Leesfragment: Foon

10 september 2018 , door Marente de Moor
|

Morgen verschijnt de nieuwe roman van Marente de Moor: Foon! Wij publiceren voor.

Soms klinkt het als trompetgeschal. Soms als een voorwereldlijk beest. Het is iets tektonisch, zeggen Nadja en Lev ter geruststelling tegen elkaar. Iets meteorologisch, wellicht. Maar deze duistere klanken hingen niet altijd in de lucht boven hun huis in de Russische bossen. Ooit dreef het biologenechtpaar er een asiel voor verweesde berenwelpen, maar de vrijwilligers komen niet meer, en terwijl Lev zijn geheugen verliest, strijdt Nadja tegen haar herinneringen. Waar is iedereen gebleven? Wat gebeurde er in het jaar waaraan ze liever niet meer denkt?
Foon laat zien hoe eenzame mensen, ver van de ontwrichte samenleving die ze zijn ontvlucht, zich verhouden tot hun geliefden, tot de geschiedenis en tot de dierenwereld waarvan ze deel uitmaken. Als alle zekerheid wegvalt, is het de verbeelding die hen overeind houdt.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit haar verhalenbundel Gezellige verhalen, bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs en uit Roundhay TuinscèneOok publiceerden we een deel van haar verhaal 'De troostmachine' uit Revisor 10 voor. Én uit haar tweede, bekroonde roman De Nederlandse maagd.

 

1

Ik hoor niets, maar het begint al licht te worden. Voor mij tekent zich het behang af met de kegeltjes en driehoekjes, achter mij wacht de kamer. Met de half verduisterde ramen en de gebroken vensterbanken. Met het fluwelen stoeltje waarop mijn overgooier hangt alsof ik er nog in zit. Met de eettafel, vier poten in het tapijt, de kast met de porseleinen dieren en nog maar drie kristallen glazen. Met de drempel die me zo de kolere wenst, en de gang die me zal spiegelen als een zwarte sloot. In de gang staan twee deuren op een kier, de een leidt naar de keuken met de afwas, de ander naar de kamer met hem erin.
De voordeur is goed dicht. Toch glijdt tussen deur en drempel het ijs van de veranda naar binnen en duwt tegen die veranda de tuin, waarop nog zo’n dertig centimeter sneeuw ligt. Achter de tuin staat het hek naar het pad, daarop zullen mijn voetstappen de eerste zijn en de laatste, zoals de meeste dagen. Laten we daar niet te lang bij stilstaan, laten we doorlopen, links het huis van Serpjakov passeren, met de ramen die dof en grijs zijn geworden als de ogen van een staarlijder, en rechts de bushalte, ook al verlaten. Zo’n tien jaar, schat ik, misschien langer. In ieder geval was het in hetzelfde jaar dat de bussen wegbleven en onze enige buurman vertrok. In het jaar dat ik me liever niet herinner.
We noemden hem Serpjakov de Vriendelijke. In deze streek was zijn karakter al even uitzonderlijk als zijn complete gebit. We houden het erop dat hij het zich in ieder geval kon veroorloven breeduit te lachen. En hij dronk niet, zelfs niet toen zijn vrouw overleed. We weten niet waarom hij is weggegaan, hij had juist de daklijsten van zijn huis in de lak gezet. Misschien nam hij wel die laatste bus en kon hij gewoon niet meer terug, misschien is het niet meer dan dat.
Na de bushalte komt het veld, dat eens een akker was, met nog een stuk of twintig gebouwen, kleine en grote, waaronder een schooltje, de bakkerij en de artsenpost. En daarachter ligt het complex van de oude batterijenfabriek. Alles is leeg en verlaten, en vanbinnen met hetzelfde grijze gruis bestoven. Volgens mij komt het van de tijd die te snel verstrijkt. De dagen vliegen steeds sneller om, de tijd probeert af te remmen, daar komt stof bij vrij. Verder, naar het moeras. Dat heeft nog nooit iemand iets opgeleverd, niet in vredestijd tenminste. In dit land is moeras bedoeld voor muggen en vijanden, als je die uitroeit heb je er niets meer aan, ligt het maar zo’n beetje te stinken als een bezopen veteraan op de keukensofa. Achter het moeras komt de rivier, met wat aftakkingen. Kilometer na kilometer vervelende wildernis volgt elkaar op tot aan de provinciegrens, als we een flink stuk naar het zuidoosten trekken komen we bij de hoofdstad, die heeft nog wat duizendjarige steden achter de hand. Verder, verder, koepels, poorten, burchten, heel veel steppe, bossen met bomen die almaar hoger worden, dorpen met mensen die steeds minder zeggen, de klok rent vooruit, het wordt later of moet ik zeggen eerder, in ieder geval rukken er zeven tijdszones uit het oosten op tot aan mijn bed. Vóór mij dus deze kegeltjes en driehoekjes. Ik heb ze een week na de verhuizing op de wand geplakt. Wat dacht ik toen? Dat er snel een beter behang overheen zou komen. Niet dat ik er na een oogwenk van eenendertig jaar nog naar zou liggen staren.
Een minuut of vijf zal het nog stil blijven, alles slaapt nog. De trein trekt alleen ’s nachts door deze bossen, zoals de vossen en de dassen. Achter deze muur liggen dingen die me geruststellen. De keurig opgestapelde houtvoorraad, de beek met de snoeken, forellen en kreeftjes, het bos, dat we altijd het sprookjesbos noemden omdat er tot ver buiten het seizoen goede paddenstoelen groeien. Ze houden ons in leven, ook al beweren de autoriteiten dat we sinds 2012 niet meer bestaan. Ze hebben ons uit de registers geschrapt, achter de naam van ons dorp staat het inwonertal nul. Verder, wat hebben we daar verder nog... de grote weg. Asfalt en rails. Het zwarte meer, dat echt zo heet, en de mijnen, die de partizanen in het mos hebben rondgestrooid in de hoop dat er een Duitser zijn voet op zou zetten. Van daaruit is het nog een uurtje rijden en je bent bij Europa, de Letten. De anderen. Mijn positie tussen het een en het ander, met honderdvijftig kilometer voor de boeg en negenduizend in de rug, is niet erg evenwichtig te noemen.
Zonder me om te draaien strijk ik over het laken achter me. Nee, die tijden zijn voorbij. Lev ligt niet meer hier maar daar, in de studeerkamer met zijn droge handen op de deken en zijn vochtige benen eronder. Misschien slaapt hij nog, zoals al het andere in onze belachelijke bedoening. Dit is het moment van de dag waarop alleen de bodem zich roert, de damp uit de aarde, die alles bevochtigt, met alles wat daarin smelt en kruipt. De schepping voltrekt zich hier de laatste tijd elke ochtend. Elke dag scheurt God de vorige bladzijde uit zijn schriftje en begint hij opnieuw. Ik wou dat ik er iets van kon horen, maar voor geluiden moet je omhoogkijken. Dan hoor je, van boven naar beneden op volgorde van binnenkomst: gekwetter, gekras, gezoem, geritsel, gefladder, gehinnik, geblaf, geblaat, gesnuif, getok, en, heel laag op de poten, gegrom. Belangrijk is de raaf die nu over de vensterbank scharrelt. Je kunt hem niet over het hoofd zien. Hij is bijna zo groot als het kozijn en honderd jaar oud. Als hij wil praten zie je het aankomen, dan trekt hij zijn bek al open voordat de woorden opbollen in zijn strot. Het is bijna allemaal gescheld wat eruit komt; hij zegt ‘klootzak’ en ‘rot op’. Maar nu niet, hij kijkt me aan met zijn ene oog en maakt zich klaar om op de ruit te tikken. Men zegt dat vogels op ruiten tikken omdat ze hun weerspiegeling aanzien voor een concurrent, maar dat is weer zo’n theorie die klakkeloos in vele collegebanken is overgenomen, want wie hier woont weet dat dit land de beesten toebehoort en dat die beesten altijd iets van ons moeten. Van mij dus, de laatste inwoner met nog een behoorlijk stel hersens. De eerste keer dat ik de raaf hoorde dacht ik dat het een mensenknokkel was, zo zwaar en ritmisch sloeg zijn snavel tegen de ruit. Ik deed het gordijn opzij, hij gaf me te verstaan dat er eten moest komen en ik gehoorzaamde. Had ik niet moeten doen. Sindsdien wekt hij me iedere ochtend twee keer, met een tussenpoos van een halfuur, en aangezien dit de tweede keer is moet het dus wel zeven uur zijn.
‘Verdomme!’
Hoor, de mens heeft zijn eerste woord gesproken.
‘Nadja!’
Dat ben ik. De vrouw.

[...]

 

Copyright © 2018 Marente de Moor

MINDBOOKSATH : athenaeum