berichtje had gelezen, gaf hij Arthur een por tegen zijn schouder en zei: ‘Neem dan ook bloemen voor Norma mee.’ Arthur wilde nog vragen wat voor bloemen hij samen met haar kleren voor zijn vrouw mee moest nemen, maar door de komst van de bananes flambées, Arthurs lievelingsdessert, kwam dat er niet van. Ook al had hij de hele middag het zeurderige gevoel dat hij iets moest doen, hij kon zich niet herinneren wat het was. Het enige wat voor zijn geestesoog verscheen was de ober die een kannetje rum ter grootte van een vingerhoedje aanstak en de brandende drank over de bananen goot, een schouwspel dat hem altijd weer betoverde.

[...]

 

© Viet Thanh Nguyen
© 2018 Nederlandse vertaling Paul Bruijn en Uitgeverij Marmer bv

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum