Leesfragment: Het kasteel

20 januari 2018 , door Franz Kafka
| |

De laatste roman van Kafka is nu weer opnieuw vertaald door Willem van Toorn. Lees bij ons alvast een fragment van Het Kasteel.

Kafka’s laatste roman vertelt het verhaal van K, een jongeman die aankomt in een dorp aan de voet van een berg. Daarop staat een kasteel, in nevel en duisternis gehuld. K vertelt in een herberg dat hij de ‘door het kasteel ontboden’ landmeter is.
Zes dagen lang probeert hij in contact te komen met de macht van het kasteel, maar hij slaagt daar niet in. Die macht stuurt hem assistenten die hij niet kent en die hem meer last bezorgen dan gemak, maar houdt hem verder met vage formaliteiten op afstand. Elke keer dat K denkt greep te krijgen op de werkelijkheid verliest hij die weer door bizarre vernederingen en tegenslagen.
Zijn dagen in het ingesneeuwde dorp leveren overigens niet alleen sombere beelden op, maar ook wonderlijke erotische en komische scenes. De macht daarboven zal hij niet bereiken; zijn laatste poging eindigt midden in een zin.

N.B. We publiceerden eerder voor uit Amerika of de verdwenen jongen en interviewden Willem van Toorn in 2009 over het vertalen van Kafka

 

1. Aankomst

Het was laat in de avond toen K. aankwam. Het dorp lag diep onder de sneeuw. Van de berg met het kasteel was niets te zien, hij was omgeven door nevel en duisternis. Nog niet het zwakste lichtschijnsel duidde aan waar het grote kasteel stond. Lang stond K. op de houten brug die van de straatweg naar het dorp leidt omhoog te kijken in de schijnbare leegte.
Toen ging hij een slaapplaats zoeken; in de herberg waren ze nog wakker, de waard had weliswaar geen kamer te huur, maar hij wilde, buitengewoon verrast en verward door de late gast, K. wel in de gelagkamer op een strozak laten slapen, K. ging daarmee akkoord. Er zaten nog een paar boeren aan het bier maar hij wilde met niemand praten, haalde zelf de strozak van zolder en ging dicht bij de kachel liggen. Warm was het, de boeren waren stil, hij bestudeerde ze nog een beetje met zijn vermoeide ogen, toen viel hij in slaap.
Maar kort daarop werd hij alweer gewekt. Een jongeman, stads gekleed, met een gezicht als een toneelspeler, toegeknepen ogen, zware wenkbrauwen, stond met de waard naast hem. De boeren waren er ook nog, sommigen hadden hun stoel omgedraaid om beter te kunnen zien en horen. De jongeman verontschuldigde zich heel beleefd dat hij K. gewekt had, stelde zich voor als zoon van de slotvoogd en zei toen: ‘Dit dorp is eigendom van het kasteel, wie hier logeert of overnacht, logeert of overnacht in zekere zin in het kasteel. Niemand mag dat zonder vergunning van de graaf. Maar u heeft zo’n vergunning niet of heeft die in elk geval niet laten zien.’
K. had zich half opgericht, had zijn haar gladgestreken, keek de mensen van onderaf aan en zei: ‘In welk dorp ben ik beland? Is hier dan een kasteel?’
‘Zeker,’ zei de jongeman langzaam, terwijl hier en daar iemand zijn hoofd schudde om K., ‘het kasteel van graaf Westwest.’
‘En je moet vergunning hebben om te overnachten?’ vroeg K., alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat hij de eerdere mededelingen misschien niet had gedroomd.
‘Die vergunning moet je hebben,’ was het antwoord, en dat hield een grove bespotting van K. in toen de jongeman met gestrekte arm aan de waard en de gasten vroeg: ‘Of moet je soms geen vergunning hebben?’
‘Dan zal ik die vergunning dus moeten gaan halen,’ zei K. geeuwend en hij schoof de deken van zich af alsof hij wilde opstaan.
‘En bij wie dan wel?’ vroeg de jongeman.
‘Bij de graaf,’ zei K., ‘er zal niets anders opzitten.’
‘Nu midden in de nacht een vergunning halen bij de graaf?’ riep de jongeman terwijl hij een stap achteruit deed.
‘Is dat niet mogelijk?’ vroeg K. bedaard. ‘Waarom heeft u mij dan gewekt?’
Maar nu raakte de jongeman buiten zichzelf. ‘Landlopersmanieren!’ riep hij, ‘ik eis respect voor het grafelijk gezag! Ik heb u gewekt om u mee te delen dat u onmiddellijk het grafelijk gebied moet verlaten.’
‘Genoeg met de grappenmakerij,’ zei K. opvallend zacht, ging liggen en trok de deken over zich heen. ‘U gaat een beetje te ver, jongeman, en ik zal morgen nog op uw gedrag terugkomen. De waard en de heren daar zijn getuige, voor zover ik getuigen nodig heb trouwens. Maar laat het u verder gezegd zijn dat ik de landmeter ben die de graaf heeft laten komen. Mijn assistenten met de apparaten komen morgen na met de wagen. Ik wilde mij de voettocht door de sneeuw niet laten ontgaan, maar ben helaas een paar maal verdwaald en daarom pas zo laat aangekomen. Dat het nu te laat was om mij bij het kasteel te melden, wist ik zonder uw preek zelf ook al wel. Daarom heb ik ook genoegen genomen met deze slaapplaats, waar u – zachtjes gezegd – de onbeleefdheid had mij te komen storen. Daarmee komt er een einde aan mijn verklaringen. Goedenacht heren.’ En K. draaide zich om naar de kachel.
‘Landmeter?’ hoorde hij achter zijn rug nog aarzelend vragen, toen was iedereen stil. Maar de jongeman hernam zich al snel en zei tegen de waard, op een toon die gedempt genoeg was om door te gaan voor consideratie met K.’s slaap en luid genoeg om voor hem verstaanbaar te zijn: ‘Ik zal bellen om het na te vragen.’ Wat, was er ook een telefoon in deze dorpsherberg? Ze waren van alle gemakken voorzien. Als detail verraste het K., al had hij het over het geheel genomen wel verwacht. De telefoon bleek bijkans boven zijn hoofd te hangen, in zijn slaperigheid had hij hem niet opgemerkt. Als de jongeman nu moest telefoneren, kon hij met de beste wil van de wereld K. niet ongestoord laten slapen, het ging er alleen om of K. hem wilde laten telefoneren, hij besloot het toe te laten. Maar dan had het natuurlijk ook geen zin te doen alsof hij sliep en daarom ging hij weer op zijn rug liggen. Hij zag dat de boeren schichtig naar elkaar toe schoven om het erover te hebben, de aankomst van een landmeter was geen kleinigheid. De deur van de keuken was opengegaan, de hele deuropening vullend stond daar de indrukwekkende gestalte van de waardin, op zijn tenen liep de waard naar haar toe om haar op de hoogte te brengen. En nu begon het telefoongesprek. De slotvoogd sliep, maar een onderslotvoogd, een van de onderslotvoogden, een zekere meneer Fritz, was aanwezig. De jongeman, die zich als Schwarzer voorstelde, vertelde hoe hij K. had aangetroffen, een man van in de dertig, echt haveloos, rustig slapend op een strozak met een klein rugzakje als hoofdkussen, een knoestige wandelstok binnen handbereik. Die was hem natuurlijk verdacht voorgekomen en omdat de waard kennelijk zijn plicht had verzuimd was het zijn, Schwarzers, plicht geweest de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Op het wekken, het verhoor, de voorgeschreven bedreiging met verwijdering uit het graafschap had K. heel kribbig gereageerd, overigens zoals ten slotte was gebleken misschien met recht, want hij beweerde een door de graaf ontboden landmeter te zijn. Natuurlijk was het in elk geval formeel zijn plicht deze bewering te controleren en Schwarzer verzocht daarom meneer Fritz op de hoofdsecretarie te informeren of er werkelijk zo’n soort landmeter werd verwacht en meteen met het antwoord terug te bellen.
Toen was het stil, Fritz was daarboven aan het navragen en hier werd op het antwoord gewacht. K. bleef liggen zoals hij lag, draaide zich niet eens om, leek helemaal niet nieuwsgierig, keek voor zich uit. Het verhaal van Schwarzer met zijn mengsel van kwaadaardigheid en voorzichtigheid gaf hem een beeld van de in zekere zin diplomatieke vorming waarover in het kasteel zelfs zulke onbeduidende lieden als Schwarzer zonder moeite beschikten. En ook aan vlijt ontbrak het ze daar niet, de hoofdsecretarie had nachtdienst. En gaf klaarblijkelijk heel snel antwoord, want daar belde Fritz al. Deze mededeling leek trouwens heel kort, want Schwarzer gooide onmiddellijk woedend de hoorn neer. ‘Ik heb het toch gezegd,’ schreeuwde hij, ‘niks landmeter, een doortrapte leugenaar van een landloper, maar waarschijnlijk nog erger.’
Een ogenblik dacht K. dat iedereen, Schwarzer, boeren, waard en waardin, zich op hem zou storten, om ten minste aan de eerste stormloop te ontkomen kroop hij diep weg onder de deken, maar toen – hij stak langzaam zijn hoofd er weer onderuit – rinkelde de telefoon opnieuw en naar het K. voorkwam buitengewoon luid. Hoewel het onwaarschijnlijk was dat het weer om K. ging stonden ze allemaal stil en Schwarzer ging terug naar het toestel. Hij hoorde daar een lange verklaring aan en zei toen zacht: ‘Een vergissing dus? Dat vind ik heel onplezierig. Heeft de chef van de secretarie zelf gebeld? Vreemd, vreemd. Maar hoe moet ik dat nu aan meneer de landmeter uitleggen?’
K. spitste zijn oren. Het kasteel had hem dus tot landmeter benoemd. Dat was enerzijds ongunstig voor hem, want het maakte duidelijk dat ze in het kasteel al het nodige over hem wisten, de krachtsverhoudingen hadden afgewogen en glimlachend de strijd aangingen. Anderzijds was het ook gunstig, want het bewees volgens hem dat ze hem onderschatten en dat hij meer vrijheid zou hebben dan hij van tevoren had mogen hopen. En als ze dachten hem door deze beslist van een superieure intelligentie getuigende erkenning van zijn landmeterschap blijvend in angst te kunnen laten leven, dan vergisten ze zich, er liep een lichte rilling over zijn rug, maar daar bleef het bij.
De schuchter dichterbij komende Schwarzer wuifde K. weg; naar de kamer van de waard verhuizen, waartoe ze hem probeerden over te halen, weigerde hij, hij accepteerde alleen van de waard een slaapmutsje, van de waardin een waskom met zeep en een handdoek, en hij hoefde niet eens te vragen of ze de gelagkamer wilden ontruimen, want ze dromden allemaal met afgewend gezicht naar buiten om morgen niet mogelijkerwijs door hem herkend te worden, de lamp werd uitgedaan en hij had eindelijk rust. Hij sliep vast, hoogstens een of twee keer eventjes gestoord door langs hem heen glippende ratten, tot de ochtend. 

[...]

 

© 2018 Willem van Toorn

MINDBOOKSATH : athenaeum