Leesfragment: Maalstroom

17 januari 2018 , door Sigrid Rausing
| |

Afgelopen week verscheen Maalstroom, het boek dat Sigrid Rausing schreef over de verslaving van haar broer en zijn vrouw. Lees hier een fragment.

Tijdens de zomer van 2012 wordt het dode lichaam van Eva Rausing gevonden in het Londense appartement dat ze deelt met haar man Hans. Het echtpaar worstelt al jaren met een ernstige drugsverslaving, en staat daarmee, vanwege de uitzonderlijke rijkdom van de familie Rausing, in de volle aandacht van de roddelpers. Nu, een aantal jaar later, probeert redacteur en uitgever Sigrid Rausing duidelijkheid te krijgen over de destructieve levensloop van haar broer en zijn vrouw. In Maalstroom stelt ze, in een heldere en ingetogen stijl, de moeilijke vragen waarmee iedereen die wordt geraakt door verslaving wordt geconfronteerd. Wie moet de verslaafde helpen als die niet geholpen wil worden? Wat als er geen medicijnen zijn, want de drugs zijn het medicijn? Hoe kan je als familie een verslaafde helpen als de schaamte zo groot is dat alle hulp als een aanval wordt gezien?

 

I

Nu het allemaal voorbij is, merk ik dat ik nadenk over familiegeschiedenissen en familieherinneringen: de verhalen die families bijeenhouden, en de daden waardoor ze verscheurd kunnen raken.
Ik dacht altijd dat er geen onherstelbare daden bestonden, dat genomen beslissingen en gemaakte fouten zonder uitzondering rechtgezet konden worden. Nu weet ik dat bepaalde daden in het leven onomkeerbaar zijn, en je naar ongekende oorden leiden.

*

In het toneelstuk Droomspel van August Strindberg uit 1902 komt deze zin een aantal keren voor: ‘Det är synd om människorna.’ Die zin wordt uitgesproken door de dochter van de god Indra, die afdaalt naar de aarde om de mensheid en het leed dat zij zichzelf berokkent beter te begrijpen. De uitdrukking is lastig te vertalen. Edwin Björkman, die het toneelstuk aan het begin van de twintigste eeuw vertaalde, maakte er simpelweg – en misschien niet heel soepel – ‘Men are to be pitied’ van, ‘De mens is beklagenswaardig’. Det är synd om människorna. En van alle wonden die de mensheid zichzelf toebrengt lijkt verslaving mij een van de meest tragische. Wie kan de verslaafde helpen wanneer hij door een beschamende honger wordt verteerd, door een oncontroleerbare behoefte? Er bestaat geen medicatie voor; de drugs zíjn de medicatie.
En wie kan hun familieleden helpen, die zo nauw betrokken zijn bij de zelfvernietiging van de verslaafde? Wie kan helpen wanneer hulp gelijk begint te staan aan machtsuitoefening; wanneer de verslaafde de familie als een politiestaat ziet, als een einde aan de vrijheid?

Dit verhaal is een ooggetuigenverslag van een verslaving. In bepaalde opzichten is het een gewoon verhaal: twee mensen, Hans en Eva, mijn broer en zijn vrouw. Ze ontmoetten elkaar in de afkickkliniek, werden verliefd, trouwden, kregen kinderen, en gingen toen weer gebruiken. Hij overleefde het, zij niet. Verslavingsverhalen zijn overal ter wereld hetzelfde – de persoonlijkheid van verslaafden wordt, vreemd genoeg, uitgewist door de voorspelbare voortgang van de ziekte en van het herstel.
In ons geval was het verhaal anders doordat het zozeer in de openbaarheid kwam. Getuige zijn van de – schijnbaar vrijwillige – lichamelijke en geestelijke aftakeling van mensen van wie je houdt doet onzegbaar veel pijn. Zo bekeken maakt het geen verschil of het verhaal in de openbaarheid komt of niet; het verdriet en de angst zijn zo overweldigend dat krantenkoppen er niet toe doen. Maar toch wil je niet dat jouw levensverhaal door de media geschreven wordt.
Dat is misschien al voldoende reden om een boek te schrijven. Maar ik had ook steeds aangenomen dat dramatische gebeurtenissen zich als een verhaal zouden ontvouwen, met een slot, waarna dit alles in het familiearchief kon worden opgeborgen. Het verhaal zou verteld worden, waarschijnlijk door juristen; de feiten zouden aan het licht komen, en toekomstige familiegeneraties zouden weten wat er gebeurd was.
Maar het bleek dat niemand de feiten verzamelde. Er was geen tijdlijn en geen samenhangend familieverhaal. En toch was de verslaving van Hans en Eva het ergste wat ons ooit was overkomen. Het sleurde ons een onderwereld binnen, vol zwijgend verdriet in slow motion, een oord vol plotse instortingen en griezelige waanbeelden. Het zorgde voor de ene verontrustende ruzie na de andere, voor tijdrovende en ingewikkelde e-mailwisselingen, eindeloze verslagen en gesprekken, bezoeken aan psychiaters, therapeuten, en allerhande verslavingsdeskundigen. Door dat alles ging ik diep nadenken over wat ‘familie’ betekent, over de grenzen van onze verantwoordelijkheid voor elkaar; wie we waren, en wie we geworden zijn.

Hans en Eva trouwden in 1992. Het was de climax van jarenlang herstel. Ze hadden twaalfstappenbijeenkomsten bezocht, ze hadden buddy’s, misschien waren ze zelf ook buddy, en ze doneerden geld aan de verslavingshulp. Tegen 1999 hadden ze drie kinderen. En toen, acht jaar nadat ze getrouwd waren, kwam er een catastrofale terugval.
Die duurde twaalf jaar. Ik was achtendertig toen het allemaal begon, vijftig toen het voorbij was.

Ik wil begrijpen hoe het allemaal is begonnen, lang voor de terugval. Maar wie kent het hoe, of het waarom – welke emotionele voorgeschiedenis of genetische aanleg mensen tot verslavingen brengt.
Een paar dingen weet ik. Begin jaren tachtig reisde Hans, een jaar of achttien, negentien oud, met wat vrienden per trein door de Sovjet-Unie, China en India. In Goa ontmoetten ze een stel jonge Italiaanse vrouwen die op het strand kampeerden; zo ontdekten ze heroïne.
Eva was een Amerikaanse expat, geboren in Hongkong, opgegroeid in Engeland. Ze was zelfs nog jonger dan Hans toen ze drugsverslaafd raakte.
Ze probeerden heel wat keren af te kicken. In de late jaren tachtig zaten ze toevallig in dezelfde kliniek. Ze kenden elkaar toen nog niet. Eva was bijna afgekickt en al uit de kliniek ontslagen toen men haar vroeg Hans over te halen om te blijven – hij stond op het punt weg te lopen en weer aan de drugs te gaan. Ze was er goed in andere verslaafden te helpen, en ze wist hem om te praten. Ze raakten bevriend.
Een tijdje later – toen ze al meer dan vrienden waren – nam Hans Eva mee naar het huis van mijn ouders, op het platteland, om haar aan de familie voor te stellen. Ik weet nog goed hoe ze eruitzag tijdens die eerste ontmoeting. Ze was blond, mager en wat gereserveerd, ze droeg een roze mantelpakje van Chanel en leunde achterover op de leren bank. Ze zag er tegelijkertijd jong en oud uit, saai en wild, goedverzorgd en slordig. Ze was in Londen opgegroeid, al leek ze mij eerder Amerikaans dan Engels. Haar moeder kwam uit North Carolina; haar vader was al op vrij jonge leeftijd vanuit Europa naar Amerika gekomen.
Mijn moeder kende hen; ze hadden bij dezelfde Families Anonymous-groep in Chelsea gezeten.

*

Ik heb de schrijver David Grossman eens horen spreken over het verdriet dat hij voelde om zijn zoon, die tragisch was omgekomen tijdens een van de vele conflicten van Israël. Hij zei dat het onder woorden brengen van emoties ons menselijk maakt. Ik wilde daaraan toevoegen – of misschien zei hij het wel – dat als het je niet lukt verdriet te doorgrónden, het je kan veranderen in iets wat je niet bent, of niet was. Schrijven is een manier van doorgronden.
Ik geloof in schrijven. Ik ben redacteur en uitgever; tekst is mijn beroep. Door te lezen en te schrijven denken we na over onze gevoelens, van wie we houden, en waarom, en hoe. Ik weet dat ik van mijn broer hou, niet omdat hij het verdient (wie verdient het wel?), maar omdat ik al sinds onze puberteit moet lachen als hij me aankijkt, omdat hij zo ongekunsteld is en zijn aanwezigheid (zijn lengte, zijn forse gestalte, zijn levendigheid) zo geruststellend is, na die lange afwezigheid, zijn verblijf als een zombie in de wildernis.

Ongeveer een jaar geleden vertelde mijn broer me dat hij Op zoek naar de verloren tijd van Proust aan het lezen was. Voor de tweede keer verzuimde ik hem over dit boek te vertellen, mijn eigen herinneringsproject. De eerste keer was een paar maanden daarvoor, toen hij me vroeg of ik iets aan het schrijven was. Mijn laatste boek, herinneringen aan een jaar op een collectieve boerderij in de Sovjet-Unie, was net op de shortlist voor een bescheiden prijs gezet, en dat deed hem genoegen, denk ik, en hij was blij dat het goed met me ging. Het was op de verjaardag van mijn moeder; ik hield me op de vlakte, vaag, ontwijkend. Op een gegeven moment, tijdens de maaltijd, begon ik te zingen. Eten bij mijn ouders betekent zingen; zo gaat dat in Zweden. De kinderen kijken elkaar aan en beginnen te lachen, iedere keer weer, jaar in jaar uit.
Zo keken mijn broer en ik elkaar aan toen we klein waren en later weer, toen we pubers waren.
Mijn moeder glimlacht en neuriet vals. Mijn vader neuriet ook en zingt vals. Mijn broer begint mee te zingen. Dan glimlacht hij plotseling, een onverwacht lieve glimlach, en zwaait wat naar het dochtertje van mijn vriendin Johanna, dat op de bank een dvd ligt te kijken, naar ons ligt te kijken, en opeens zit ik te huilen, moet ik denken aan al die tijd met zijn eigen kinderen die Hans is misgelopen, en dan zing ik ook en proef zoute tranen in mijn mond.
Die zoute smaak ken ik maar al te goed.
Het was ontroerend, die lange blauwe meiavond, die Zweedse liedjes op het platteland van Sussex. We zongen tot mijn vader een hoestbui kreeg en van tafel moest opstaan. Hij leunde zwaar op mij terwijl we langzaam terugliepen naar de bibliotheek, naar zijn stoel.
Mijn broer keek weg, want hij kon het niet aanzien.

Op zoek naar de verloren tijd. Ik zal proberen niet te melodramatisch te doen. Maar dit verhaal is zo inherent dramatisch dat het vulgair zou kunnen worden als ik alles zomaar vertelde; dan zou ik me verlagen tot het platte, sensatiebeluste niveau van de roddelbladen. Daar hebben we al genoeg van gehad – er bestaat zelfs een Zweedse opera uit 2016 waarin tevergeefs wordt geprobeerd de betekenis van het gebeurde onder woorden te brengen. De Dood komt in het libretto als personage langs, en speelt ook een drugsdealer. In de tekst wordt geïnsinueerd dat de verslaving van mijn broer een soort wraak was op de onverzadigbare hebzucht van mijn grootvader, zijn zucht naar rijkdom en grandeur.
‘Hij wilde meer zijn dan een visionair. Je moet rijk en grandioos zijn,’ zingt het personage dat Eva moet voorstellen.
Hans antwoordt: ‘En uit wraak leefde ik het leven van een drugsverslaafde. Een schande voor mijn hele familie.’
Eva: ‘Jij verzette je! Jij weigerde!’
Mijn zus Lisbet en ik worden neergezet als de duistere Nornen van Holland Park – die vrouwwezens uit de Noorse mythologie die het lot van gewone stervelingen spinnen. Wij draaien als gieren met onze duistere koppen; wij pakken Eva’s kinderen af.
Als je zelf je verhalen niet vertelt, dan zullen anderen ze vertellen, en ze zullen je vulgariseren en vernederen, zegt Ishmael Reed, George Bernard Shaw citerend.
Al schrijvende weet ik dat schrijven gezien kan worden als familieverraad: een beschamende daad, om geld in het laatje te brengen. Lezers die dit denken: besef alsjeblieft dat ik dit zelf al heb bedacht. Lezers die dit denken: bedenk hoe wij zijn grootgebracht: rijkdom, afzondering, stilte, discretie.
Maar er stierf iemand, vroeg in de ochtend of laat in de nacht.
Eva was, denk ik, op weg naar herstel toen ze stierf. Er waren tekenen dat het weer goed met haar zou komen. En toch stierf ze.

Er sterven te veel verslaafden, er worden te veel families verscheurd.

*

Mayhem is een oude Engelse juridische term die staat voor de misdaad van verminken. Het begrip impliceert schuld, en binnen deze context is dat toepasselijk, want er bestaat geen verslavingsverhaal dat niet om schuld, schaamte en veroordeling draait. De schuld raakt iedereen, net als de schaamte. Allemaal waren we schuldig, en geen van ons was schuldig. Allemaal schaamden we ons, en die schaamte werd deel van ons.
We speelden onze rol. ‘Verslaafde’, ‘familieleden’. Net als alle andere families die door een verslaving zijn verscheurd raakten we welbekend met de passen van die ingewikkelde dans.

 

Copyright © 2017 Sigrid Rausing
Copyright Nederlandse vertaling © 2018 Anne Roetman en Thijs van Nimwegen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum