Leesfragment: Door het licht

12 augustus 2018 , door Erik Jan Harmens
|

Op 16 augustus verschijnt Door het licht van Erik Jan Harmens. Wij publiceren hier alvast het eerste hoofdstuk al voor!

In Door het licht spreekt een man tot zijn geliefde, zijn vrienden, zijn vader en zijn lezers, over hoe hij ooit leefde in het donker en nu moet wennen aan leven in het licht. In dat licht komen prikkels en gevoelens vol binnen. Alles lijkt weldadig, toch is er ook een blijvend verlangen naar verdoving. Liedjes brengen verlossing, maar tergen 'm ook. Door het licht is een verslag over het halveren van een dubbelleven. Een liefdevolle zoektocht naar verbinding, naar wat echt is en wat niet.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Duetten en Pauwl.

 

Ware grootte

Ik leefde in het donker. Nu in het licht. Vaak sluit ik mijn ogen, omdat alles zo helder is. Het donker ken ik. Ik wankel door de straten van de stad, zie mensen met geblurde gezichten, open mijn mond richting hemel en huil: Awoeeeeeeeeeeee!
In het licht wankel ik niet, ik sta. Zie ieders gelaat, inclusief littekens en oneffenheden. Nooit huil ik naar de maan, want die is uit zicht. Ik lig in bed met de gordijnen dicht.
Toen ik nog dronk, werd ik vaak wakker met een trilplaat in mijn hoofd en wilde ik de tijd terugdraaien, zodat ik al na mijn derde glas zou zijn gestopt in plaats van dat ik er nog drie (en nog eens drie en nog eens drie) mijn keelgat in zou hebben gegoten. Omdat het niet kan, de tijd terugdraaien, herpakte ik me en ging de spijt over in een voornemen: vandaag minder drinken. Door het voornemen voelde ik me beter over mezelf, vervuld van optimisme stond ik op. Zodra de kater was gaan liggen ging ik weer aan de boemel, het voornemen was dun als een pannenkoek geweest.
Ik knipperde met mijn ogen en vond mezelf terug in een café. Hoe was ik hier gekomen? De vloer bewoog, daarom hield ik me vast aan de muur, zong een mij onbekende jarige net zo lang toe tot ie iets voor me bestelde. Als dank liet ik een boer in zijn gezicht, die rook naar poep, alsof het deurtje tussen mijn strottenhoofd en darmstelsel was opengezet. ‘Gatverdamme,’ riep het feestvarken, een tel later was ie het voorval al vergeten.
Als ik, in dat donker, de haren van een meisje streelde dat met haar voorhoofd op het mijne bijkwam van eindeloos lang paardjerijden, woezelde ik het ene zoethoudertje na het andere in haar oortje. ‘Knijp eens in mijn arm,’ hijgde ze, ‘ik heb het gevoel dat ik droom.’ Mijn beloftes waren aanlokkelijk, maar op zich niet wáár, alleen dat wist zij op dat moment nog niet en zelf ging ik er ook in op. Fantasie en werkelijkheid werden uitwisselbaar. Op de vraag: ‘Wat is?’ was op dat moment het antwoord: ‘Onze liefde. Onze liefde is.’ De liefde was niet echt, maar het voelde als echt, hoewel er ook iets broeide.
Nu ik niet meer drink en in het licht leef, is het antwoord op de vraag: ‘Wat is?’ hetzelfde als toen ik nog zoethoudertjes in oortjes woezelde: ‘Wat is, is onze liefde.’ Alleen is het deze keer wáár. Er broeit niets meer. Alles is echt: wat is, is.

Toen ik aan dit boek begon, waren mijn uitgever en ik het erover eens dat het geen vervolg mocht zijn op mijn meest succesvolle boek tot nu toe, Hallo muur. Dit om te voorkomen dat mensen zouden denken dat ik uit commerciële overwegingen uit hetzelfde vaatje ga tappen. Als journalisten zouden vragen of dit Hallo muur 2 was, zou ik nee schudden en minzaam lachen, alsof ik boven de materie stond. Ik zou ook proberen niet te veel meer te schrijven over hoe ik ben gestopt met drinken, want daar ging Hallo muur al over en mensen worden daar op een gegeven moment wel een beetje moe van. ‘Schrijf je nou nog steeds over alcohol?’ zeggen ze dan, alsof je tegen een weduwe zegt: ‘Ben je nou nog steeds verdrietig dat je man zo en zo lang geleden in de houthakselaar is gevallen?’
Het zou pas interessant worden als ik een terugval zou hebben gehad en met hangende pootjes verslag zou doen van de acht kopstootjes Duvel-oude jenever die ik in een paar uur tijd had weten weg te tikken. Maar ik val niet terug. Niet drinken is voor mij soms heel lastig, maar uiteindelijk te doen, omdat ik nul snap. Als we nul afspreken, is het nul. Honderd snap ik ook. Alles tussen de nul en de honderd vind ik ingewikkeld.
Het wordt wazig als ik elke dag iets mag drinken. Elke dag een glaasje: hoe breed en hoe diep is dat glas dan, tot hoe ver vullen we het en met wát? Wat zou kunnen werken is: elke avond voor het slapen 35 milliliter cognac. Daar gebruiken we dan ook echt een schenkmaatje voor. Daarna tanden poetsen, naar bed, dromend van nog eens (en nog eens en nog eens) 35 milliliter.
Het zou kunnen werken, maar nul is makkelijker. Pakt iemand een schenkmaatje voor de cognac, dan zeg ik: ‘Nee, dank je, ik drink niet,’ en roer in mijn thee. In gedachten voel ik het dan wel mijn keel in glijden, die cognac, en terwijl het glijdt daal ik weer af in de kolenmijn. Maar dan spreek ik mezelf toe: dit is niet het donker waarin ik ooit leefde, maar een herinnering eraan. Die herinnering wordt als een tegendoelpunt herhaald en herhaald, waarmee ze steeds dieper in me binnendringt, maar daar wordt het verleden nog altijd geen heden van. Hoe aanwezig het ook voelt, het is niet.
We spraken af dat ik, in plaats van weer de hele tijd te emmeren over hoe ik gestopt ben met drinken, in dit boek zou schrijven over hoe het is om nuchter te leven. Zonder roes en zonder kater. Zonder verdoving, aangedikt verdriet, loze beloftes. Zonder lachkicks, onnavolgbare misverstanden, black-outs. Ik zou schrijven over hoe het is om te leven met wat is. Niet in het donker, maar in het licht.
Natuurlijk met het levensgrote risico op vage spirituele kakregels over hoe ik mezelf heb gevonden, het duister heb overwonnen, maar die regels heb ik allemaal verwijderd (hoop ik).
Mijn uitgever wilde als titel: Het boek van het licht, maar daar ben ik vóór gaan liggen. Ik stelde voor het boek helemáál geen titel te geven, maar dat heeft hij mij weer uit het hoofd gepraat. Een poosje was de titel één woord: Licht. Mensen zouden niet bij de kassa hoeven te vragen naar ‘dat ene boek, ik weet niet, iets met licht’. Ze konden gewoon zeggen: ‘Ik wil graag het boek Licht.’ Of nog beter: ‘Ik ben op zoek naar Licht.’ En dan, na een korte pauze: ‘Dat is een boek.’ Maar uiteindelijk vonden we één woord als titel toch te generiek en werd het: Door het licht. Omdat waar ik nu leef, in het licht, het tegenovergestelde is van waar ik eerder was, in het donker. Uiteindelijk wil ik niet leven in iets wat het tegenovergestelde is van iets anders. Bovendien is het licht vaak zo fel, dat ik mijn handen voor mijn ogen moet houden. Dan vlucht ik naar waar het minder fel is. De schemer daar herinnert me aan het donker van vroeger, maar het is maar net een gradatie donkerder dan het licht, het is niet het donker zelf.
Mocht de boekhandelaar vragen of dit een roman is, antwoord dan bevestigend, zoals je ook zult knikken als de groenteboer bij het afrekenen van je trosje bananen vraagt: ‘Is dit fruit?’ Benadruk dat Door het licht geen spiritueel boek is. Word je dat gevraagd, of het een spiritueel boek is, schud dan het hoofd zoals je zou doen wanneer iemand wil weten of je graag dingen in je kont stopt. Ik heb niets tegen spiritualiteit, wel tegen spirituele mensen. Sowieso wantrouw ik iedereen die met een lach op het gezicht op mij afstapt. Wegwezen of ik druk mijn voet op je strottenhoofd, straal ik dan uit.
Terwijl ik dit tik zit jij drie meter van me vandaan ook iets te tikken, misschien wel iets over mij. Ik zal over jou schrijven, maar je identiteit niet onthullen, hoewel een bezoekje aan mijn Instagram-account voldoende is om die te achterhalen. Moeten ze wel flink scrollen, ik heb maar één posting over ons laten staan. De rest is weg. Je bent geen content, je bent mijn liefste.
Toen ik stopte met drinken begon ik weer te voelen. Niet meteen, ik moest eerst een beetje opstarten. Ik was voelen, als gevolg van het gebrek eraan, ook gaan idealiseren, waardoor ik iets probeerde terug te krijgen wat ik nooit had bezeten.
Er is ook een technische kant van de zaak: ik voel op een andere manier, mijn hersenen werken anders dan die van anderen. Ik zit in een spectrum, net als mijn opa, al bestond zoiets in zijn tijd nog niet. Mijn zoon zit er ook in. Wat voor een spectrum het is en waar ik precies in dat spectrum zit, ik weet het niet. Ik heb het niet verder laten onderzoeken, wentel me in het luchtledige. Zeggen dat je in een spectrum zit is overigens net zoiets als zeggen: ‘Ik ben in Azië.’ Je weet wel íéts, maar eigenlijk nog niets.
Ik schreef na Hallo muur (mijn meest succesvolle boek tot nu toe) een roman over een man die gevoelig was voor prikkels. Hij had het. Wat het is zeg ik niet. Ik wil ook niet zeggen waarom niet. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, zijn mensen die het hebben niet koel. Ze zijn alleen niet warm op commando, hebben soms even tijd nodig om op temperatuur te komen. Die tijd krijgen ze niet en daar wringt de schoen.
Ik baseerde hoe mijn hoofdpersoon dacht op hoe ik dacht. Literaire critici vonden zijn gedachtegangen ongeloofwaardig, zelfs karikaturaal, daarmee vonden ze mij ongeloofwaardig en karikaturaal. Ik droomde dat die critici voor het wegrijden in hun binnenspiegel zouden kijken en mij zouden zien, plus m’n wurgstokjes. Ik dacht: dat mag ik niet denken, maar daarmee verdween de fantasie nog niet.
Of critici Door het licht ongeloofwaardig, zelfs karikaturaal vinden weet ik nu nog niet. Daarvoor moet het eerst naar de drukker. Mijn uitgever en ik wilden dat het boek op zichzelf zou staan (en sowieso géén vervolg zou zijn op Hallo muur, mijn meest succesvolle...), maar tijdens het hardlopen wist ik het ineens. Dat dingen niet los van elkaar staan. Dat niets van wat ik schrijf op zichzelf staat en dit boek ook niet, dat het onderdeel uitmaakt van een serie boeken. Die gaat de ware grootte-reeks heten, wist ik ook ineens tijdens het hardlopen. Ik moest nog vijf kilometer en had niets om het op te schrijven, dus prevelde ik in het ritme van mijn passen: ‘Wa-re groot-te, wa-re groot-te.’ Dat bleef ik doen tot ik thuis was.
Van de ware grootte-reeks, die zo heet omdat ik het heb bedacht, is Hallo muur de proloog. Dat was niet zo, het boek stond op zichzelf, maar omdat ik het opschrijf (en mijn redacteur er geen streep door heeft gezet) is het wáár. Door het licht is deel 1. Los van gedichtenbundels (die niemand leest) zal ik misschien geen andere boeken meer schrijven. De rest van mijn leven werk ik hieraan. Mocht ik net als jij maar 62 worden, dan kan ik er met een beetje geluk nog, weet ik veel, zes delen achteraan schrijven. Misschien zeven. Ik zie voor me hoe ik op mijn sterfbed de hele meuk in lederen cassette in handen krijg gedrukt, bij wijze van grafgift.
Over twee jaar verschijnt een nieuw boek, dat weer een vervolg is op dit. Het een na het ander, zoals op elke fase een nieuwe volgt. Proloog, deel i, deel ii, weer een deel erna. Zo zal het gaan, tenzij niemand geïnteresseerd is, mijn boeken nog niet eens een rimpeling in een vijver teweegbrengen. Wat ook kan, is dat ik het zelf zat word,zin krijg om een ridderroman te schrijven of een whodunit. In dat geval bestond de ware grootte-reeks uit een proloog en een deel i.
Ik zie mensen in een rij voor de kassa staan, ze vragen naar ‘dat nieuwe deel uit de ware grootte-reeks’. Ik zie het succes voor me, loop langs de rij wachtenden, ontbloot mijn tanden voor selfies, deel gevulde koeken uit. Ook zie ik het tegenovergestelde, de uitblijvende vraag, het smoren in de kiem, de doodgeboorte. Dan heb ik de titel van de serie (‘wa-re groot-te, wa-re groot-te’) voor niets onthouden tijdens het hardlopen, en daarna druipend van het zweet op een geeltje gekrabbeld. Moeiteloos zap ik weer naar de mogelijkheid van succes en weer naar die van falen. Succes, falen, succes, falen. Wat er van dit boek komt, hoe het zal vallen, weet ik nu nog niet. Wordt het groot? Blijft het klein? Hoe klein?

[...]

 

Copyright © 2018 Lebowski

MINDBOOKSATH : athenaeum