Leesfragment: Gebrek is een groot woord

27 januari 2018 , door Nina Polak

Op 31 januari verschijnt Gebrek is een groot woord, de tweede roman van Nina Polak. Lees bij ons alvast een fragment!

Nynke 'Skip' Nauta is al zeven jaar op zee als het verleden plotseling voor haar neus staat, zomaar, in de jachthaven van Cannes: het echtpaar Zeno en hun briljante puberzoon, Juda. De enthousiaste Zeno's hebben al eens eerder goed gezorgd voor Skip en ze nodigen haar uit om een zomer door te brengen in hun tuinhuis in Amsterdam. Schoorvoetend accepteert Skip de uitnodiging en reist terug naar Nederland. Ze treft een stad en een gezin aan waaraan de tijdgeest knaagt. In de overbevolkte, overbekende straten van Amsterdam valt bovendien niet te ontsnappen aan de sporen van twee verloren liefdes: een man en een moeder, die allebei tevergeefs hebben geprobeerd om Skip de tragedie in te trekken. De heldin heeft zich altijd met succes verzet tegen de rollen die haar werden opgedrongen, maar nu zal ze haar buitenstaanderschap opnieuw moeten overdenken. Kan een balling eigenlijk ooit nog thuis zijn?

Gebrek is een groot woord is een roman over de desoriëntatie tussen vrijheid en verbondenheid. Een boek over hechting, aan elkaar, maar ook aan onze eigen realiteit.

 

[...]

Ik ben net tien en heb besloten een spreekbeurt te houden over zeecontainers. Die mysterieuze kisten fascineren me sinds ik op het journaal zag hoe er een aantal van het schip losraakte tijdens een storm op zee en aanspoelde aan een Franse kust. Er was een strand te zien waarop honderden teddyberen rondslingerden, blikken ravioli, radio’s en luiers, een slagveld van spullen. Daarna beelden van een containerhaven, duizenden containers in alle kleuren van de regenboog: hele dorpen en steden van levensgrote Lego, met hijskranen zo hoog als flatgebouwen.
Dagenlang vraag ik Nellie naar de zeecontainers. Wat zit er allemaal nog meer in? Veel spullen die we hier hebben komen uit een zeecontainer, antwoordt ze. Je kleren. Je poppen. De televisie. De auto. Auto’s!? Ik weet niet wat ik hoor. En waar komen die zeecontainers dan vandaan? Van over de hele wereld, China, Japan, India. Australië ook? Vast wel. Zitten er ook mensen in een zeecontainer? Soms wel, ben ik bang. Ze moet lachen om mijn openvallende mond. Ik heb de zee, die ik maar een paar keer gezien heb, tot dan toe beschouwd als een gevaarlijke grijze massa, waarin dingen verdwijnen. Nu realiseer ik me, met de genoegzaamheid waarmee een kind iets vanzelfsprekends ontdekt, dat de zee ook geeft en dat ze bovendien alles met alles verbindt, overal met overal. En hoeveel containers passen er dan op zo’n boot? Wel meer dan duizend, denkt Nellie.
Wanneer meester Marcouch van groep zes vraagt wie van ons ‘luie klaplopers’ er al een onderwerp weet voor de spreekbeurten, schiet mijn hand de lucht in. Ik gloei van trots bij het uitspreken van het woord. Zeecontainers. Men kijkt elkaar aan, er wordt gegrinnikt, maar meester Marcouch, die een ruim hart en een goed gevoel voor humor heeft, knikt goedkeurend en noteert mijn keuze.
‘We kunnen eens gaan kijken,’ zegt Nellie op een bijzonder gelukkige lenteavond, nadat we op het balkon een door haar gemaakte macaroni met kaas hebben gegeten. Ik klamp me vast aan haar leren jas terwijl ze in een bezeten tempo richting havens fietst. Tegen het bord dat ons weg moet jagen zet ze de fiets neer, zonder slot. We betreden verboden gebied. Er is niemand. Ze pakt even mijn arm en wijst in de verte, waar de brug van een kolossaal schip voorbijglijdt, richting de kranen en de eindeloze rijen containers, zo veel en zo groot dat ik stil ben. Het asfalt, het water en de containers schitteren in het lage, laatste licht, onze twee schaduwen strekken zich lang voor ons uit over het lege terrein.
Met behulp van twee vergeelde bibliotheekboeken en een folder van het havenmuseum in IJmuiden produceer ik in een Alfred J. Kwak-schrift een wiebelige tekst, waarin de zeecontainer de hoofdrol vervult als een miskende held van onze tijd, een stille revolutionair. Je ziet ze in het dagelijks leven bijna nooit, maar ze zijn er áltijd. Zonder zeecontainers hadden we alleen spullen uit ons eigen land, zo luidt de wat grove conclusie. Mensen aan de andere kant van de wereld hadden dan misschien wel geen werk gehad en in Japan zouden ze geen Heineken- bier drinken. Leve de zeecontainer.
Als ik de tekst wil uitproberen op Nellie zijn de gordijnen dicht. Ik klop op de deur van haar slaapkamer, waar ze zich heeft teruggetrokken, maar ik krijg geen gehoor. Morgen, klinkt het uiteindelijk zacht, als ik zeur dat ik mijn spreekbeurt wil oefenen. Morgen, poppetje, morgen, goed?
Goed. Maar het wordt morgen en het wordt overmorgen en overovermorgen en de gordijnen blijven dicht. Ik oefen de spreekbeurt zittend op de keukentafel, in de spiegel die erboven hangt. ‘Een standaard zeecontainer is twintig voet lang, acht voet breed en achtenhalve voet hoog.’ ‘De eerste container in Nederland werd gelost in 1966, in de haven van Rotterdam.’ ‘Ongeveer zestig procent van alle goederen ter wereld wordt per zeecontainer getransporteerd.’
De ‘ruim voldoende’ die meester Marcouch me geeft, weet ik een paar dagen lang pijnlijk zeker, had een ‘goed’ of zelfs een ‘zeer goed’ kunnen zijn als ik maar de kans gekregen had om op een levend publiek te oefenen. Maar tegen de tijd dat het woensdag is, de gordijnen weer open zijn en er twee puddingbroodjes met extra poedersuiker op de keukentafel staan als bolle, blanke vredeoffers, ben ik het vergeten.

[...]

 

© 2018 Nina Polak

MINDBOOKSATH : athenaeum