Leesfragment: Herfst

17 februari 2018 , door Ali Smith

Op 21 februari verschijnt Herfst van Ali Smith (Autumn, vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer). Lees bij ons alvast een fragment!

De 101-jarige Daniel Gluck en de 32-jarige Elisabeth hebben een bijzondere vriendschap. Elisabeth leerde Daniel kennen toen ze acht was. Hij was haar buurman, en deze belezen, enthousiaste kunstverzamelaar nam haar mee in zijn wereld van kunst en literatuur. Als Elisabeth naast een slapende Daniel in het verzorgingshuis zit, dringt de betekenis van de gesprekken die ze als kind met hem had tot haar door. Van hem leerde ze wat het leven waardevol maakt, en hij voedde ook haar belangstelling voor kunst, met name voor de popartkunstenares Pauline Boty over wie ze haar afstudeerscriptie heeft geschreven. Daarnaast kijken we mee met de surreële ijldromen van Daniel, waarin tijd, ruimte, taal en natuur door elkaar heen spelen. De meest hilarische pagina's zijn gewijd aan Elisabeths benadering van alledaagse beslommeringen, waarin Ali Smith met grimmige ironie de kille politieke verhoudingen na de Brexit en de dolgedraaide bureaucratie aan de kaak stelt.

Herfst is met vaart en humor geschreven, maar stemt ook tot nadenken over onze moderne tijd. Het is een inspirerende ideeënroman over een innige vriendschap.

N.B. Op dinsdag 13 maart gaat Ali Smith in de Amstelkerk te Amsterdam (20.00 uur) in gesprek met Liddie Austin. Eva Meijer zal een laudatio uitspreken. Kom ook!

 

I

Het was de slechtste der tijden, het was de slechtste der tijden. Alweer. Dat heb je met dingen. Ze vallen uit elkaar, is altijd zo geweest, zal altijd zo blijven, ligt in hun aard. Dus spoelt een oude, oude man aan op een strand. Hij ziet eruit als een lekke bal met gescheurd stiksel, zo’n leren waar mensen honderd jaar geleden mee voetbalden. De zee is ruw geweest. Ze heeft het hemd van zijn rug getrokken; naakt als de dag dat ik werd geboren zijn de woorden in het hoofd dat hij op de nek beweegt, maar dat doet ook pijn. Dus probeer het hoofd niet te bewegen. Wat is dat in zijn mond, gruis? het is zand, het zit onder zijn tong, hij voelt het, hij hoort het knarsen als zijn tanden langs elkaar gaan, het zingt het zandlied: gemalen ben ik klein, maar ik kan alles zijn, ik glinster in de zonneschijn, voor wie op me valt ben ik zachter dan steen, de wind blaast me over het afval heen, doe een briefje in een fles, zorg dat hij in zee geraakt, de fles is van mij gemaakt, ik ben de moeilijkste korrel om te oogsten
te oogsten
de woorden voor het lied sijpelen weg. Hij is moe. Het zand in zijn mond en zijn ogen zijn de laatste korrels in de hals van de zandloper.
Daniel Gluck, je geluk is eindelijk op.
Hij wrikt een dichtgeplakt oog open. Maar –
Daniel gaat overeind zitten op het zand en de stenen – is dit het? echt? is dit? de dood?
Hij houdt zijn hand boven zijn ogen. Te schel.
Zonlicht. Toch vreselijk koud.
Hij zit op een zandige rotskust, de wind bijzonder guur, de zon is op, ja, maar geen warmte. Naakt ook. Geen wonder dat hij het koud heeft. Hij kijkt omlaag en ziet dat zijn lichaam nog het oude lichaam is, de versleten knieën.
Hij had gedacht dat de dood een mens zou distilleren, de rottende verrotting weg zou pellen totdat alles licht was als een wolk.
Kennelijk is het zelf dat je over hebt op het strand, aan het eind, het zelf dat je was toen je doodging.
Had ik dat geweten, denkt Daniel, dan had ik gezorgd dat ik op mijn twintigste, vijfentwintigste doodging.
De besten eerst.
Of misschien (denkt hij, met een hand voor zijn gezicht zodat het, mocht iemand hem kunnen zien, niemand zal storen dat hij wat in de voering van zijn neus zit eruit peutert, en er even naar kijkt om te zien wat het is – het is zand, prachtig van detail, het speciale scala aan kleuren zelfs van de verpulverde wereld, dan veegt hij het van zijn vingertoppen) is dít mijn gedistilleerde zelf. Zo ja, dan is de dood een trieste teleurstelling.
Bedankt dat ik mocht komen, dood. Maar het spijt me, ik moet terug, naar het leven.
Hij staat op. Het doet geen pijn, niet erg, om.
Nu dan.
Naar huis. Welke kant?
Hij draait een halve cirkel. Zee, kustlijn, zand, stenen. Hoog gras, duinen. Vlak land achter de duinen. Bomen voorbij het vlakke land, een streep bos, helemaal rondom weer terug tot aan de zee.
De zee is vreemd kalm.
Dan valt hem op hoe ongewoon goed zijn ogen vandaag zijn.
Ik bedoel, ik zie niet alleen dat bos, ik zie niet alleen die boom, ik zie niet alleen dat blad aan die boom. Ik zie het steeltje dat dat blad aan die boom verbindt.
Hij kan scherpstellen op de zware pluim aan het eind van elke grasstengel op die duinen, een beetje alsof hij inzoomt met een camera. En keek hij nu net naar zijn eigen hand en zag hij niet alleen zijn hand, haarscherp, en niet alleen een sleep zand aan de zijkant van zijn hand, maar verschillende afzonderlijke zandkorrels zo duidelijk afgetekend dat hij de randjes zag, en (hand gaat naar zijn voorhoofd) zónder bril?
Ach.
Hij veegt zand van zijn benen en armen en borst daarna van zijn handen. Hij volgt de vlucht van de korrels als het zand door de lucht van hem wegstuift. Hij laat zijn hand zakken, vult hem met zand. Kijk nou. Zoveel.
Refrein:
Hoeveel werelden hou je in een hand.
In een handvol zand.
(Herhaal.)
Hij opent zijn vingers. Het zand zweeft omlaag.
Nu hij overeind staat heeft hij honger. Kun je honger hebben én dood zijn? Tuurlijk kan dat, al die hongerige geesten die hart en verstand van mensen eten. Hij draait een volledige cirkel terug naar de zee. Hij is al meer dan vijftig jaar niet op een boot geweest, en dat was niet echt een boot, het was zo’n verschrikkelijke trendy bar, feesttent op de rivier. Hij gaat weer op het zand en de stenen zitten maar de botten doen pijn in zijn, hij wil geen onfatsoenlijke taal gebruiken, er is een meisje daar verderop aan de kust, doen pijn als, hij wil geen onfatsoenlijke…
Een meisje?
Ja, met een kring meisjes om haar heen, die allemaal een golvende oude Grieks uitziende dans uitvoeren. De meisjes zijn vrij dichtbij. Ze komen dichterbij.
Dit kan zo niet. De naaktheid.
Dan kijkt hijweer omlaag met zijn nieuwe ogen naar waar zijn oude lichaam net was en weet dat hij dood is, dood moet zijn, hij is beslist dood want zijn lichaam ziet er andersuit dande laatste keer dathij omlaagkeek, het ziet er beter uit, het ziet er voor een lichaam tamelijk goed uit.Het ziet er heel erg vertrouwd uit, heel erg als zijn eigen lichaam maar van toen het jong was.
Een meisje is vlakbij. Meisjes. Zoete zware paniek en schaamte stromen door hem heen.
Hij trekt een sprint naar de duinen met het hoge gras (hij kan rennen, echt rennen!), hij steekt zijn hoofd om een graspol heen om te controleren of niemand hem kan zien, of er niemand aankomt, en hup weg is hij (alweer! niet eens buiten adem) over het vlakke land naar dat bos.
Er zal beschutting zijn in het bos.
Er zal misschien ook iets zijn waarmee hij zichzelf kan beschutten. Maar wat een genot! Hij was vergeten hoe het voelt om te voelen. Alleen al de gedachte van je eigen ontblote zelf vlak bij de schoonheid van een ander te voelen.
Er is een kreupelbosje. Hij glipt het bosje in. Perfect, de grond in de schaduw, bekleed met bladeren, de gevallen bladeren onder zijn (mooie, jonge) voeten zijn droog en stevig, en aan de laagste takken van de bomen ook een overvloed van bladeren die nog heldergroen zijn, en kijk, het haar op zijn lichaam is weer donkerzwart over zijn hele armen, en van zijn borst naar het kruis waar het dik is, aha, niet alleen het haar, alles wordt dikker, kijk.
Dit is inderdaad de hemel.
Hij wil vooral geen aanstoot geven.
Hier kan hij een bed maken. Hier is hij ongenaakbaar. Ongenaaktbaar. (Woordspelingen, het muntgeld van de arme; die arme oude John Keats. Ach ja, arm, inderdaad, al kon je hem niet echt oud noemen. Herfstdichter, winter-Italië, een paar dagen voor zijn dood was hij aan het woordspelen alsof het niet op kon. Arme ziel. Het spel was uit.) Hij kan deze bladeren over zich heen gooien om hem ’s nachts warm te houden, als er zoiets als nacht bestaat wanneer je dood bent, en als dat meisje, die meisjes, nog dichterbij komen, gooit hij een lading over zijn hele zelf om geen schande te brengen.
Fatsoenlijk.
Hij was vergeten dat geen aanstoot willen geven iets fysieks heeft. Het gevoel van fatsoen dat hem nu overspoelt is zoet, verrassend, zoals je je voorstelt dat nectar drinken zou zijn.De snavel van de kolibrie in de bloemkroon. Zo rijk. Zo zoet. Wat rijmt er op nectar? Hij zal van bladeren een groen pak voor zichzelf maken en… zodra hij het denkt verschijnen er een naald en een soort goudkleurig rijgdraad op een klosje in zijn hand, kijk. Hij is echt dood. Hij moet dood zijn. Het is misschien best prettig, uiteindelijk, dood zijn. Uitermate ondergewaardeerd in demoderne westerse wereld. Iemand zou het ze moeten vertellen. Iemand zou het ze moeten laten weten. Iemand zou gestuurd moeten worden, terugkrabbelen naar waar het ook is. Nekt ’r. Wekt ’r. Checkt ’r. Correcter. Directer. Perfecter. Opgewekter. Managing director.
Hij plukt een groen blaadje van de tak bij zijn hoofd. Hij plukt er nog een. Hij legt de randen tegen elkaar. Hij naait het ene aan het andere met een keurige, wat is het, rijgsteek? festonneersteek? Kijk eens aan. Hij kan naaien. Niet iets wat hij kon toen hij nog leefde. De dood. Vol verrassingen. Hij pakt een hand bladeren. Hij gaat zitten, legt rand tegen rand en naait. Weet je nog de ansichtkaart uit een rekje midden in Parijs die hij kocht in de jaren tachtig, met dat kleine meisje in een van de parken? Het leek of ze gekleed was in dode bladeren, zwart-witfoto van niet lang na het eind van de oorlog, het kind van achteren gezien, gekleed in de bladeren stond ze in het park naar verspreide bladeren en bomen voor zich te kijken. Maar het was zowel een tragische als een meeslepende foto. Iets aan het kind plus de dode bladeren, verschrikkelijke tegenstrijdigheid, een beetje alsof ze lompen droeg. Maar aan de andere kant waren de lompen geen lompen. Het waren bladeren, dus het was ook een foto over magie en transformatie. Maar aan de andere andere kant, een foto die niet lang erna was gemaakt, in een tijd dat een kind dat gewoon met bladeren speelde er voor de terloopse blik op het eerste gezicht uit kon zien als een opgepakt en afgemaakt kind (de gedachte doet pijn)
of misschien ook een nucleair na-kind, de bladeren die aan haar hingen leken tot lompen geworden huid, aan één kant afhangend alsof huid niets anders ís dan bladeren.
Dus was hij ook meeslepend in de letterlijke betekenis van meeslepen, de foto, als een foto van je geestverschijning, die je meesleept en wegvoert naar de andere wereld. Eén knip van een cameraoog (de naam van de fotograaf wil hem niet te binnen schieten) en dat in bladeren gehulde kind werd al deze dingen: treurig, verschrikkelijk, prachtig, grappig, angstwekkend, donker, licht, charmant, sprookje, sage, waarheid. De alledaagse waarheid was dat hij die ansichtkaart had gekocht (Boubat! díe had hem gemaakt) toen hij de stad van de liefde bezocht met een vrouw van wie hij ook weer wilde dat ze van hem hield, maar dat deed ze niet, tuurlijk niet, een vrouw van in de veertig, een man van halverwege de zestig, ach, wees eerlijk, dichter bij de zeventig, en trouwens, hij hield ook niet van haar. Niet echt. Kwestie van ernstig verkeerde combi, niets met leeftijd te maken, want in het Centre Pompidou was hij zo getroffen door de woestheid op een schilderij van Dubuffet dat hij zijn schoenen had uitgetrokken en ervoor was geknield om zijn eerbied te tonen, en de vrouw, ze heette Sophie nogwat, had zich geschaamd en in de taxi naar het vliegveld gezegd dat hij te oud was om zijn schoenen uit te trekken in een museum, ook al was het modern.
Het enige wat hij zich van haar kan herinneren is eigenlijk dat hij haar een ansichtkaart heeft gestuurd die hij achteraf liever zelf had willen houden.
Hij had op de achterkant geschreven: liefs van een oud kind.
Hij is altijd op zoek naar die foto.
Hij heeft hem nooit meer gevonden.
Hij heeft altijd spijt gehad dat hij hem niet heeft gehouden.
Spijt als je dood bent? Een verleden als je dood bent? Ontkom je dan nooit aan de uitdragerij van het zelf?
Hij kijkt vanuit het kreupelbosje naar de rand van het land, de zee.
Nou ja, waar ik ook terecht ben gekomen, het heeft me deze reuzechique groene jas opgeleverd.
Hij slaat de jas om zich heen. Hij past goed, ruikt bladerig en fris. Hij zou een goede kleermaker zijn. Hij heeft iets gemaakt, hij heeft uit zichzelf iets gemaakt. Zijn moeder zou eindelijk blij zijn.

[...]

 

© 2016 Ali Smith
© 2018 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Karina van Santen en Martine Vosmaer

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum