Leesfragment: Melmoth

07 september 2018 , door Sarah Perry
|

Van Sarah Perry, de auteur van Het monster van Essex, verschijnt 14 september haar boek Melmoth. Bij ons kan je de eerste pagina's alvast lezen!

Twintig jaar geleden deed Helen Franklin iets wat ze zichzelf niet kan vergeven. Het beschermde leventje dat ze sindsdien heeft opgebouwd, wordt nu opeens bedreigd door een reeks wonderlijke voorvallen. Ze leest een stapel vreemde manuscripten, bomvol verhalen uit de zwartste hoofdstukken van de geschiedenis. Daaruit rijst het beeld op van een lange, zwijgende vrouw in het zwart: Melmoth, het eenzaamste wezen ter wereld. Gedoemd om eeuwig op aarde rond te dolen probeert ze mensen met een schuldgevoel te verleiden om levenslang met haar mee te zwerven.

Melmoths uitverkorenen moeten een keuze maken: leren leven met wat ze hebben gedaan of haar volgen in de eeuwige duisternis. Ondanks haar wantrouwen ontkomt Helen niet aan het gevoel dat iets of iemand naar haar kijkt. Wanneer ze wordt ingehaald door haar verleden, komt ook zij voor de belangrijkste keuze in haar leven te staan. Durft ze te kiezen voor de liefde, hoe onwaarschijnlijk die ook lijkt?

Melmoth is een meesterwerk van morele complexiteit, dat ons dwingt om na te denken over goed en kwaad. Na de succesvolle roman Het monster van Essex is Melmoth opnieuw een fascinerende, razend spannende roman.

N.B. We publiceerden voor uit Het monster van Essex. Lees het fragment op Athenaeum.nl.

 

