Leesfragment: De vogels

29 juni 2018 , door Tarjei Vesaas
|

Op 2 juli verschijnt De vogels, de Nederlandse vertaling van Tarjei Vesaas' Noorse klassieker (vertaald door Marin Mars). Lees bij ons alvast het eerste hoofdstuk!

De veertigjarige Mattis is een wat eigenaardige man die moeite heeft zich te verhouden tot de volwassen wereld. Hij woont samen met zijn zus Hege in een klein huis in de verlaten Noorse bossen waar zij probeert de eindjes aan elkaar te knopen met het breien van truien. Ze moedigt Mattis regelmatig aan om ook werk te zoeken, maar veelal zonder resultaat. Als het Mattis op een dag lukt om veerman te worden op een boot aan het meer waaraan ze wonen, is de enige passagier die hij dagelijks vervoert een houthakker, Jørgen. Wanneer die verliefd wordt op Hege en bij Mattis en haar intrekt, lukt het Mattis maar moeilijk met al deze veranderingen om te gaan.

 

Mattis keek of de hemel die avond helder was en onbewolkt, en dat was zo. Toen zei hij tegen Hege, zijn zus, om haar op te vrolijken:
‘Je bent net een bliksem.’
Hij huiverde even bij het woord dat hij in zijn mond had genomen, maar het was veilig, omdat de hemel mooi was.
‘Met je breipennen, bedoel ik,’ voegde hij eraan toe.
Hege knikte achteloos en werkte verder aan het grote vest. De breipennen blonken. Ze werkte aan een grote roos met acht blaadjes die binnenkort tussen de schouders van een of andere kerel zou zitten.
‘Ja ik weet het,’ zei Hege kort.
‘Maar jou waardeer ik ook, Hege.’
Hij tikte langzaam met zijn middelvinger op zijn knie – zoals altijd als hij nadacht. Op en neer, op en neer. Hege was allang opgehouden hem te vragen of hij met die vervelende gewoonte kon stoppen.
Mattis ging door.
‘Je bent niet alleen een bliksem met die achtbladige rozen, maar met alles wat je doet.’
Ze wuifde het weg:
‘Ja ja ja.’
Mattis zweeg tevreden.
Het was verleidelijk voor hem om het woord bliksem in de mond te nemen. Er verschenen een soort merkwaardige dwars strepen in zijn hoofd als hij het woord bliksem gebruikte, en dat trok hem aan. Voor de bliksem in de lucht was hij doodsbang – en hij gebruikte het woord nooit in drukkend en zwaarbewolkt zomerweer. Vanavond was het hier veilig. Het had die lente al twee keer geonweerd, met hevige donderslagen ook. Mattis had zich toen het op zijn ergst was zoals gewoonlijk op de buitenplee verstopt – want iemand had hem ooit verteld dat de bliksem nog nooit in een dergelijk gebouwtje was ingeslagen. Of dat voor de hele wereld gold, wist Mattis niet, maar hier klopte het tot nu toe godzijdank.
‘Bliksem ja,’ mompelde hij, als het ware nog steeds tegen Hege, die zijn stoere praat van die avond beu was. Maar Mattis was nog niet klaar:
‘Ik bedoel: ook met denken,’ zei hij.
Toen keek ze snel op, alsof ze bang was, er was iets gevaarlijks beroerd.
‘Zo, nu is het wel weer mooi geweest,’ zei ze resoluut.
‘Wat is er?’ vroeg hij.
‘Niets. Blijf nu maar rustig zitten.’
Hege was erin geslaagd dat wat tevoorschijn wilde komen, de kop in te drukken. Het noodlot van die stumper van een broer vrat namelijk al zo lang aan haar, dat ze schrok en een steek voelde wanneer Mattis het woord denken gebruikte.
Mattis had wel iets gemerkt, maar bracht dat in verband met zijn eeuwige schuldgevoel omdat hij niet werkte, zoals andere mensen – en hij draaide zijn bekende riedeltje af:
‘Morgen moet je iets te doen voor me vinden. Dit gaat zo niet langer.’
‘Ja,’ zei ze lukraak.
‘Ik kan het niet langer aanzien. Ik heb al niets meer bijgedragen aan het huishouden sinds –’
‘Nee, het is een tijd geleden dat je iets hebt ingebracht,’ liet ze zich een beetje onnadenkend, een beetje scherp ontvallen. Ze had er meteen spijt van, op dit punt kon Mattis niets hebben, zolang hij het zelf niet zei.
‘Zulke dingen moet je niet tegen me zeggen,’ zei hij haar met een vreemde uitdrukking op zijn gezicht.
Ze werd rood en boog haar hoofd. Maar Mattis vervolgde:
‘Je moet gewoon tegen me praten.’
‘Ja, dat is waar.’
Hege zat daar met gebogen hoofd. Wat moest je met dit onmogelijke? Af en toe knapte er iets in haar – en dan werden haar woorden kwetsend.

[...]

© Tarjei Vesaas, 1957
© Vertaling uit het Noors: Marin Mars, 2018

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum