Leesfragment: Laat me niet vallen

14 januari 2018 , door Willy Vlautin
|

Dinsdag 16 januari verschijnt Laat me niet vallen, de Nederlandse vertaling van Willy Vlautins Don't Skip Out on Me. Lees bij ons alvast een fragment!

Een intense roman die zich afspeelt in het desolate Nevada en het gewelddadige Mexico.
Is het altijd goed om jeugddromen na te jagen?

Horace Hopper is een gevoelige jongen die op de Little Reese Ranch woont, kilometers van de bewoonde ­wereld. Als tiener werd hij in huis genomen door Mr en Mrs Reese, die nu in de zeventig zijn. De gezondheid van Mr Reese gaat steeds verder achteruit en zijn wens is dat Horace de ranch overneemt. Maar Horace verlangt ernaar professioneel bokser te worden en weet dat hij de ranch moet verlaten om zijn droom waar te maken.

We volgen Horace op een avontuurlijke reis door de ruige bergen van Nevada tot in de brute wereld van het Mexicaanse bokscircuit. Daar doet zijn naïviteit hem in moeilijkheden belanden – hij trekt louche figuren aan die gretig misbruik maken van zijn verlangens...

 

5

Drie dagen later reed Horace alleen Tonopah in. Hij haalde de post voor de ranch op, ging voor meneer Reese langs bij de handel in auto-onderdelen en de ijzerwarenhandel, en parkeerde vervolgens voor een geel huisje met bruine kozijnen. Een gedeukte groene Buick Regal en een caravan uit de jaren zestig vulden de carport en een afrastering omsloot de voortuin. Toen hij door het poortje liep, schoot een onverzorgde keeshond door een hondenluikje aan de zijkant van het huis en begon als een bezetene te blaffen. 'Ik ben het maar, Pom-Pom,' kondigde Horace aan. Toen ging de voordeur open en er verscheen een bejaarde dame. Ze had een marineblauwe Hawaiaanse jurk aan met oranje en rode tropische bloemen erop. Haar lange grijze haar was met een balpen opgestoken.
'Hou je bek, jij, Pom-Pom,' schreeuwde ze met een gruizige rokersstem. 'Horace, geef haar maar gewoon een schop als ze wat probeert te flikken.'
'Oké, mevrouw Poulet,' antwoordde hij, en hij liep naar het huis, terwijl de hond bleef blaffen en in kringetjes om zijn benen rende.
De oude vrouw leidde hem door een volgepropt halletje naar de huiskamer, waar ze in een leunstoel ging zitten. Op een houten tafel voor haar stonden twee naaimachines. Lappen stof lagen in hopen op metalen planken tegen de achtermuur en om haar heen op de vloer.
Ze pakte een dunne kartonnen kledingdoos, maakte die open en haalde er een rode boksbroek uit. De pijpen waren met goud afgezet, net als de tailleband, die acht centimeter breed was, en voor op de broek was in rode schrijfletters ‘Hector’ geborduurd. Halverwege beide pijpen was met gouddraad een Thompsonmachinegeweer gestikt. Ze draaide de broek om. Op de achterkant van de tailleband stond in dezelfde rode schrijfletters ‘Hildago’, met kleine geborduurde Thompson-machinegeweertjes aan weerszijden van de naam.
Ze gaf de broek aan Horace en hij liet zijn vingers zachtjes over de cursieve letters van de naam glijden. ‘Niet te geloven dat het zo mooi is geworden,’ fluisterde hij tegen haar. ‘Het ziet er nog beter uit dan ik had verwacht.’
‘Ik heb een boek met machinegeweren gevonden. Je hebt een hoop verschillende soorten, maar de Thompson werkte het best, vond ik. Die ziet er het meest dramatisch uit. Waarom wil je er eigenlijk een machinegeweer op?’
‘Herinnert u zich Arnaldo nog?’ vroeg Horace. Ze zuchtte en schudde somber het hoofd. ‘Die arme grootmoeder van je. Ik begrijp niet waarom ze met hem uitging. Het was zo’n vréselijke man.’
Horace knikte. ‘Toen hij me trainde, zei hij dat mijn combinatiestoten als salvo’s van een machinegeweer moesten zijn. “Sneller, Horace, sneller. Als een machinegeweer. Een machinegeweer!” Zo kwam ik op het idee.’ Hij keek weer naar de broek en liet zijn vingers over het borduursel glijden. ‘Ik kan er gewoon niet over uit hoe goed het eruitziet.’ ‘Ik ben blij dat je hem mooi vindt,’ zei mevrouw Poulet.
Horace deed hem terug in de doos, haalde een biljet van honderd dollar uit zijn portefeuille en gaf het aan haar. ‘Ik moet nu gaan,’ zei hij, en hij stond op, ‘maar als ik een kampioen word, huur ik u in om al mijn boksbroeken en boksjassen te maken. Het zal even duren voor ik zover ben, maar het gaat lukken en dan laat ik u ook speciaal voor mij geborduurde overhemden en overjassen maken. Het zal een hoop werk worden, maar ik zal u beter betalen dan u ooit bent betaald. Daar zal ik voor zorgen.’

*

Het was twaalf uur toen hij terugreed naar de ranch. Hij dronk uit een flesje cola, pruimde Copenhagen en reed door de desolate vallei terwijl hij wakker probeerde te blijven in de middaghitte. De rest van de middag hielp hij meneer Reese met het uit elkaar halen van Mortons tractor. De oude man zat voornamelijk in een stoel zijn rug rust te geven en Horace te vertellen wat hij moest doen. Om half zeven aten ze hun avondeten op de veranda en luisterden ze op de radio naar de wedstrijd van de San Diego Padres. Toen ze uitgegeten waren, trok meneer Reese een blikje bier open en ging mevrouw Reese met een stapel borden de keuken in. Er stond een licht briesje toen de zon achter de bergen verdween. De lucht was wolkeloos en steeds donkerder blauw en de twee mannen zaten tegenover elkaar aan de picknicktafel.
‘Ik vind het vreselijk om te doen, maar ik moet je iets vragen,’ zei meneer Reese. ‘Je vertrekt overmorgen, toch?’
Horace knikte. ‘De bus vertrekt om zeven uur ’s ochtends.’
Meneer Reese nam een slok van zijn blikje bier. ‘Nou, ik zal het maar gewoon zeggen. Zoals je weet kan ik nog steeds niet op een paard klimmen en ik moet proviand bij Pedro zien te krijgen. Ik dacht dat het joch van Rico, Lenny, volgende maand zou komen helpen. Hij had beloofd dat hij de levering van deze week zou doen, maar vandaag heeft zijn moeder gebeld en nu kan hij pas volgende week beginnen. Ik weet niet waarom ze dat niet eerder hebben gezegd, maar dat hebben ze niet. Ik vind het vreselijk om het te vragen, maar ik hoopte dat ik jou misschien kon overhalen een paar dagen langer te blijven en nog één keer op en neer te gaan.Dan zouden we zorgen dat we vanavond je spullen inpakken en zou ik je er morgen naartoe kunnen brengen. Ik weet dat je die rit best in je eentje zou kunnen maken,maar ik hoopte dat ik dan nog wat tijd met je kon doorbrengen voordat je vertrekt. Ik zal je missen. Ik zou je dan overmorgen om twaalf uur ’s middags ophalen. Volgens mij heb je dan tijd zat om terug te komen, als je direct na zonsopkomst vertrekt. En dan zou je de volgende ochtend de bus kunnen nemen. Ik vind het heel vervelend om je plannen in de war te schoppen, maar ik ben bang dat ik niet weet wat ik anders moet.’
Horace sloeg zijn ogen neer, keek naar de picknicktafel. ‘Het geeft niet, meneer Reese,’ zei hij. ‘Ik wist wel dat ik de proviand deze week waarschijnlijk nog zou moeten afleveren. Ik denk dat ik gewoon vergeten ben tegen u te zeggen dat ik dat wist.’ Hij stond op, maar keek de oude man niet aan. ‘Nou, ik denk dat ik mijn spullen dan maar eens bij elkaar moet gaan rapen en inpakken. En ik moet de caravan nog schoonmaken.’
‘Maak je over dat schoonmaken van die caravan maar niet al te druk. Het is jouw huis. Je mag hem zo achterlaten als je wilt.’ ‘Je weet nooit wanneer iemand anders hem nodig heeft. Ik wil zorgen dat ik hem zo achterlaat als ik hem heb aangetroffen.’
‘Dat hoef je niet te doen. Die caravan is van jou.’
Horace knikte half.
‘Het spijt me,’ zei meneer Reese.
‘U hoeft nergens spijt van te hebben,’ antwoordde Horace, en hij stapte de treden voor het huis af en liep naar de caravan.

*

Hij sliep tot drie uur ’s nachts. Toen hij wakker werd, stond hij op en vulde zijn plunjezak met alles wat hij mee zou nemen naar Tucson, stopte de resterende spullen in kartonnen dozen en was de rest van de nacht bezig met het schoonmaken van de caravan. Hij maakte alle kastjes, de koelkast, de badkamer en de keuken schoon. Bij dageraad ging hij onder de douche, trok schone kleren aan en bracht de bezittingen die hij niet mee zou nemen naar een ongebruikte zadelkast in de schuur van meneer Reese. Hij legde zijn slaapzak en zijn rugzak in de laadbak van meneer Reese’ pick-up en ging naar binnen om te ontbijten.
Tegen zonsopkomst zaten ze op de weg. Meneer Reese reed, Horace pruimde Copenhagen en deed oefeningen met zijn handtrainer, en de bruine ruin Lex en de oude merrie Honey wiegden heen en weer in de paardentrailer.
‘Ik weet dat het vroeg is om te praten, maar ik hoopte dat we dat toch konden doen,’ zei meneer Reese. Hij had een kop koffie in zijn linkerhand en stuurde met zijn rechter.
‘Wat is er dan?’ zei Horace.
‘Ik wil dat je eerlijk tegen me bent.’
‘Ik zal eerlijk zijn.’
‘Zelfs als het me kwetst?’
‘Nou… Ik zal het proberen, meneer Reese.’ Horace spuugde in een oud McDonald’s-bekertje en de truck schudde toen het wegdek slechter werd. De oude man ging veertig rijden, dronk zijn koffie op en zette de mok tussen hen in op de voorbank.
‘Als ik optimistisch ben, wat mijn rug betreft, dan heb ik misschien nog vier jaar waarin ik kan werken. Zoals je weet hebben we de eerste keer dat ik door mijn rug ging Albert en zijn vrouw ingehuurd om me een handje te helpen. Jij zat toen nog op school. Zijn vrouw en hij hadden het erover gehad de ranch op een dag te kopen, maar toen ging zijn vrouw bij hem weg en kwam van dat hele idee niks meer terecht… De reden dat ik hierover begin is dat ik de boel vroeg of laat zal moeten verkopen. Dan zullen we naar het dorp moeten verhuizen of bij een van onze dochters intrekken. Ik weet dat we het hier al vaker over hebben gehad, maar dat wilde ik voor je vertrekt toch nog een keer doen. Je lijkt een natuurlijke aanleg te hebben voor dit soort werk en je bent er goed in. Ik weet dat je jong bent, geen vrouw of gezin hebt en dat het dan een eenzaam bestaan is. Alleen jij weet of je daartegen kunt. Wat ik maar wil zeggen is: waarom kom je na je boksloopbaan niet terug? Dan maken we een plan, zodat jij de ranch kunt overnemen. Dat je zelf eigenaar van de ranch wordt. Ik zou niet graag zien dat al het harde werk dat we er de afgelopen jaren in hebben gestopt zomaar zou verdwijnen, zoals bij de Casey-ranch en de boerderij van Hass. Dat waren goedlopende bedrijven, waar inmiddels niks meer van over is. Nu is die van Morton ook verkocht. En wie weet wat daarmee gaat gebeuren. Een ranch runnen is zwaar, zeker als je vrijgezel bent. En veel geld valt er ook niet mee te verdienen. Ik weet dat je altijd een beetje schichtig bent geweest tegenover ons en dat het moeilijk voor je is om geschenken aan te nemen. Ik weet ook dat het moeilijk voor je is geweest om te ontspannen, bij ons. Ons te vertrouwen. Maar wij vertrouwen jou.Wat ik probeer te zeggen is dat mevrouw Reese en ik je als onze zoon beschouwen en dat we willen dat jij de ranch krijgt, als je er klaar voor bent.’
Horace keek de oude man aan, maar kon geen woord uitbrengen. Tranen welden op in zijn ogen. Hij keek door het raampje naar de met woestijnsalie begroeide heuvels en de bergen in de verte daarachter. Ze reden kilometers voordat hij iets zei. ‘Ik geloof niet dat iemand ooit heeft gedacht dat ik een ranch zou kunnen runnen,’ zei hij uiteindelijk. ‘Maar als u en mevrouw Reese denken van wel, dan is dat het aardigste wat ik ooit heb gehoord. Ik zal niet vergeten dat u dat heeft gezegd. Echt niet. U en mevrouw Reese hebben me gered. Dat weet ik.’
‘Nou, jij hebt ons ook gered,’ zei meneer Reese. ‘En je hebt mevrouw Reese geholpen. Die was zichzelf niet, nadat onze dochters het huis uit waren. Je weet hoe ze was, de buien die ze krijgt. Jij hebt haar geholpen.’
Horace keek hem opnieuw aan. ‘Er zijn veel jaren geweest dat ik gedroomd heb dat ik jullie zoon was. Heel veel jaren. Maar ik ga op een dag wereldkampioen boksen worden, meneer Reese, en ik weet niet hoeveel tijd dat gaat kosten. En om dat te doen, moet ik naar de stad verhuizen. Ik moet mijn manier van leven veranderen, en waar ik woon. Ik wou dat ik het allebei tegelijk kon doen, maar ik heb er veel over nagedacht en dat kan met geen mogelijkheid.’
‘Maar boksen is zo’n zwaar leven, Horace.’ ‘Zo erg zal het niet worden.’
‘Maar het is moeilijk om aan gevechten te komen. Dat heb je me zelf verteld. Dat die andere manier van vechten tegenwoordig populairder is.’
‘Kooigevechten zijn populairder, maar mensen houden nog steeds van boksen. Echt waar. Dus ik maak me niet al te veel zorgen,’ zei hij, maar zijn stem klonk onzekerder. ‘Ik kom wel aan partijen, meneer Reese, en het komt wel goed. U zult het zien. Je moet er alleen hard voor werken. U bent degene die me dat heeft verteld. U bent die degene die zei dat als je maar hard blijft werken, het kwartje meestal wel jouw kant op valt.’
‘Dat is waar, dat heb ik gezegd.’ Meneer Reese’ stem stokte. Hij wreef met zijn vrije hand over zijn gezicht en schraapte zijn keel. ‘Mag ik je nog iets vragen?’
‘Tuurlijk.’
‘Waarom moet je veranderen wie je bent? Waarom moet je een Mexicáánse bokser worden?’
‘Dat had ik u nooit moeten vertellen,’ zei Horace.
Meneer Reese keek zijn kant op. ‘Ik ben blij dat je dat wel hebt gedaan. Het is goed om eerlijk te zijn. En ik voel me vereerd dat je het met me hebt gedeeld. Maar ik vraag me alleen af waarom.’
‘Omdat Mexicanen de taaiste boksers zijn,’ zei Horace. ‘Dat weet iedereen. Ze gaan het lijf-aan-lijfgevecht aan. Het zijn echte krijgers die nooit opgeven, nooit voor iemand terugdeinzen en nooit bang zijn. Érik Morales was voor niemand bang. Voor niemand niet.’
‘Ik durf te wedden van wel.’
‘Echt niet. Nooit. Dat weet ik zeker.’
‘Maar je bent geen Mexicaan,’ zei meneer Reese. Horace gaf geen antwoord. Hij draaide het raampje aan de passagierskant omlaag terwijl de zon boven het Monitor-gebergte opkwam. Hij liet zijn arm naar buiten hangen en de ochtendlucht was koel en rook naar salie en stof.
‘Heb ik je overstuur gemaakt, Horace?’
‘Nee,’ zei hij, maar dat was niet waar. Hij wilde de truck uit springen. Hij wilde duizenden kilometers van die oude truck vandaan zijn. ‘Het punt is dat er geen taaie indiaanse boksers bestaan, meneer Reese.’
‘Daar vergis je je in,’ zei de oude man, plotseling opgewonden. Hij zakte onderuit op de zitting van de truck en stuurde met zijn benen. Hij viste de portefeuille uit zijn achterzak en haalde er een velletje papier uit met het handschrift van mevrouw Reese erop. Aan één kant ervan stond bovenaan in vette letters ‘indiaans’ en op de andere kant ‘Iers’. ‘Mevrouw Reese en ik zijn naar de bibliotheek gegaan en hebben gezocht op de computer. We hebben een paar dingetjes ontdekt. In de jaren zeventig heb je een bokser gehad die Danny ‘Little Red’ Lopez heette. Die was deels Ute, deels Mexicaans en deels Iers. Jij bent ook deels Iers. Je grootvader, Doreens man, kwam daarvandaan. En je bent deels Paiute. Dat is natuurlijk wat anders, en hij had ook wel wat Mexicaans bloed, maar niet zo veel als je zou denken. En dan heb je Marvin Camel nog. Dat was een Flathead-indiaan en hier staat dat hij ook een bokskampioen is geweest. Oké, Flatheads komen uit Montana, dus hij kwam niet uit Nevada, maar het scheelt weinig. Niet zo heel ver weg, als je erover nadenkt. En tot slot heb je nog een gast die Joe ‘The Boss’ Hipp heet. Er stond dat hij de eerste Native American wereldkampioen in het zwaargewicht was.’
‘Ik wil niet worden zoals Marvin Camel of Joe Hipp. Ik weet wel wie dat zijn.’ Horace zweeg even en keek de oude man toen aan. ‘Meneer Reese, ik wil geen indiaan zijn. De goeie boksers zijn geen van allen Paiutes. Paiutes deugen nergens voor.’
‘Dat is niet waar,’ zei de oude man, ‘en dat weet je best. Dat heb je van je oma. Dat soort dingen moet je niet zeggen. En trouwens, zoals ik al zei: je bent ook deels Iers en je hebt een heleboel geweldige Ierse boksers. Daar heb ik op de achterkant een lijstje van staan.’
‘Doe maar geen moeite, meneer Reese,’ zei Horace, en hij schudde zijn hoofd. ‘Niemand denkt dat ik blank ben, omdat ik er niet blank uitzie. Ik zie er niet Iers uit, dus ben ik niet Iers. Maar ik zie er wel uit als een Mexicaan. Iedereen die me niet echt kent vindt dat ik er Mexicaans uitzie. Echt waar.’ Hij keek opnieuw uit het raam en tikte steeds sneller met zijn voet op de bodem van de truck. Hij begon aan zijn nagels te pulken. Zijn stem klonk aarzelend. ‘Ik waardeer het wat u allemaal zegt, meneer Reese, maar ik ga een kampioen worden. Echt. Het is precies zoals in B.O.O.T staat. Als je een kampioen wilt worden, moet je je eigen toekomst creëren. Die moet je zelf maken. Je moet je boot steentje voor steentje bouwen, tot hij onverwoestbaar en onverslaanbaar is. En die boot zal je naar het volgende niveau brengen, het niveau van de kampioenen. En dat ga ik doen.’

 

© 2018 by Willy Vlautin
© 2018 Nederlandse vertaling Dirk-Jan Arensman en Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum