Leesfragment: In de wildernis

09 maart 2018 , door John Muir
| |

Vandaag begint de Boekenweek, motto ‘en toch is alles wat we doen natuur’. Tijd dus voor John Muirs In de wildernis. Tochten door Wisconsin, Nevada, Californië en Alaska, vertaald door Eefje Bosch. Wij brengen het voorwoord en een fragment uit 'De hoge bergen in'.

De Schotse John Muir verhuisde halverwege de negentiende eeuw met zijn ouders vanuit een Schots dorpje naar Wisconsin in de VS. Zij besloten daar een nieuwe boerderij en een nieuw leven op te bouwen. Het ravottende baasje van elf dat van vogels en dieren hield en van buiten zijn, werd in een nieuw land neergezet en ravotte daar gewoon door, maar zag nieuwe vogels en nieuwe dieren.

Muir werd de grootste natuurbeschermer van de VS, de man die zorgde voor de oprichting van Nationale Parken als Sequoia en Yosemite, en natuurlijk zijn eigen Muir Woods.

In deze verrassende keuze uit zijn geschriften leren we de natuur van Amerika kennen zoals die dankzij Muir op veel plekken is bewaard, verbijsterend veelzijdig en geweldig. Muirs verwondering over wat hij ziet, zijn behoefte het landschap te begrijpen en aan te raken, te tekenen, er te slapen en te verdwalen zijn met zoveel precisie beschreven dat de lezer zich nog steeds aan Muirs bossen en bergen kan laven. Muir gidst de lezer door landschappen die door zijn toedoen en bescherming nog steeds de eigenschappen bezitten die Muir zelf zo lyrisch maakten.

 

Vooraf

John Muir (1838–1914) was een Schots-Amerikaanse schrijver, natuuronderzoeker en natuurbeschermer. Zijn boeken, maar vooral zijn essays en artikelen over de natuur bereikten een miljoenpubliek en zorgden ervoor dat de houding tegenover de natuur en wildernis van veel Amerikanen ingrijpend veranderde. Mede dankzij zijn lobbywerk zijn onder andere Yosemite en Sequoia tot nationale parken benoemd.
Hoewel Muir schrijft over landschappen die niet te vergelijken zijn met de onze – ijsschotsen in Alaska, duizenden hectares vol eeuwenoude bossen en kilometerslange imposante gletsjers – is zijn manier van kijken universeel. Muirs verwondering over wat hij ziet, zijn behoefte het landschap te begrijpen en aan te raken, te tekenen, er te slapen en te verdwalen, zijn met zo veel precisie beschreven dat de lezer zich nog steeds aan Muirs bossen en bergen kan laven.
John Muir verhuisde als kind met zijn familie van Schotland naar Amerika. Hij groeide op in Wisconsin, op een boerderij, omringd door de natuur. Hele zomers brengt hij door met het verkennen van de omgeving en het bestuderen van de lokale flora en fauna, de bossen, weides, meren en rivieren. Al van jongs af aan is hij gegrepen door de wonderen van vogels in de bomen, maar ook door het karakter van de ossen waarmee hij werkt. Tegen de wil van zijn overreligieuze vader in gaat hij uiteindelijk dan ook colleges botanie en geologie volgen. Zijn vrije tijd wordt geheel in beslag genomen door het verzamelen, catalogiseren en classificeren van lokale planten, wat zijn fascinatie steeds meer doet toenemen. Hij begint uitgebreide botanische reizen te maken en verkent grote delen van Amerika. In zijn autobiografie The Story of my Boyhood and Youth, waaruit in dit boek het hoofdstuk over de boerderij in Wisconsin is opgenomen, laat Muir zien ook over een aantal andere interessante kwaliteiten te beschikken. Zo tekent hij niet onverdienstelijk en weet hij bij zijn poging toegang te verkrijgen tot de universiteit op te vallen door het tonen van zelfontworpen apparaten als ‘zelfregulerende zaagmachines’, complete klokken, thermo-, baro- en pyrometers, die hij niet alleen tekent maar ook zelf bouwt. En die bovendien werken.
Hoewel hij de ene baan na de andere heeft – zo waakt hij bijvoorbeeld enige tijd als herder over een kudde van 1800 schapen in de Sierra Nevada – blijft één ding altijd hetzelfde: zijn fascinatie voor de natuur. Vanwege zijn grote kennis van Yosemite leidt Muir mensen rond in de vallei. Hij ontmoet er de beroemde dichter en essayist Ralph Waldo Emerson en begint kort daarna zelf ook essays te schrijven en te publiceren over de natuur.
Na zijn ontmoeting met Robert Underwood Johnson, uitgever van het prestigieuze tijdschrift Century, worden vrijwel al zijn artikelen – die vaak ontstaan op basis van dagboekpassages – rechtstreeks gepubliceerd in Century. Samen met Johnson lobbyt Muir om van Yosemite Valley een nationaal park te maken en de regering aan te sporen om de verantwoordelijkheid voor de bosreservaten op zich te nemen. In het Congres en de Senaat lopen de gemoederen hoog op wanneer er in 1890 een wetsvoorstel wordt doorgevoerd om een immens nationaal park rondom de Sierra Nevada te creëren (helaas zonder Yosemite). Door Muirs actieve rol hierin krijgt zijn literaire carrière vleugels en wordt hij meer en meer gelezen. Hij begint ook meer te schrijven en nog actiever te lobbyen voor overheidsbescherming van de wildernis. Daarnaast is hij in deze periode een van de oprichters van de Sierra Club, een van de belangrijkste organisaties voor natuurbehoud in Amerika.
Als Muir in 1903 drie dagen lang Yosemite bezoekt met president Theodore Roosevelt, weet hij Roosevelt te overtuigen van het belang van dit stuk natuur. In 1906 wordt Yosemite na een lange strijd dan eindelijk officieel tot nationaal park verklaard.

Wie na lezing van Muirs prachtige verhalen en essays ervan overtuigd is zelf ook meer de natuur in te willen trekken, kan deelnemen aan een ‘Muir Trek’. Deze tochten over de Veluwe zijn geïnspireerd op de wandelingen van Muir en zijn een speciale manier om te natuur te ervaren, van zonsopgang tot zonsondergang zonder kaart, klok of kompas.

Blijf niet staan, vast als een plant
Dool stevig rond, ver van huis.

Muir Trektochten zijn geen typisch Nederlands fenomeen, maar worden wereldwijd gehouden, georganiseerd door het Institute for Earth Education.
Daarnaast wordt Muirs naam vandaag de dag ook levend gehouden door de vele bergen, gletsjers, stranden, meren etc. die er in Amerika naar hem vernoemd zijn. De bekendste hiervan is ongetwijfeld het Muir Woods National Monument in Californië. Deze bossen werden in 1908 door Theodore Roosevelt tot National Monument gemaakt, en vernoemd naar Muir (op aandringen van William Kent, die het land doneerde en naar wie Roosevelt het gebied eigenlijk wilde vernoemen).

Muir schreef twaalf boeken en meer dan driehonderd essays. De selectie in dit boek is gebaseerd op de wil een min of meer representatief beeld van Muirs schrijverschap te geven en de moderne lezer van dienst te zijn met een melange van goed geschreven, soms zelfs spannende natuurimpressies en prachtige waarnemingen over dieren (‘Stickeen’!) en de moderne reiziger te bedienen met plekken die nu nog goed te bereizen zijn. In deze verrassende keuze uit zijn geschriften leren we de Amerikaanse natuur kennen zoals die dankzij Muir bewaard is gebleven: verbijsterend veelzijdig en geweldig.

De uitgever

 

De hoge bergen in

8 juli. Vooruit, daar gaan we, naar de allerhoogste bergen. ‘Kom hoger,’ roepen vele stille, ijle stemmetjes, maar ook het middagonweer. Vaarwel, gezegend valleitje, gezegende bossen, tuinen, stroompjes, vogels, eekhoorns, hagedissen en talloze anderen. Vaarwel. Vaarwel.
De schaapjes liepen onder een bruine stofwolk door het bos. Ze waren nog geen honderd meter van de oude kraal weggedreven of ze hadden al in de gaten dat ze eindelijk naar nieuw grasland gingen en wild renden ze vooruit, zich verdringend door openingen in het struikgewas, springend, tuimelend als in een jubelende vloedgolf die uit een kapotte dam was ontsnapt. Aan weerszijden stond een man de leiders toe te roepen, die zich rammelend van de honger als zwijnen in het land der Gadarenen gedroegen; twee andere veedrijvers ontfermden zich over de achterblijvers door ze uit de kluwen struikgewas te helpen; de indiaan, bedaard en alert, keek zwijgend uit naar weglopers die gemakkelijk over het hoofd werden gezien; de twee honden renden alle kanten op, niet wetend wat te doen, terwijl de heer, al snel een eind achteropgeraakt, binnen het blikveld van zijn lastige eigendom probeerde te blijven.
Zodra de hongerige kudde de grens van het oude, kaalgevreten gebied was overgetrokken, werd ze plotseling kalm, als een bergbeekje in een weide. Vanaf dat moment mochten de schapen zich er zo traag ze maar wilden een weg doorheen eten, zolang ze maar in de richting van het hoogste punt van de waterscheiding tussen de Merced en Tuolumne bleven gaan. Algauw stonden de tweeduizend dikke buikjes bol van de lathyrusstengels en het gras, en werden de uitgemergelde, wanhopige dieren – eerst meer wolf dan schaap – zachtmoedig en gedwee, terwijl de bulderende veedrijvers veranderden in vriendelijke herders en vreedzaam rondwandelden.
Tegen zonsondergang kwamen we aan bij Hazel Green, een lieflijk oord op het hoogste punt van de waterscheiding tussen de bekkens van de Merced en Tuolumne, waar onder de schitterende zilversparren en dennenbomen een klein beekje langs kornoelje- en hazelnootstruiken kabbelde. Daar kampeerden we die nacht. Ons grote kampvuur, van een hoge stapel harsige houtblokken en takken, vlamt als een zonsopgang, en geeft grif het licht terug dat door de eeuwen heen ’s zomers langzaam uit de zonnestralen is gefilterd; en wat steken de omringende objecten in die gloed van dat oude zonlicht mooi af tegen het donker eromheen! Gras, ridderspoor, akeleien, lelies, hazelnootstruiken en de grote bomen vormen als bedachtzame toeschouwers een kring rond het vuur, waar ze vol menselijk enthousiasme in staren en naar luisteren. Het avondbriesje is koel, want we hebben de hele dag omhooggeklommen, de hoge luchtlagen in, het thuis van de door wolken omringde bergen die we al zo lang bewonderen. Wat is de lucht zoet en helder! Elke ademteug is een zaligheid. Hier komt de reuzenden qua grootte, schoonheid en aantal tot volle wasdom en bezet, bijna ten koste van andere soorten, alle heuveltjes, holtes en gapende ravijnen. Er zijn als gezelschap nog een paar gele pijnbomen te vinden, en op de koudste plekken zilversparren; maar hoe nobel die ook mogen zijn, de reuzenden is koning en spreidt zijn lange, beschermende armen erover uit terwijl zij als teken van waardering staan te wiegen en te wuiven.
Inmiddels zijn we op tweeduizend meter hoogte aanbeland. Vroeg op de middag kwamen we langs een vlak deel van de scheidsrand die met Californische berendruif (Arctostaphylos) is beplant, waarvan sommige exemplaren de grootste zijn die ik ooit heb gezien. Ik mat er een op: de stam had een doorsnede van ruim een meter en was maar vijfenveertig centimeter hoog vanaf de grond, waar hij zich wijd uitlopend vertakt en een brede ronde kop van zo’n drie tot vier meter hoog vormt, vol trosjes kleine roze belletjes met een roze hals. De bladeren zijn lichtgroen, eirond en staan door een draaiing in de bladstengels op hun kant. De takken lijken naakt, want de chocoladebruine schors is bijzonder glad en dun, en komt los in schilfers die omkrullen als ze droog zijn. Het hout is rood, dicht van structuur, hard en zwaar. Ik vraag me af hoe oud deze vreemde boomstruiken zijn, waarschijnlijk even oud als de grote dennen. Indianen, beren, vogels en dikke rupsen doen zich tegoed aan de bessen, die net kleine appeltjes lijken, vaak roze aan de ene kant en groen aan de andere. Er wordt beweerd dat de indianen daar een soort bier of cider van maken. Er zijn vele soorten van. Deze, de Arctostaphylos pungens, komt hier vrij veel voor. Omdat ze zo laag groeien en zo stevig geworteld zijn, hebben ze van de wind niets te vrezen. Zelfs door de branden die door het bos razen worden ze zelden volkomen verwoest, want ze herrijzen van de wortel, en sommige droge bergkammen waar ze groeien worden maar zelden door het vuur getroffen. Ik moet proberen er meer over te weten te komen.
Ik mis mijn rivierliedjes vannacht. Hier heeft Hazel Creek in zijn hoogst gelegen bronnen een stem als een vogeltje. De tonen van de wind in de grote bomen boven ons zijn op een vreemde manier indrukwekkend, te meer daar er zich beneden geen blaadje verroert. Maar het wordt al laat en ik moet naar bed. Het is doodstil in het kamp, iedereen slaapt. Het voelt als verspilling om deze kostbare uren slapend door te brengen. ‘Hij geeft Zijn beminde den slaap.’ Heb medelijden met die arme beminde die de slaap nodig heeft, zwak, vermoeid, uitgeput; ach, wat zonde om te slapen te midden van de eeuwige, prachtige beweging in plaats van voor altijd te turen, als de sterren.

[...]

 

© Copyright 2018 Vertaling Eefje Bosch, Amsterdam
© Copyright 2018 Samenstelling en voorwoord Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum