Leesfragment: Het ontbijtbuffet

10 juni 2018 , door H.M. van den Brink
|

13 juni verschijnt Het ontbijtbuffet, de nieuwe verhalenbundel van H.M. van den Brink. Wij brengen een fragment uit een van de verhalen!

De figuren in Het ontbijtbuffet willen door het maken van een verre reis of een verblijf in een rustig vakantiehuis aan hun dagelijkse zorgen ontsnappen. Maar weg van dat alles worden ze meer dan ooit met zichzelf geconfronteerd. In deze dertien tragikomische verhalen laat H.M. van den Brink een nieuwe kant van zijn schrijverschap zien: een oog voor exotische omstandigheden en verrassende ontknopingen. Ongenadig is hij in de beschrijving van hun vergissingen, maar tegelijk vol mededogen voor zijn personages en het noodlot dat ze doorgaans zelf over zich hebben afgeroepen. Ze blijken opgesloten in een luxe resort terwijl buiten een bosbrand woedt, zijn overtuigd echte liefde te hebben gevonden in Thailand, worden overgeleverd aan de twintig gangen in het beste restaurant van de wereld, proberen in te burgeren tijdens een verregend dorpsfeest in Frankrijk – niets, kortom, blijft de naar rust, authenticiteit en vrijheid hunkerende toerist bespaard.

 

Circe

Ze tikt tegen het raam.
Van waar hij staat kan hij het niet horen, maar hij ziet het fonkelen van de beringde hand, vermoedt de roze vingers met de nagels, de roze vingers met de spitse nagels, de roze vingers met de spitse nagels met de zuurstokroze nagellak.
Ze tikt tegen het raam en wenkt. Pols, armband, blote arm, krap truitje dat door de beweging nog wat verder opengaat. Wenkt ze naar hem? Ze tikt nog een keer.
Uit de schaduwen maakt zich een man los, een man die ondanks de warmte van de avond gekleed gaat in een leren jack en nonchalant, met een iets te nadrukkelijke slentering in zijn tred, op zijn doel af gaat, de lichtkring binnenloopt, in de richting van het grote raam. Ze wenkt dus niet naar hem. Hij stelt het opgelucht maar ook een beetje spijtig vast. Hij is niet iemand die zich makkelijk in de armen stort van het onbekende. Hij is gewoon zo iemand die teleurgesteld is wanneer het onbekende hem niet wenkt.
De man in het leren jack is nu bij het raam aangekomen en maakt een gebaar dat ‘wat moet je’ of ‘hoezo dan’ kan betekenen. Een verkennend gebaar, nee, een taxerend gebaar, een gebaar dat niets uitsluit, dat alle mogelijkheden openlaat en tegelijkertijd duidelijk maakt dat de veroorzaker van die schokschouderende vraag ook alle mogelijkheden kent, dat hij weet wat er te koop is in de wereld en hoe het toegaat aan beide kanten van het grote raam. Misschien is het dát gebaar wel waar hij jaloers op is. Niet het wenken van de vrouw, maar het zelfverzekerde antwoord van de man.
Opeens voelt hij nu de duizend snelwegkilometers natrillen in zijn armen en zijn benen en dan is het, bijna een uur nadat hij de auto tot stilstand heeft gebracht, of eindelijk ook het contact in zijn lichaam wordt uitgezet. Het suizen van de banden over de tolweg is nog even het suizen van het bloed in zijn oren – en dan houdt ook dat op en daalt er een loodzware vermoeidheid over hem neer. Zo staat hij in de schaduw van de platanen en ziet hoe de vrouw lacht en met een koket gebaar het haar uit haar gezicht wegstrijkt, hoe de man naar binnen gaat en hoe even later de gordijnen worden dichtgeschoven.
De lichten blijven aan. Morgen zal hij alle gebouwen op dit plein voor het eerst bij daglicht zien en over een week zal hun aanblik vertrouwd zijn geworden. Maar nu lijken ze vreemder en donkerder dan gebouwen gewoonlijk zijn. De gevels vormen een veel te zwaar aangezette rand van blauw en zwart die er met zijn diepe schaduwen alleen maar toe dient om het grote raam beter te doen uitkomen, het raam met zijn rij van roze lichten dat glanst als een bonbondoos en ondanks de gesloten gordijnen smacht om zijn inhoud prijs te geven, dat zich wulps naar buiten stulpt in deze warme zuidelijke nacht.
Hij wordt geroepen. Achter hem klinkt een stem die hij kent – en in zijn eigen taal. Ze heeft de weg gevraagd, ze zwaait met de kaart. Over tien minuten kunnen ze bij het huisje zijn.

De kinderen vinden het meteen geweldig. Gillend van slaapgebrek zijn ze bij aankomst door de kamers van het huis gerend. Ze hebben gelachen om de primitieve keuken en de kuilen in de matrassen als attractie ontdekt. Volwassen ogen zien meteen dat alle meubels afdankers zijn, de disparate erfenissen van overleden tantes, aangevuld met de goedkoopste aanbieding van een verzendwarenhuis of bouwmarkt. Een gebloemde sofa. Een slordig in elkaar gezette kast, ieder schroefgat een wond in het fineer met een korst van spaanplaatsplinters, aan de stang een regiment kleerhangers van allang niet meer bestaande stomerijen. In het kale lamplicht weigeren de aluminiumpannen stug om te glimmen en staan de overlevende resten van wel drie ontbijtserviezen naast een verzameling jampotglazen zeer ongelijksoortig te zijn. Alles wil op deze manier duidelijk maken dat de bezitter, de verhuurder van dit huis, ook nog een echte woning heeft, waar het er wel toe doet. Zelf hebben ze trouwens ook zo’n huis, waar ze al tien jaar echt in wonen, samen. En daarom zijn ze hier.
Ze slapen slecht, die eerste nacht. Het is te warm. Het was te ver. Zelfs wanneer de kinderen eindelijk stil zijn, durven ze elkaar niet aan te kijken. Hoe moet het de komende drie weken? De lakens zijn synthetisch en hij verbeeldt zich dat ze ruiken naar het gefermenteerde zweet van de mensen die vorig jaar hier zijn geweest, of nog vanochtend.
Zo vroeg als hij kan, gaat hij boodschappen doen. Het huis uit. De auto weer in. Hij weet precies wat zij intussen doet. Met de meubels schuiven. Vaasjes en raffia-matjes in een la van het dressoir opbergen. Wanneer hij thuiskomt met een tas van de Coop zal ze hem trots aankijken en verwachten dat hij zegt: ‘Wat is het hier veranderd, je hebt het helemaal van ons gemaakt.’
Hij wil uit. Zij wil thuis. Wanneer hij een uur later de tas op de keukentafel zet, houdt hij zijn mond over de veranderingen. Hij pakt de boodschappen uit, met een iets te heftige beweging van zijn armen en zijn schouders.
‘Ontspan nou es,’ zegt ze. Hij haalt de boeken uit de boekenkoffer en zet ze boven op de schouw.
‘Je gaat nu niet lezen,’ zegt ze.
‘Kijk naar buiten,’ zegt ze. ‘Ontspan.’
In de tuin gillen de kinderen. De tuin gaat over in een weiland. Achter het weiland zijn de bergen. Het huis staat in een ansichtkaart.
Het dorp is ’s ochtends niet meer dan een verzameling van wat huizen, vriendelijk en onopvallend. Van de donkerblauwe muur is niets meer over. Ook is het nog niet warm. Terwijl hij de boodschappen doet, vermijdt hij naar het huis te kijken waarin hij de vorige avond het grote raam gezien heeft met de vrouw die wenkte. Bang dat het er niet meer zou zijn, nee, bang dat het er wel zou zijn maar zijn betovering zou hebben verloren. Alle winkels van het dorp zal hij de komende dagen verkennen, alleen of, ’s middags, met de kinderen en met haar.
Pas na een week haalt hij diep adem en stapt, zo nonchalant als hij maar kan, bij de patisserie naar binnen.

Hij durft haar nauwelijks aan te kijken. Dus kijkt hij peinzend naar de vitrine met haar uitstalling van gebak; deeg dat verzadigd opbolt, vol suiker en honing; schuitjes die schuilgaan onder een lading stijve slagroom; de giftige glans van petit-fours, niet alleen roze, maar ook groen en geel en gepantserd met een laag keiharde suiker.
Hij durft haar nauwelijks aan te kijken maar hij weet dat ze naar hem lacht zoals ze naar al haar klanten lacht, zoet en verleidelijk, het truitje geopend, een kanten rand zichtbaar onder de kraag, haar lichaam lichtjes over de vitrine gebogen zodat het niet helpt wanneer je je op het gebak concentreert in plaats van haar aan te kijken omdat je blik zich dan, behalve op glazuur en slagroom, ook altijd op de uitstalling van haar borsten richt. Wie een taartje kiest, krijgt als beloning haar hand die onder het glas verdwijnt, haar vingers met de ringen en de lange nagels die zich om het gebak van je keuze krullen en de streling waarmee ze het op een wit schoteltje vlijt.

[...]

 

© 2018 H.M. van den Brink

MINDBOOKSATH : athenaeum