Deel I

Kijk! Het is winter in Praag: de nacht kruipt omhoog in de moeder van alle steden en over haar duizend torenspitsen. Kijk omlaag naar de duisternis rond je voeten, in alle straten en stegen, alsof er een zacht zwart stof met een bezem overheen wordt geveegd; kijk naar de stenen apostelen op de oude Karelsbrug, naar alle blauwogige kauwen op de schouders van de heilige Johannes Nepomuk. Kijk! Ze komt de brug over, haar hoofd voorovergebogen naar de steeds wittere straatkeien: Helen Franklin, tweeënveertig, klein noch lang, haar blond noch donker; aan haar voeten de laarzen die dienstdoen van november tot maart; aan haar arm het roestvrijstalen polshorloge van haar moeder. Glinsterend zout van harde sneeuw valt op haar mouw, haar schouder; een ceintuur om haar nette jas, even kleurloos als zijzelf, met negen jaar sleet; in haar schoudertas haar werk van deze middag (de vertaling van de gebruiksaanwijzing van een wasmachine, uit het Duits in het Engels) en een groene niet-opgegeten appel.
Wat zuigt je blik naar deze kleurloze gestalte, terwijl boven je hoofd de lage wolken splijten en uit de gekantelde kom van een zilveren maan melk wordt uitgeschonken over de rivier? Niets, dat wil zeggen – niets, behalve dan dit: deze uren, deze trage minuten van een korte dag, moeten de laatste zijn waarin ze niets van Melmoth weet –, wanneer donder nog gewoon donder is en schaduw slechts een donkere vlek op de muur. Als je het haar nu zou kunnen vertellen (kom naar voren! Neem haar bij de pols en fluister het in haar oor!), dan zou ze wellicht even blijven staan, wit wegtrekken en haar ogen in verwarring fixeren op de jouwe; misschien zou ze een blik werpen op de in kunstlicht gehulde burcht hoog boven de Moldau, rechtsomkeert maken op haar hakken van een paar centimeter hoog en zich weer door de oprukkende menigte persen. Maar – o, het heeft geen zin: ze zou slechts glimlachen, half geamuseerd (als altijd), je van zich afschudden en doorlopen naar huis.
Helen Franklin blijft even staan op de plek waar de brug de oever bereikt. Trams ratelen in de richting van het Nationale Theater, waar de hoboïsten in de orkestbak op hun rieten zuigen en de eerste violiste met haar strijkstok drie keer tegen de lessenaar tikt. Het is twee weken na Kerstmis, maar de mechanische boom op het Oude Stadsplein blijft maar ronddraaien en speelt nog een laatste vrolijk Strauss-riedeltje en vrouwen uit Hove en Hartlepool klemmen papieren bekertjes gloeiend hete wijn in hun handen. Vanaf de Karlovastraat komen ham- en houtgeuren overgewaaid, geuren van deeg met kandijbeslag dat boven houtskool ligt te schroeien; een uil op een gehandschoende pols kan worden aangesproken met de achting die het verenkleed opwekt en dan voorzichtig worden vastgehouden in ruil voor een handjevol munten. Het is een toneeldecor, in elkaar gestoken met touwen en katrollen; genoeg voor een plezierig avondje zelfbedrog, maar meer ook niet. Helen laat zich niet bedriegen, dat is haar nooit gebeurd, de vreugden van een bohemienbestaan kent ze niet. Ze is nooit blijven staan om naar de werking te kijken van de astronomische klok – de maker werd met spelden in zijn ogen gestoken zodat hij de stad niet kon beschamen door elders een betere te bouwen –, nooit heeft ze haar geld besteed aan matroesjkapoppetjes in de kleuren van een Engels voetbalteam, in de schemering staart ze nooit doelloos over de Moldau. Schuldig aan een misdaad waarvoor ze nooit, zo vreest ze, voldoende genoegdoening kan geven, belandde ze hier in ballingschap, uit vrije wil zit ze hier een levenslange straf uit, ze is haar eigen rechter en haar eigen jury.
Het licht verandert – de menigte blijft aandringen –, Helen wordt meegesleurd door de lawaaiige getijdenstroom en stuit op een ijzeren balustrade, ze haalt haar handschoenen uit haar zak. Op dat moment hoort ze – boven het rumoer uit van de welgestelde Koreanen die op weg zijn naar de met koper beslagen rivierschepen aan de kade – hoe haar eigen naam aanwaait vanaf het water. ‘Helen – Helen Franklin!’ een onstuimige schreeuw, alsof ze misschien haar portemonnee heeft laten vallen. Ze kijkt op, gehandschoende hand aan de mond, en ziet hoe een lange man in een blauw overhemd – zonder jas – staat te rillen onder een lantaarnpaal, met een groot donker voorwerp tegen zijn borst geklemd. Oog in oog, een arm gaat omhoog. ‘Ja?’ – gebiedend, ongeduldig. ‘Ja! Kom hier, alsjeblieft. Kom nu meteen, alsjeblieft.’ De man plukt aan de stof van zijn overhemd, alsof de halfdoorzichtige zijde zijn huid irriteert; zijn lijf onder het hemd is heftig aan het schokken.
‘Karel,’ zegt Helen, nog zonder in beweging te komen. Karel Pražan vormt precies de helft van haar vrienden- en kennissenkring. Hun vriendschap ontstond in het café van de Nationale Bibliotheek van de Tsjechische Republiek, waar die ochtend geen andere tafeltjes meer vrij waren. Hij is lang, uitgebalanceerd slank, zijn donkere haar glimt altijd tegen zijn schedel; hij draagt zijden overhemden, suède of kalfsleren schoenen, al naargelang het seizoen; hij is niet knap, maar wekt wel die illusie, en ziet er altijd uit alsof hij zich net geschoren heeft. Zelfs van deze afstand, omstuwd door kinderen in felgekleurde gewatteerde jassen, vallen echter de grauwe bleekheid op van zijn gelaat, en de ingevallen ogen van een man die niet slaapt. De kou heeft zijn lippen bestrooid met een blauwachtig poederstof; de arm waarmee hij het voorwerp tegen zijn schokkende borst klemt lijkt verstijfd, alsof alle gewrichten verstrengeld zijn. ‘Karel,’ zegt ze, en ze loopt ongehaast op hem af. Tien stappen verder ziet ze dat hij een dossiermap vasthoudt, van ruw zwart leer, met sleetse plekken op de hoeken, driemaal omwikkeld met een zwarte veter. Het lantaarnlicht glanst op een merkteken op een van de hoeken, maar ze kan het niet goed onderscheiden. ‘Karel?’ zegt ze. ‘Sla mijn sjaal om. Wat is er aan de hand – waar is je jas –, ben je gewond?’ Dan valt haar iets in dat meer voor de hand ligt. ‘Is er iets met Thea?’ Ze stelt zich Thea voor, zijn vriendin, en beslist zijn betere helft, levenloos in haar rolstoel op de begane grond, haar ogen gefixeerd op een bepaald punt achter het gestucte plafond, ’s nachts – waar ze altijd al zo bang voor waren – bezweken aan weer een bloedprop in haar hersenen. ‘Thea?’ Karel reageert ongeduldig. ‘Het gaat prima met haar – nee, die wil ik niet’ –, hij weert de aangereikte sjaal bars af en neemt Helen dan helemaal in zich op, alsof hij niet kan begrijpen waarom ze hem lastigvalt.
‘Je wordt ziek.’
‘Hier, neem terug. Ik doe het niet. Het maakt me niet uit. Luister: we moeten er denk ik even bij gaan zitten.’ Hij kijkt om zich heen, alsof hij gewoon in kleermakerszit op straat wil plaatsnemen; dan tilt hij de leren dossiermap omhoog, en schudt ermee in haar richting. Ze ziet hoe zwaar het ding is, het zit volgepropt met documenten en heeft vochtplekken van het water. Hij wijst met zijn duim op een glimmend verguld monogram in een hoek: j.a.h. Het geeft haar een onbehaaglijk gevoel om te zien hoe hij de map vasthoudt met een mengeling van hebzucht en afkeer, alsof het iets is waar hij zijn hele leven naar heeft gesnakt, terwijl hij nu, na het voldoen van de vraagprijs, heeft bemerkt dat het stinkt. ‘Het klopt niet. Ik moet het tegen iemand vertellen en uitgerekend jij kunt het verdragen. Ik bedoel,’ – hij onderbreekt zichzelf en begint vreugdeloos te lachen – ‘ik geloof dat ze je pal in de ogen zou kunnen kijken en dan zou je het nog steeds niet geloven! Geen woord!’
‘Ze? Wie is die “ze”? Heb je dit dossier meegenomen? Is het van een vriend of vriendin van je? Je moet eens ophouden spelletjes te spelen.’
‘O…’ Hij houdt zich op de vlakte. ‘Je merkt het vanzelf.’ Hij begint door te lopen, brult over zijn schouder dat ze hem moet bijhouden, alsof ze een kind is, een vermoeiend kind bovendien. Ze slaat achter hem een met kasseien geplaveide steeg in, onder een stenen boog door, nog geen tien meter van het toeristengewoel, een steeg die je nooit van zijn leven zou vinden, als je dat al ooit zou proberen. Hij duwt een beschilderde deur open, glipt door de zware tochtgordijnen en gaat – wenkend – in een schemerig hoekje zitten. De omgeving doet vertrouwd aan – de beslagen vensters, de groene asbakken, de peertjes van veertig watt onder hun lampenkappen van groen glas – en Helens angst begint te wijken. Ze gaat naast haar (nog steeds rillende) vriend zitten, trekt haar handschoenen uit, strijkt de mouwen van haar vest over haar polsen en draait zich naar hem toe.

[...] 

 

Copyright © 2018 Sarah Perry
Copyright Nederlandse vertaling © 2018 Roland Fagel en Natasha Gerson

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum